Anatomie
HF 6
6.1
Voedingsstoffen Functie voor het lichaam
Koolhydraten Brandstof, bouwstof
Vetten Bouwstof, brandstof, isolatie en
oplosmiddel voor vitaminen
Eiwitten Bouwstof, hulpstof, brandstof
Mineralen Bouwstof en hulpstof
Vitaminen Hulpstof
Water Oplosmiddel, transportmedium,
warmtebuffer, steunstof
Suikers (koolhydraten) =
Stoffen die bestaan uit koolstofatomen (C), waterstofatomen (H) en zuurstofatomen
(O).
Belangrijkste energiebronnen.
Worden gebruikt voor de aanmaak van moleculen (DNA en RNA)
Indeling van suikers (ingedeeld aan de hand van de lengte van het molecuul) =
1. Enkelvoudige suikers =
Kleinste.
1 ringvorming molecuul.
Glucose (energetische waarde = 17 kJ per gram).
Fructose.
Galactose.
Ribose.
1. Tweevoudige suikers (disachariden) =
Opgebouwd uit twee aan elkaar gekoppelde enkelvoudige suikers.
Maltose = glucose + glucose.
Lactose = glucose + galactose.
Sacharose = glucose + fructose.
Te groot om via de darmwand in het bloed te worden opgenomen, dus worden ze
gesplitst in eenvoudige suikers.
1. Meervoudige suikers
Bestaan uit veel aan elkaar gekoppelde enkelvoudige suikers.
Zetmeel = alleen door planten gemaakt worden, binnen door plantaardig
voedsel. Wordt omgezet in glucose.
Cellulose = alleen door planten gemaakt worden, binnen door plantaardig
voedsel. Functie in het stimuleren van de darmbeweging.
Glycogeen = kan het lichaam zelf maken. Kan omgezet worden in glucose.
Afbraak van suikers =
, 1. Koken.
2. Mechanisch verkleinen (kauwen).
3. Chemische afbraak (spijsvertering).
In 2 stappen, elke stad vereist een ander enzym.
Amylase = knipt de zetmeelketting in stukjes door tweevoudige suikers
(maltosemoleculen). Daarna is maltase (splitst de maltosemoleculen verder
op in glucose) actief.
Lactase = splitst lactose in glucose en galactose.
Sacharase = splitst sacharose in glucose en fructose.
Cellulose kan niet door de mens worden verteerd = het vormt de vezels in de
voeding. Vezels zijn belangrijk omdat ze de werking van de darmen
stimuleren.
Glycogeen zit in de lever en in de skeletspieren en dient als glucoseopslag.
Vetten (lipiden) =
Bestaan uit suikers, koolstofatomen (C), waterstofatomen (H) en zuurstofatomen (H).
Kunnen niet in water oplossen.
Functies =
1) Bouwstof.
2) Brandstof.
3) Overschot wordt opgeslagen.
4) Isolatiemateriaal.
5) Stootkussen.
6) Onmisbaar bij het vervoer van vitaminen.
Indeling van vetten =
1. Triglyceriden =
Bestaat uit 1 molecuul en 3 vetzuurmoleculen.
Wordt verdeeld in verzadigde (bij kamertemperatuur gestold) en
onverzadigde vetten (vloeibaar (oliën)).
1. Fosfolipiden =
Vetten waarbij aan de glycerol een fosfaatmolecuul vastzit.
Aan de ene kant zitten vetzuren = waterafstotend.
Aan de andere kant zit een fosfaatmolecuul = hydrofiel, die keert zich naar de
kant waar water is.
1. Steroïden =
Grote vetten die in ruimtelijke structuur afwijken van andere vetten.
Bekend en belangrijk steroïde = cholesterol = belangrijke deel van
celmembranen.
Afbraak van vetten =
HF 6
6.1
Voedingsstoffen Functie voor het lichaam
Koolhydraten Brandstof, bouwstof
Vetten Bouwstof, brandstof, isolatie en
oplosmiddel voor vitaminen
Eiwitten Bouwstof, hulpstof, brandstof
Mineralen Bouwstof en hulpstof
Vitaminen Hulpstof
Water Oplosmiddel, transportmedium,
warmtebuffer, steunstof
Suikers (koolhydraten) =
Stoffen die bestaan uit koolstofatomen (C), waterstofatomen (H) en zuurstofatomen
(O).
Belangrijkste energiebronnen.
Worden gebruikt voor de aanmaak van moleculen (DNA en RNA)
Indeling van suikers (ingedeeld aan de hand van de lengte van het molecuul) =
1. Enkelvoudige suikers =
Kleinste.
1 ringvorming molecuul.
Glucose (energetische waarde = 17 kJ per gram).
Fructose.
Galactose.
Ribose.
1. Tweevoudige suikers (disachariden) =
Opgebouwd uit twee aan elkaar gekoppelde enkelvoudige suikers.
Maltose = glucose + glucose.
Lactose = glucose + galactose.
Sacharose = glucose + fructose.
Te groot om via de darmwand in het bloed te worden opgenomen, dus worden ze
gesplitst in eenvoudige suikers.
1. Meervoudige suikers
Bestaan uit veel aan elkaar gekoppelde enkelvoudige suikers.
Zetmeel = alleen door planten gemaakt worden, binnen door plantaardig
voedsel. Wordt omgezet in glucose.
Cellulose = alleen door planten gemaakt worden, binnen door plantaardig
voedsel. Functie in het stimuleren van de darmbeweging.
Glycogeen = kan het lichaam zelf maken. Kan omgezet worden in glucose.
Afbraak van suikers =
, 1. Koken.
2. Mechanisch verkleinen (kauwen).
3. Chemische afbraak (spijsvertering).
In 2 stappen, elke stad vereist een ander enzym.
Amylase = knipt de zetmeelketting in stukjes door tweevoudige suikers
(maltosemoleculen). Daarna is maltase (splitst de maltosemoleculen verder
op in glucose) actief.
Lactase = splitst lactose in glucose en galactose.
Sacharase = splitst sacharose in glucose en fructose.
Cellulose kan niet door de mens worden verteerd = het vormt de vezels in de
voeding. Vezels zijn belangrijk omdat ze de werking van de darmen
stimuleren.
Glycogeen zit in de lever en in de skeletspieren en dient als glucoseopslag.
Vetten (lipiden) =
Bestaan uit suikers, koolstofatomen (C), waterstofatomen (H) en zuurstofatomen (H).
Kunnen niet in water oplossen.
Functies =
1) Bouwstof.
2) Brandstof.
3) Overschot wordt opgeslagen.
4) Isolatiemateriaal.
5) Stootkussen.
6) Onmisbaar bij het vervoer van vitaminen.
Indeling van vetten =
1. Triglyceriden =
Bestaat uit 1 molecuul en 3 vetzuurmoleculen.
Wordt verdeeld in verzadigde (bij kamertemperatuur gestold) en
onverzadigde vetten (vloeibaar (oliën)).
1. Fosfolipiden =
Vetten waarbij aan de glycerol een fosfaatmolecuul vastzit.
Aan de ene kant zitten vetzuren = waterafstotend.
Aan de andere kant zit een fosfaatmolecuul = hydrofiel, die keert zich naar de
kant waar water is.
1. Steroïden =
Grote vetten die in ruimtelijke structuur afwijken van andere vetten.
Bekend en belangrijk steroïde = cholesterol = belangrijke deel van
celmembranen.
Afbraak van vetten =