Master Rechtsgeleerdheid
Week 1 – Inleiding
Samenvatting hoorcollege, werkcollege en relevante stof
Prof. mr. J.W.P.M. van der Velden
Studiejaar 2025–2026
, Financieel Recht – Week 1: Inleiding
1. Inleiding en context
1.1 Financieel recht: een kruispunt van disciplines
Het financieel recht bevindt zich op het snijvlak van meerdere rechtsgebieden en disciplines.
In het inleidend college wordt benadrukt dat het vakgebied vier fundamentele verbindingen
kent. Ten eerste de verbinding tussen privaatrecht en publiekrecht: financieel toezichtrecht
is grotendeels publiekrechtelijk van aard, maar heeft vergaande privaatrechtelijke gevolgen.
Ten tweede de verbinding tussen Nederland en Europa: de Nederlandse regelgeving is
onlosmakelijk verbonden met Europese richtlijnen en verordeningen, waarbij circa negentig
procent van het financieel recht een Europese grondslag kent. Ten derde de verbinding
tussen praktijk en wetenschap: het vakgebied vereist zowel theoretische kennis als
praktische toepassing. Ten vierde het leggen van een basis om verder te kunnen bouwen in
de financieelrechtelijke praktijk.
1.2 Geopolitieke context
Het hoorcollege opent met een actuele geopolitieke schets. De aandacht voor geopolitiek is
de afgelopen decennia sterk toegenomen, zoals blijkt uit het stijgende aantal hits op de term
in kranten wereldwijd in de periode 1980–2024. Centrale figuren in de huidige geopolitieke
arena zijn onder meer Trump, Poetin en Xi Jinping. De wisselwerking tussen geopolitiek en
financiële markten wordt als bijzonder relevant aangemerkt voor het begrijpen van
financiële regulering. In het werkcollege wordt dit bevestigd met de observatie dat
geopolitiek op zichzelf wellicht abstract lijkt, maar in combinatie met een ‘financieel sausje’
uiterst relevant en interessant wordt.
2. Doelstellingen van het financieel toezichtrecht
Financieel toezichtrecht dient meerdere, samenhangende doelstellingen. Het uiteindelijke
doel is het bevorderen en in stand houden van vertrouwen in het financiële stelsel. Dit
vertrouwen is essentieel voor de bruikbaarheid van het financiële systeem (zoals het kunnen
doen van betalingen via een bank) en voor de mogelijkheid om investeringen te doen,
hetgeen de groei van de reële economie bevordert. De concrete subdoelstellingen die hieraan
bijdragen zijn:
• Financiële stabiliteit: het voorkomen van systeemrisico’s die het gehele financiële
stelsel kunnen bedreigen.
• Bescherming van consumenten en financiële partijen: het waarborgen dat cliënten
zorgvuldig worden behandeld en adequaat worden geïnformeerd.
• Marktefficiëntie: het bevorderen van ordelijke en transparante marktprocessen.
• Competitie: het waarborgen van een gelijk speelveld tussen marktpartijen.
2
, Financieel Recht – Week 1: Inleiding
• Voorkomen van financiële misdaad: het tegengaan van marktmisbruik, witwassen en
terrorismefinanciering.
• Fairness: het bevorderen van zuivere verhoudingen tussen marktpartijen.
• Rechtszekerheid: het bieden van een helder en voorspelbaar juridisch kader, wat ook
in het belang is van financiële partijen zelf.
Financieel toezicht is nodig om deze doelstellingen te bereiken omdat de financiële markten
worden gekenmerkt door informatieasymmetrieën, systeemrisico’s en het collectieve-
actieprobleem. Zonder toezicht zouden individuele marktpartijen onvoldoende prikkels
hebben om prudent te handelen, wat tot marktfalen kan leiden.
3. Historische ontwikkeling van het financieel recht
3.1 Prehistorie (1814–1950)
De wortels van het Nederlandse financieel recht gaan terug tot 1814, met de invoering van de
Bankwet. Een belangrijke impuls kwam met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in
1914, toen paniek op de financiële markten leidde tot de Beurswet 1914. In de naoorlogse
periode van optimisme volgde de Wet op het levensverzekeringsbedrijf in 1922. De
Kannegieter-zaak (met betrekking tot de artikelen 1416a–d BW) markeerde een belangrijk
moment in de vroege ontwikkeling van het financiële consumentenrecht.
3.2 Tweede golf: wederopbouw en sectorale wetgeving (1945–1960)
Na de Tweede Wereldoorlog brak een periode aan van intensieve wetgevingsactiviteit op het
terrein van het financiële toezicht. In 1948 werd de vernieuwde Bankwet ingevoerd, die het
bankentoezicht formaliseerde. De Wet toezicht Credietwezen volgde in 1952, de Pensioen- en
Spaarfondsenwet in 1953, en een herziene Wet toezicht Kredietwezen in 1956. Deze wetten
waren alle sectoraal georganiseerd: elke wet richtte zich op één specifieke sector van de
financiële industrie.
3.3 Europeanisering en modernisering (1985–1995)
De periode 1985–1995 werd gekenmerkt door de implementatie van Europese richtlijnen in
de Nederlandse wetgeving. Dit resulteerde in een reeks sectorale toezichtwetten: de Wet op
de effectenhandel (1985), de oprichting van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (1988), de
Wet toezicht beleggingsinstellingen (1990), de Wet toezicht kredietwezen (1992), de Wet
toezicht effectenverkeer (1992 en vernieuwd in 1995) en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
(1993). In deze periode werd de basis gelegd voor het huidige toezichtstelsel.
3.4 Twin Peaks en de Wft (2000–2007)
Een fundamentele hervorming vond plaats in de periode 2000–2007. De Nota hervorming
toezicht financiële marktsector leidde tot de introductie van het Twin Peaks-model in
Nederland. In 2002 werd de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) omgevormd tot de
3
, Financieel Recht – Week 1: Inleiding
Autoriteit Financiële Markten (AFM). In 2004 fuseerden De Nederlandsche Bank (DNB) en
de Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK). De Wet financiële dienstverlening (2006) en
uiteindelijk de Wet op het financieel toezicht (Wft) per 1 januari 2007 completeerden deze
hervorming. Op Europees niveau werden in dezelfde periode onder meer de MiFID
(beleggingsadvies en vermogensbeheer), de UCITS II en III (beleggingsinstellingen) en de
CRD I en Basel 2 (banken) aangenomen.
3.5 De financiële crisis en de reguleringsexplosie (2007–2013)
De financiële crisis van 2007–2013 legde fundamentele tekortkomingen in het toezichtstelsel
bloot. In het hoorcollege wordt de provocerende vraag gesteld of de oorzaken lagen in
deregulering, liberalisering, of juist in de combinatie van liberalisering hand in hand met
overregulering. De crisis leidde tot een stortvloed aan nieuwe regelgeving: CRD II, III en IV,
AIFMD, UCITS IV–VI, EMIR, CRA I en II, MAD, MAR, MiFID II, SFDR, de
Crowdfundingverordening en MICAR. In het hoorcollege wordt de retorische vraag
opgeworpen of deze stortvloed aan regels daadwerkelijk effectief is.
3.6 Het Draghi-rapport en de toekomst (2024–heden)
Het rapport van Mario Draghi uit 2024, getiteld ‘The Future of European Competitiveness’,
signaleert dat het reële besteedbaar inkomen per hoofd in de VS sinds 2000 bijna twee keer
zo hard is gegroeid als in de EU. Draghi stelt dat Europa radicaal moet veranderen om
productiever te worden, met behoud van de waarden van gelijkheid en sociale inclusie. In
reactie hierop heeft de Europese Commissie het ‘Competitiveness Compass’ gepresenteerd,
met voorstellen voor deregulering (waaronder een omnibusrichtlijn duurzaamheid), het
integreren en coördineren van regelgeving en beleid, het vergroten van de toegang tot
financiële markten via een European Savings and Investments Union, het samenvoegen van
toezichthouders, beurzen en CCP’s, het bevorderen van venture capital, en de oprichting van
een Europees investeringsfonds.
4. Toezichtmodellen
4.1 Typen toezichtmodellen
Er bestaan verschillende modellen voor de organisatie van financieel toezicht, die in het
werkcollege uitvoerig worden besproken aan de hand van het schema van Armour e.a.
(Principles of Financial Regulation, 2016). De belangrijkste onderscheidingen zijn:
• Het institutioneel model: toezicht is georganiseerd per type instelling (banken,
verzekeraars, effectenhandelaren). Elke sector heeft een eigen toezichthouder.
• Het functioneel model: toezicht is georganiseerd naar de functie die wordt vervuld,
ongeacht het type instelling. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar de aard van het
toezicht.
4