Inhoudsopgave
Toetscasus 1 (therapeut, diagnostiek); Cortex – transfers......................................................................................................... 2
Toetscasus 2 (therapeut, diagnostiek); Basale kernen – (trap)lopen.......................................................................................... 6
Toetscasus 3 (therapeut, diagnostiek); Cerebellum – staan....................................................................................................... 9
Toetscasus 4a (therapeut, diagnostiek); Long – ANAMNESE.................................................................................................... 13
Toetscasus 4b (therapeut, diagnostiek); Long – ONDERZOEK................................................................................................... 16
Toetscasus 5a (therapeut, diagnostiek); sPAV – ANAMNESE.................................................................................................... 20
Toetscasus 5b (therapeut, diagnostiek); sPAV – ONDERZOEK.................................................................................................. 22
Toetscasus 6a (therapeut, diagnostiek); Oncologie – ANAMNESE............................................................................................ 24
Toetscasus 6b (therapeut, diagnostiek); Oncologie – ONDERZOEK.......................................................................................... 25
,Toetscasus 1 (therapeut, diagnostiek); Cortex – transfers
Aanvullende informatie uit fysiotherapeutische overdracht (telefonisch):
Hulpvraag volgens fysiotherapeut: veiligheid bij transfer (zit-stand) verbeteren
Activiteiten
o Loopt met eifel/4-poot, vanwege impulsiviteit FAC 3
Functies
o Sensibiliteit en kracht verminderd
o Tonus: geen bijzonderheden
Persoonlijke factoren
o Verminderd ziekte-inzicht en impulsief/ontremd
Cortex laesie moeite met selectief bewegen, patiënten bewegen vaak in patronen.
Wat:
Hulpvraag:
o Waarom bent u vandaag gekomen?
Persoon:
o Wat maakt deze handeling moeilijk voor u?
o Wat doet u als het niet lukt?
o Wat vindt u ervan als het niet lukt?
Taak:
o Welke onderdelen zijn lastig?
o Wat zijn momenten dat het makkelijker of juist moeilijker gaat?
o Wat zijn andere dingen waar u moeite mee heeft?
Omgeving:
o Hoe zien de stoel + omgeving eruit van waaruit u opstaat? (Hoog/laag, rugleuning,
armleuning)
o Van wat voor hulpmiddelen maakt u gebruik tijdens het opstaan? (vierpoot?)
o Zijn er thuis mensen die u kunnen helpen?
, Hoe (problematische handeling):
Met zo min mogelijk kleding aan!
De situatie zoveel mogelijk nabootsen:
Hoogte stoel
Armleuningen/rugleuning
Tapijt/vloerkleed
Observatie
Zithouding (oprichtreacties?)
Bewegingen van hoofd/romp/extremiteiten
Zwaartepunt en steunvlak
Bewegingsuitslag en -snelheid
Zitbalans (statisch/dynamisch)
o Achteromkijken
o Laten reiken naar iets
o Been optillen
o Waar liggen de grenzen van de activiteit (wanneer lukt het net wel/niet meer?)
ONDERZOEKEN!
Eventueel loopanalyse doen als meneer/mevrouw aangeeft hier (ook) moeite mee te hebben.
Lopen met een eifel/4-poot (https://www.youtube.com/watch?v=CM8GNM-o8Wk):
Zet de stok naar voren
Sluit met het aangedane been op de hoogte van de stok
Sluit het niet-aangedane been aan
Hypotheses:
1. Meneer/mevrouw heeft moeite met de transfer zit/stand vanwege een verminderde zit/sta-balans.
2. Meneer/mevrouw heeft moeite met de transfer zit/stand vanwege een verhoogd valrisico.
3. Meneer/mevrouw heeft moeite met de transfer zit/stand vanwege een verminderde spierkracht in
de m. quadriceps.
4. Meneer/mevrouw heeft moeite met de transfer zit/stand als gevolg van een verminderde
gnostische sensibiliteit (proprioceptie) in de onderste extremiteit
5. Meneer/mevrouw heeft moeite met de transfer zit/stand als gevolg van een verminderde
sensibiliteit (tastzin) (in de onderste extremiteit).
6. Meneer/mevrouw heeft moeite met de transfer zit/stand als gevolg van een verminderde sturing in
de onderste extremiteit
7. Meneer/mevrouw heeft moeite met de transfer zit/stand als gevolg van een inefficiënte techniek
(steunvlak te klein, zwaartepunt te veel naar voren/achteren)
8. Door een verminderd ziekte-inzicht heeft de patiënt geen goed beeld van wat hij wel/niet kan.
9. Meneer/mevrouw heeft moeite met de transfer zit/stand vanwege een verhoogde tonus in de m.
quadriceps (en m. biceps brachii).
10. Meneer/mevrouw heeft moeite met lopen vanwege het inefficiënte gebruik van de eifel
(inefficiënte looptechniek).
Waarom:
Hypothese 1: verminderde zit/stabalans
BBS gaat in op balans tijdens transfers
Transfers: 1, 4, 5
Stabalans: 2, 6, 7, 13, 14
o Dynamisch: 8, 9, 10, 11, 12