Anatomie
1.1
Anatomie = vakgebied gericht op het onderzoek naar de bouw en vorm van het lichaam.
(ontleedkunde)
Fysiologie = vakgebied dat zich richt op het onderzoeken naar de werking en functies van het
lichaam.
(lichamelijk functioneren)
Vorm en bouw => bepalend voor functiemogelijkheden.
Anatomie en fysiologie van elkaar onderscheiden, maar niet van elkaar scheiden.
Onderzoeksmethoden =
o Inspectie = buitenkant nauwkeurig bekijken.
o Palpatie = buitenkant met vingers aftasten.
o Percussie = buitenkant met vingers bekloppen.
o Ausculatie = met stethoscoop lichaam beluisteren.
o Laboratoriumonderzoek = lichaamsvloeistof en weefsels onderzoeken.
o Röntgenstraling = opname van botten.
o CT-scan = zachte weefsels worden zichtbaar.
o MRI-scan = de waterstofatoomkernen in het lichaam worden gemagnetiseerd.
o Echoscopie = via sonde worden hoogfrequente geluidsgolven het lichaam in
gestuurd.
o Echografie = via huid worden hoogfrequente geluidsgolven het lichaam in gestuurd.
o Dopplersonografie = onderzoek met geluidsgolven => stroomrichting/snelheid van
vloeistoffen vaststellen.
Latijnse woorden =
A = arteria (slagader)
V = vena (ader)
n = nervus (zenuw, ruggenmergzenuw)
N = nervus (zenuw, hersenzenuw)
M = musculus (spier)
Rode bloedvaten = zuurstofrijk.
Blauwe bloedvaten = zuurstofarm.
,1.2
Elektrische verschijnselen =
ElektroCardioGram = ECG => hart.
Elektro-EncefaloGram = EEG => hersenen.
ElektroMyoGram = EMG => spieren.
2.1
Een cel is gevuld met het cytoplasma.
o Stoffen en organellen zweven hierin.
o Heeft een specifieke functie.
Organellen =
o Celkern (nucleus) =
Grootste organel.
Stuurt alle stofwisselingsactiviteiten aan.
Kernplasma = inhoud celkern.
Bevat (46) chromsomen.
Chromosomen bevat DNA.
DNA bestaat uit =
(A) adenine.
(T) thymine.
(C) cytosine.
(G) guanine.
Kernmembraan = vlies om de kernplasma.
Kernmembraan bevat veel kleine openingen = kernporiën.
Bevat ook kernlichaampjes
Kernlichaampjes bevatten RNA (ribonucleïnezuur).
Eiwitsynthese = aanmaak van eiwit in de cel.
Aminozuren = bouwstenen van eiwitten. (20)
o Ribosomen =
Deeltjes in de cel die een belangrijke rol spelen bij de eiwitsynthese.
Wordt in de kernlichaampjes gemaakt.
o Endoplasmatisch reticulum =
Netwerk van met elkaar verbonden membranen in het cytoplasma.
o Golgicomplex =
Celorganel dat bestaat uit een stapel afgeplatte blaasjes; in de blaasjes
worden stoffen vervoerd.
o Mitochondriën =
Organellen die een functie hebben bij de energievoorziening van de cel.
o Lysosomen =
, Kleine blaasjes in het cytoplasma; bevatten enzymen die in intracellulaire
vertering verzorgen; beschadiging kunnen ze de cel vernietigen.
o Centrosoom =
Organel dat uit 2 centriolen bestaat (celdeling functie).
o Centriolen = 2 identieke cilindervormige organellen.
o Celmembraan =
Dun en elastisch vliesje rondom de cel; opgebouwd uit een dubbele laag
fosfolipiden.
o Fosfolipiden = belangrijkste bestanddeel van de celmembraan; bevat
een vet- en een fosfaatmolecuul.
Receptoreiwit = eiwit in de celmembraan met antennefunctie.
Membraanporiën = kanaaltjes in de celmembraan die gevormd worden door
eiwitten in de celmembraan.
Glycoalix = bepaalt herkenbaarheid van de cel.
2.2
Passief transport = stoffen stromen vanzelf uit de cel via de celmembraan.
Passief transport is gebaseerd op 2 natuurkundige processen =
o Diffusie = beweging van deeltjes van een plaats waar ze in een hoge
concentratie voorkomen naar een plaats waar ze in lagere
concentratie voorkomen.
o Osmose = beweging van water en gassen door een halfdoorlatend
membraan, in de richting van de hoogste concentratie opgeloste
stoffen.
Hoe groter het concentratieverschil, hoe sneller het stoffentransport verloopt.
Molecullen = gassen en water.
Via membraanporiën kunnen bepaalde opgeloste stoffen de cel in en uit.
Factoren diffusie en osmose =
o Concentratieverschil.
o Temperatuur.
o Diffusieafstand.
o Diffusieoppervlak.
o Stroperigheid van oplosmiddel.
1.1
Anatomie = vakgebied gericht op het onderzoek naar de bouw en vorm van het lichaam.
(ontleedkunde)
Fysiologie = vakgebied dat zich richt op het onderzoeken naar de werking en functies van het
lichaam.
(lichamelijk functioneren)
Vorm en bouw => bepalend voor functiemogelijkheden.
Anatomie en fysiologie van elkaar onderscheiden, maar niet van elkaar scheiden.
Onderzoeksmethoden =
o Inspectie = buitenkant nauwkeurig bekijken.
o Palpatie = buitenkant met vingers aftasten.
o Percussie = buitenkant met vingers bekloppen.
o Ausculatie = met stethoscoop lichaam beluisteren.
o Laboratoriumonderzoek = lichaamsvloeistof en weefsels onderzoeken.
o Röntgenstraling = opname van botten.
o CT-scan = zachte weefsels worden zichtbaar.
o MRI-scan = de waterstofatoomkernen in het lichaam worden gemagnetiseerd.
o Echoscopie = via sonde worden hoogfrequente geluidsgolven het lichaam in
gestuurd.
o Echografie = via huid worden hoogfrequente geluidsgolven het lichaam in gestuurd.
o Dopplersonografie = onderzoek met geluidsgolven => stroomrichting/snelheid van
vloeistoffen vaststellen.
Latijnse woorden =
A = arteria (slagader)
V = vena (ader)
n = nervus (zenuw, ruggenmergzenuw)
N = nervus (zenuw, hersenzenuw)
M = musculus (spier)
Rode bloedvaten = zuurstofrijk.
Blauwe bloedvaten = zuurstofarm.
,1.2
Elektrische verschijnselen =
ElektroCardioGram = ECG => hart.
Elektro-EncefaloGram = EEG => hersenen.
ElektroMyoGram = EMG => spieren.
2.1
Een cel is gevuld met het cytoplasma.
o Stoffen en organellen zweven hierin.
o Heeft een specifieke functie.
Organellen =
o Celkern (nucleus) =
Grootste organel.
Stuurt alle stofwisselingsactiviteiten aan.
Kernplasma = inhoud celkern.
Bevat (46) chromsomen.
Chromosomen bevat DNA.
DNA bestaat uit =
(A) adenine.
(T) thymine.
(C) cytosine.
(G) guanine.
Kernmembraan = vlies om de kernplasma.
Kernmembraan bevat veel kleine openingen = kernporiën.
Bevat ook kernlichaampjes
Kernlichaampjes bevatten RNA (ribonucleïnezuur).
Eiwitsynthese = aanmaak van eiwit in de cel.
Aminozuren = bouwstenen van eiwitten. (20)
o Ribosomen =
Deeltjes in de cel die een belangrijke rol spelen bij de eiwitsynthese.
Wordt in de kernlichaampjes gemaakt.
o Endoplasmatisch reticulum =
Netwerk van met elkaar verbonden membranen in het cytoplasma.
o Golgicomplex =
Celorganel dat bestaat uit een stapel afgeplatte blaasjes; in de blaasjes
worden stoffen vervoerd.
o Mitochondriën =
Organellen die een functie hebben bij de energievoorziening van de cel.
o Lysosomen =
, Kleine blaasjes in het cytoplasma; bevatten enzymen die in intracellulaire
vertering verzorgen; beschadiging kunnen ze de cel vernietigen.
o Centrosoom =
Organel dat uit 2 centriolen bestaat (celdeling functie).
o Centriolen = 2 identieke cilindervormige organellen.
o Celmembraan =
Dun en elastisch vliesje rondom de cel; opgebouwd uit een dubbele laag
fosfolipiden.
o Fosfolipiden = belangrijkste bestanddeel van de celmembraan; bevat
een vet- en een fosfaatmolecuul.
Receptoreiwit = eiwit in de celmembraan met antennefunctie.
Membraanporiën = kanaaltjes in de celmembraan die gevormd worden door
eiwitten in de celmembraan.
Glycoalix = bepaalt herkenbaarheid van de cel.
2.2
Passief transport = stoffen stromen vanzelf uit de cel via de celmembraan.
Passief transport is gebaseerd op 2 natuurkundige processen =
o Diffusie = beweging van deeltjes van een plaats waar ze in een hoge
concentratie voorkomen naar een plaats waar ze in lagere
concentratie voorkomen.
o Osmose = beweging van water en gassen door een halfdoorlatend
membraan, in de richting van de hoogste concentratie opgeloste
stoffen.
Hoe groter het concentratieverschil, hoe sneller het stoffentransport verloopt.
Molecullen = gassen en water.
Via membraanporiën kunnen bepaalde opgeloste stoffen de cel in en uit.
Factoren diffusie en osmose =
o Concentratieverschil.
o Temperatuur.
o Diffusieafstand.
o Diffusieoppervlak.
o Stroperigheid van oplosmiddel.