Samenvatting
,Inleiding Privaatrecht
Tekst 1: Een inleiding in het privaatrecht
1.1 Het onderscheid tussen privaatrecht & publiekrecht
3 criteria voor onderscheid:
1. De subjecten die een rol spelen
2. Het belang dat gediend wordt
3. De wijze van handhaving van de regels
1. De subjecten die een rol spelen
- Relatie tussen burgers onderling = privaatrecht (A verkoopt een huis aan B).
- Overheid betrokken of relatie tussen overheid en meerdere burgers = publiekrecht (gemeente verleent omgevingsvergunning
voor bouw).
- De overheid kan ook die handelingen verrichten die een burger kan verrichten (gemeente sluit koopovereenkomst t.a.v. een
pand = privaatrechtelijk).
- De overheid kan in 2 kwaliteiten optreden:
1. Privaatrechtelijk, daarbij oefent zij bevoegdheden uit die aan alle burgers toekomen.
2. Publiekrechtelijk, waarbij zijn haar bevoegdheden uitoefent die aan haar als overheid zijn toegekend,
2. Het belang dat gediend wordt.
- Privaatrecht regelt de belangen van afzonderlijke burgers waarbij het particulier belang voorop zou staan.
- Het publiekrecht regelt het algemeen belang.
- Uitgangspunt privaatrecht: burgers mogen in beginsel hun betrekkingen naar eigen inzicht regelen & privaatrecht geeft regels
voor zover burgers hun onderlinge betrekking niet hebben geregeld.
- Uitgangspunt publiekrecht: geeft vooral dwingende gebods- en verbodsbepalingen ter ondersteuning van het algemeen be-
lang.
- Er zijn tal wettelijke regels die ingrijpen in privaatrechtelijke rechtsbetrekkingen waarbij niet het privébelang maar het algemene
belang vooropstaat.
3. De wijze van handhaving van regels.
- Het initiatief tot handhaving van privaatrechtelijke regels wordt aan de betrokken individuen zelf overgelaten.
- Art. 3::216 BW: aan de vruchtgebruiker komen alle vruchten toe die tijdens het vruchtgebruik afgescheiden worden,. Wordt de
vruchtgebruiker in dit recht gestoord door de eigenaar van de in vruchtgebruik gegeven zaak, dan is het aan de vruchtgebruiker
om hiertegen actie te ondernemen.
- Het publiekrecht omvat de regels die door de overheid als overheid (kunnen) worden gehandhaafd.
Tot het publiekrecht worden gerekend:
- Regels die de inrichting betreffen van de overheid Staat, provincie, gemeente, etc.). = Staatsrecht.
- Regels op grond waarvan de overheid mag ingrijpen in de levenssfeer van de burgers ter regeling van de samenleving (ver-
gunningen, subsidies, woonruimtevorderingen - alsmede de speciale regels die het procesrecht m.b.t., dit onderdeel betreffen)
= administratief recht of bestuursrecht.
- Regels die aangeven welke gedragingen
strafbaar zijn & welke straffen daarvoor door de rechter kunnen worden opgelegd en regels die het procesrecht m.b.t. dit onder-
deel betreffen = strafrecht.
1.2 Het onderscheid tussen materiaal en formeel privaatrecht.
- Materieel recht heeft betrekking op de inhoud van het recht - gedeelte waarin de inhoud van de relaties tussen burgers onder-
ling wordt geregeld Het betreft de regels die aan personen rechten en plichten toekennen).
Bv. Jan verkoopt zijn auto aan Piet. Op grond van art. 7:26 BW heeft Jan recht op betaling van de koopprijs en Jan is op grond
van art. 7:9 BW verplicht het eigendom van de auto over te dragen aan Piet. Dit is een voorbeeld van regels die behoren tot het
materiële recht.
- Het formeel recht (burgerlijk procesrecht) geeft aan op welke wijze men het materiële privaatrecht kan verwezenlijken. Hoe
iemand, wiens recht geschonden is, zich tot de rechter kan wenden en hoe een rechterlijk vonnis ten uitvoer kan worden ge-
legd.
- Het formele privaatrecht is te vinden in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de Rechterlijke organisatie en
diverse andere wetten (Faillissementswet, Advocatenwet).
- Regelend recht (aanvullend of dispositief recht): zijn regels die door de wetgever zijn opgesteld om in bepaalde situaties te
gelden, voor zover niets anders is geregeld. Regels van regelend recht zijn rechstregels waarvan mag worden afgeweken (art. 6
: 6 lid 1 BW).
- Dwingend recht: mag niet van worden afgeweken. Ook al zou in een situatie waarop een dwingendrechtelijke regel betrekking
heeft, iets anders zijn geregeld geldt alsnog de dwingendrechtelijke regel (art. 7:667 lid 7 BW).
Tekst 2: Een inleiding in het vermogensrecht.
2.1 Ontstaansgeschiedenis, inleiding en systematiek van het BW
- Bij Koninklijk Besluit d.d. 25 - 04 - 1947 kreeg prof. mr. E.M. Meijers de opdracht een nieuw Burgerlijk Wetboek te ontwerpen.
Argumenten voor waren: de onoverzichtelijkheid, de veroudering, de invloeden van de maatschappelijke ontwikkelingen sinds
1838.
- KB 20 - 02 - 1990: in 1992 Boeken 3, , 5 , 6 invoeren & gedeelte Boek 7.
- 1970/1976 : Boek 1 & 2 in werking getreden.
- 01 - 04 - 1991: Boek 8 in werking getreden.
Boek 1: Personen- en familierecht
Boek 2: Rechtspersonen
Boek 3 : Vermogensrecht in het algemeen
Boek 4: Erfrecht
1
,Boek 5 : Zakelijke rechten
Boek 6 : Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht
Boek 7 : Bijzondere overeenkomsten
Boek 8: Verkeersmiddelen en vervoer
Boek 9: Gereserveerd voor de intellectuele eigendomsrechten
Boek 10: Internationaal privaatrecht,
- We kennen 2 soorten personen: rechtspersonen en natuurlijke personen. De mens is een natuurlijk persoon. In Boek 1 treffen
we regels aan die alleen betrekking hebben op mensen zoals regels omtrent andere rechtsbevoegdheid (dit is de bevoegdheid
om subjectieve rechten en plichten te hebben), het recht op naam, regels over geboorte, overlijden en adoptie. = Personenrecht
in enge zin.
- Het familierecht regelt de betrekkingen die voortkomen uit het familie- en gezinsverband.
- Rechtspersonen & natuurlijke personen worden samen rechtssubjecten genoemd. Dit geeft aan dat natuurlijke en rechtsper-
soon beide zelfstandig drager kunnen zijn van subjectieve rechten & plichten.
- Rechtspersoon : een door mensen in het leven geroepen organisatie die een bepaalde status heeft (die aan haar is toegekend
door het recht), waardoor zij bevoegdheden heeft om in het rechtsverkeer als eenheid te kunnen functioneren.
- Rechtspersonen : naamloze vennootschap (NV), besloten vennootschap (BV) vereniging,, stichting,, de onderlinge waarborg-
maatschappij en de coöperatieve vereniging = privaatrechtelijke rechtspersonen.
- Staat, provincie, gemeente, waterschappen = publiekrechtelijke rechtspersonen.
- Kerkgenootschappen zijn de derde categorie (art. 2:2 BW)
- Het rechtspersonen recht wordt samen met het personenrecht in enge zin het personenrecht in ruime zin genoemd.
- Boek 3 regelt het vermogensrecht in het algemeen en bevat die regels die voor alle soorten van vermogensbestanddelen
(goederen) van belang zijn, dus zowel voor zaken als voor vermogensrechten.
- Boek 6 regelt het verbintenissenrecht. Het betreft hier een specifiek gedeelte van het vermogensrecht namelijk de relatieve
rechten (Vorderingsrechten).
- Schakelbepalingen: bepalingen die regelingen van overeenkomstige toepassing verklaren op rechtsbetrekkingen waarvoor zij
letter niet naar zijn geschreven.
2.2 Objectief en subjectief recht
- Objectief recht: het geheel van rechtsregels (geschreven & ongeschreven) die in een bepaalde samenleving gelden. Wordt
ook wel positief recht genoemd.
- Subjectief recht: is een door het objectieve recht verleende bevoegdheid - een bevoegdheid die (een recht dat) een bepaalde
persoon aan het objectieve recht ontleent.
- Een subjectief recht ontstaat door een rechtsfeit (een feit dat een rechtsgevolg heeft oftewel een feit dat voor het recht van
belang is).
- Een niet-rechtsfeit is een feit dat geen rechtsgevolg heeft.
- Bloot rechtsfeit: feit waarbij het rechtsgevolg intreedt zonder dat daarvoor enig actief menselijk handelen nodig is (natuurlijk
persoon wordt bij het bereiken van achttienjarige leeftijd meerderjarig - art. 1:233 BW).
- Rechtshandeling: handeling van een rechtssubject waaraan een rechtsgevolg wordt verbonden dat ook door het handelend
subject wordt beoogd (schenking).
- Feitelijk handelen: handeling van een rechtssubject waaraan een rechtsgevolg wordt verbonden, ongeacht of dit rechtsgevolg
door het handelend subject is beoogd (onrechtmatige daad).
- Eenzijdige rechtshandeling: voor het intreden van het rechtsgevolg is de handeling en dus de wilsverklaring van één persoon
voldoende. Gerichte eenzijdige rechtshandeling: opzeggen arbeidsovereenkomst door werknemer. Niet-gerichte eenzijdige
rechtshandeling: opstellen testament.
- Meerzijdige rechtshandeling: voor het ontstaan van het rechtsgevolg zijn de wilsverklaringen van twee of meer personen ver-
eist (obligatoire overeenkomst/meerzijdige overeenkomsten).
- Obligatoire overeenkomsten zijn onder te verdelen in eenzijdige overeenkomsten (schenkingsovereenkomst) en wederkerige
overeenkomsten (koopovereenkomst).
2.3 Objectief vermogensrecht en subjectief vermogensrecht.
- Vermogen: het geheel van op geld waardeerbare rechten en plichten maar ook de som van de aan iemand toekomende rech-
ten, waarbij de schulden als aftrekpost in aanmerking komen. Derde betekenis: het geheel van aan een persoon toekomende
op geld waardeerbare rechten.
- Objectief vermogensrecht: geheel van regels die betrekking hebben op de op geld waardeerbare rechten & plichten.
- Subjectief vermogensrecht: een aan een bepaald persoon toekomend vermogensrecht, dat hij aan het objectieve vermogens-
recht ontleent. Art. 3 : 6 doelt op een plusje uit een vermogen.
Tekst 3 Goederen en hun onderscheidingen
3.1 De begrippen 'goed', 'zaak', en 'vermogensrecht'
- Vermogen: het geheel van de op geld waardeerbare rechten en plichten.
- Het vermogen van iemand kan bestaan uit een huis, auto, te goed bij de bank, vordering tot terugbetaling van een geleende
geldsom (actieve vermogensbestanddelen) en uit een verplichting tot betaling van een koopprijs van een gekochte computer
(passieve vermogensbestanddelen).
- Actieve vermogensdelen worden aangeduid als goederen (art. 3 : 1 BW).
- Een actief vermogensbestanddeel is of een zaak of een vermogensrecht en is altijd een goed.
- Zaak: voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (art 3 :2 BW).
- Dieren vallen volgens art. 3 :2a BW niet onder een zaak. Desondanks zijn de (meeste) bepalingen m.b.t. zaken ook op dieren
van toepassing.
- Vermogensrecht: rechten die, hetzij afzonderlijk, hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of ertoe strekken de
rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk
voordeel (art. 3 : 6 BW).
- Een recht dat overdraagbaar is, is een recht dat verhandelbaar is en is dus een recht dat op geld waardeerbaar is.
- Bijna alle rechten zijn overdraagbaar (eigendomsrecht van een fiets overdragen, recht van vruchtgebruik overdragen).
- Sommige rechten kunnen niet worden overgedragen zoals de rechten van gebruik en bewoning (art. 3 :226 BW).
2
, - Goederen zijn alle plusjes die deel uit kunnen maken van een vermogen oftewel alle vermogensrechten waarbij men een on-
derscheid kan maken in (eigendomsrechten op) zaken en alle andere vermogensrechten.
- Een zaak is afhankelijk van de context. 'Stoffelijk object' of 'eigendomsrecht op een stoffelijk object'
3.2 Het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken
- Onroerende zaken: de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebou-
wen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd (art. 3 :3 lid 1 BW).
- Roerende zaken: alle zaken die niet onroerend zijn (art. 3 ;3 lid 2 BW).
- Onderscheid: eigendomsoverdracht van roerende zaken geschiedt op andere wijze(n) dan de eigendomsoverdracht van on-
roerende zaken.
3.3 Het onderscheid tussen registergoederen en niet-registergoederen
- Registergoederen: goederen voor welke overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde openbare registers noodza-
kelijk is (art. 3 :10 BW).
- Niet-registergoederen: goederen ten aanzien waarvan de eis van inschrijving bij overdracht of vestiging niet geldt.
- Alle onroerende zaken zijn registergoederen daar voor de overdracht van deze zaken op grond van art. 3 :89 BW een notariële
akte in de daarvoor bestemde openbare registers moet worden ingeschreven. Zolang dit niet is gedaan is de eigendom nog niet
overgedragen.
- Er zijn ook beperkte rechten op een registergoed (art. 3 :98 BW).
- Inschrijving in de openbare registers is ook vereist voor de vestiging van een hypotheekrecht op een onroerende zaak (art. 3 :
260 BW) zodat het hypotheekrecht ook een registergoed is.
- Art. 3 :99 BW: rechten op roerende zaken niet-registergoederen kunnen onder bepaalde voorwaarde na 3 jaar verjaring wor-
den verkregen terwijl dit bij andere goederen pas na 10 jaar kan.
- Art. 3 : 227 BW: hypotheekrecht kan slechts op een registergoed worden gevestigd en een pandrecht slechts op een niet-re-
gistergoed.
Tekst 4 Het goederenrecht en het verbintenissenrecht en goederenrechtelijke en persoonlijke rechten
4.1 Het subject van het recht en het object van het recht
- Rechtssubject: degene die zelfstandig drager van rechten en plichten kan zijn, ofwel de persoon die aan het objectieve recht
eigen rechten en plichten kan ontlenen.
- Een rechtssubject is allereerst de mens (natuurlijk persoon). Ieder mens ontleent aan het objectieve recht eigen rechten &
plichten.
- Naast natuurlijke personen zijn ook rechtspersonen te bestempelen als rechtssubject.
- Een rechtspersoon is een zelfstandig drager van rechten & plichten maar in deze kunnen ook beperkingen worden opgelegd
bij de wet of bij de statuten van bijvoorbeeld een nv of bv.
- Beperkingen in de rechtsbevoegdheid kunnen ook voortvloeien uit de aard van de rechtspersoon bijvoorbeeld vermogensrech-
telijke regels uit het personen- en familierecht die alleen van toepassing zijn op mensen.
- Het object van het recht is datgene waarop het rechtssubject recht heeft (Myrna is eigenaar van het stuk grond aan de Ha-
vikstraat nr. 13 te Schiedam (eigendom onroerende zaken: art. 5 :20 e.v. BW). Het stuk grond is het object van eigendomsrecht
van Myrna).
4.2 Goederenrecht en verbintenissenrecht
- Goederenrecht: geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de rechtsverhouding van een rechtssubject tot een goed. Om-
vat regels die bepalen welke macht een rechtssubject over een goed kan hebben, dan wel welk recht een rechtssubject op een
goed kan hebben en hoe die macht over het goed, dan wel in het recht op het goed, verandering kan worden gebracht.
- (Privaatrechtelijke) rechtsverhouding van een rechtssubject tot een goed = goederenrechtelijke rechtsverhouding.
- Van een goederenrechtelijk recht is sprake indien een rechtssubject het recht heeft dat een goed (zaak of vermogensrecht) tot
een voorwerp/object heeft.
- Als het object een zaak is = zakelijk recht.
- De regels m.b.t de rechtshandeling (titel 2 Boek 3). Deze regels zijn zowel op toepassing op zaken als op (vermogens)rechten.
- De regels m.b.t bezit (titel 5 Boek 3). Deze regels zijn zowel van toepassing op zaken als op (vermogens)rechten.
- De regels m.b.t vruchtgebruik (titel 8 Boek 3). Vruchtgebruik is zowel mogelijk van zaken als van (vermogens)rechten.
- De regels m.b.t eigendom (titel 1 Boek 5). Het eigendomsrecht kan alleen op zaken worden gevestigd.
- De regels m.b.t erfdienstbaarheden (titel 6 Boek 5). Een erfdienstbaarheid heeft betrekking op een erf en kan alleen op een
zaak worden gevestigd.
- De regels m.b.t het recht van erfpacht (titel 7 Boek 5). Een recht van erfpacht kan alleen worden gevestigd op een stuk grond
en daarmee alleen op zaken.
- Verbintenissenrecht: het geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de vermogensrechtelijke rechtsverhouding van een
rechtssubject tot een ander rechtssubject.
- Alle regels die betrekking hebben op de (privaatrechtelijke) vermogensrechtelijke relaties die rechtssubjecten t.o.v. elkaar kun-
nen hebben behoren tot het verbintenissenrecht.
- Bij een verbintenis staat aan de ene kant het recht (op prestatie) en de andere kant de plicht tot het verrichten van een presta-
tie.
- Een verbintenis kan slechts ontstaan indien dit uit een wet voortvloeit (art. 6 : 1 BW).
- Uit (onder andere) een overeenkomst & een onrechtmatige daad ontstaat/ontstaan een verbintenis/verbintenissen.
- Het goederenrecht ziet op de (privaatrechtelijke) rechtsverhouding van een rechtssubject tot een goed en het verbintenissen-
recht ziet op de (privaatrechtelijke) rechtsverhoudingen van een rechtssubject tot een ander rechtssubject.
- De goederenrechtelijke rechten zijn alle in de wet genoemd.
4.3 Het onderscheid tussen een goederenrechtelijk recht en een persoonlijk recht
- Een goederenrechtelijk recht is een absoluut recht.
- Er zijn ook rechten op de voortbrengselen van de menselijke geest absolute rechten.
- Persoonlijk recht: wanneer sprake is van een uit een verbintenis voortvloeiend recht (relatief recht).
4.4 De absolute werking van het goederenrechtelijke recht en de relatieve werking van het persoonlijk recht
3