Anatomie toets
HFD 7:
De nieren (renes) =
Functies:
o Afvalstoffen uit het bloed verwijderen.
o De juiste samenstelling van het bloed controleren + aanpassen.
4 componenten van de functies:
o Water; beïnvloedt de bloedvolume.
o Zouten; beïnvloedt de waterhuishouding.
o Zure en basische stoffen; beïnvloedt de zuurgraad van het bloed.
o Afvalstoffen en overtollige stoffen afkomstig van de stofwisseling.
Ligging van de nieren:
o De nieren worden beschermd door de borstkas.
o Nierpoort (nierhilus) = centrum van de holle zijde. De plaats waar
bloedvaten, zenuwtakken en lymfevaten de nier in en uit gaan, en waar de
urineleider begint.
o Bovenop de nier = bijnier (glandula suprarenalis). Bijnieren zijn
hormoonklieren.
o Steunvet (perirenaal vet) ligt om de bijnier en nier.
o Bindweefselmantel (fascia renalis). Houdt de nieren en bijnieren op zijn
plek en beschermen de nieren tegen schokken en stoten van buitenaf.
Bouw van de nier:
o Nierkapsel; buitenste laag van de nier; bestaat uit stevig bindweefsel.
o Nierschors (cortex renalis); gespikkelde weefsel dat direct onder de
nierkapsel ligt.
o Niermerg (medulla renalis); deel van de nier binnen en tussen de
nierschors.
o Nierbekken (pelvis); centrale holte van de nier.
o Urineleider (ureter); afvoerkanaal van urine vanaf de nier naar de
urineblaas. Nierbekken gaan over in urineleider, ten hoogte van de
nierpoort.
Functionele niereenheden:
o Betekenis; de filtering van het bloed begint in de nierschors, in
microscopisch lpeine structuren.
o Delen functionele niereenheden (nefron);
Kapsel van Bouwman; dubbelwandig zakje van eenlagig
plaveiselepitheel met daarin de glomerulus.
Glomerulus; vaatkluwentje. Spleten tussen de epitheelcellen van het
binnenblad, hierdoor kunnen er allerlei stoffen doorheen komen.
Functie; filtratie van het bloed.
, Gekronkeld buisje van 1e orde; de kapsel van Bouwman loopt uit in
een kronkelig buisje. Ligt in nierschors. Buisje loopt in richting van
het niermerg.
Lis van Henle; het gekronkeld buisje in het niermerg, daar is het
eerst recht en wordt daarna weer gebogen in de richting van het
nierschors.
Doorbloeding van de nier:
Het bloed stroomt via de nierslagader de nier binnen, vervoert zuurstofrijk
bloed naar de nier.
De kleine slagaders (interlobaire slagaders) lopen tussen de
mergpiramiden naar boven, vertakkingen van de nierslagader in het
niermerg.
Nierader (v. renalis); vervoert zuurstofarm bloed vanuit de nier naar de
onderste holle ader.
Urine:
Diurese; vorming van urine, elke functionele niereenheid levert zijn
bijdrage aan de vorming.
De vorming begint in het malpighilichaampje, door de bloeddruk wordt een
deel van het bloed uit de glomerulus in de holte van het kapsel van
Bowman geperst. Hier wordt het bloed gefilterd; ultrafiltratie.
Voorurine; water, glucose, aminozuren, zouten in oplossing en afvalstoffen.
De vorming hangt af van; hoeveelheid opgenomen vocht, hoeveelheid
opgenomen zouten en hoeveelheid vocht en zouten die je verliest door
transpiratie.
Urine; water, zouten, afbraakproducten van eiwitten, uribilline en cel
resten.
Soms vitamine C en bepaalde hormonen aanwezig in urine.
Urinewegen:
Nierkelken (calix); kelkvormige uitstulping van het nierbekken rondom de
nierpapillen, ontvangt urine uit het nierweefsel, vervoert de urine naar het
nierbekken.
Nierbekken (pelvis); centrale holte van de nier, gaat ver in de urineleider.
Urineleider (ureter); afvoerkanaal van urine vanaf de nier naar de
urineblaas.
Urineblaas (vesica urinae).
Plasbuis (urethra); de urine verlaat het lichaam hier.
Urinelozing (mictie); de urine wordt uit het lichaam verwijderd. Urine wordt
tijdelijk opgeslagen.
Mictiedrang; gevoel dat je moet plassen.
HFD 7:
De nieren (renes) =
Functies:
o Afvalstoffen uit het bloed verwijderen.
o De juiste samenstelling van het bloed controleren + aanpassen.
4 componenten van de functies:
o Water; beïnvloedt de bloedvolume.
o Zouten; beïnvloedt de waterhuishouding.
o Zure en basische stoffen; beïnvloedt de zuurgraad van het bloed.
o Afvalstoffen en overtollige stoffen afkomstig van de stofwisseling.
Ligging van de nieren:
o De nieren worden beschermd door de borstkas.
o Nierpoort (nierhilus) = centrum van de holle zijde. De plaats waar
bloedvaten, zenuwtakken en lymfevaten de nier in en uit gaan, en waar de
urineleider begint.
o Bovenop de nier = bijnier (glandula suprarenalis). Bijnieren zijn
hormoonklieren.
o Steunvet (perirenaal vet) ligt om de bijnier en nier.
o Bindweefselmantel (fascia renalis). Houdt de nieren en bijnieren op zijn
plek en beschermen de nieren tegen schokken en stoten van buitenaf.
Bouw van de nier:
o Nierkapsel; buitenste laag van de nier; bestaat uit stevig bindweefsel.
o Nierschors (cortex renalis); gespikkelde weefsel dat direct onder de
nierkapsel ligt.
o Niermerg (medulla renalis); deel van de nier binnen en tussen de
nierschors.
o Nierbekken (pelvis); centrale holte van de nier.
o Urineleider (ureter); afvoerkanaal van urine vanaf de nier naar de
urineblaas. Nierbekken gaan over in urineleider, ten hoogte van de
nierpoort.
Functionele niereenheden:
o Betekenis; de filtering van het bloed begint in de nierschors, in
microscopisch lpeine structuren.
o Delen functionele niereenheden (nefron);
Kapsel van Bouwman; dubbelwandig zakje van eenlagig
plaveiselepitheel met daarin de glomerulus.
Glomerulus; vaatkluwentje. Spleten tussen de epitheelcellen van het
binnenblad, hierdoor kunnen er allerlei stoffen doorheen komen.
Functie; filtratie van het bloed.
, Gekronkeld buisje van 1e orde; de kapsel van Bouwman loopt uit in
een kronkelig buisje. Ligt in nierschors. Buisje loopt in richting van
het niermerg.
Lis van Henle; het gekronkeld buisje in het niermerg, daar is het
eerst recht en wordt daarna weer gebogen in de richting van het
nierschors.
Doorbloeding van de nier:
Het bloed stroomt via de nierslagader de nier binnen, vervoert zuurstofrijk
bloed naar de nier.
De kleine slagaders (interlobaire slagaders) lopen tussen de
mergpiramiden naar boven, vertakkingen van de nierslagader in het
niermerg.
Nierader (v. renalis); vervoert zuurstofarm bloed vanuit de nier naar de
onderste holle ader.
Urine:
Diurese; vorming van urine, elke functionele niereenheid levert zijn
bijdrage aan de vorming.
De vorming begint in het malpighilichaampje, door de bloeddruk wordt een
deel van het bloed uit de glomerulus in de holte van het kapsel van
Bowman geperst. Hier wordt het bloed gefilterd; ultrafiltratie.
Voorurine; water, glucose, aminozuren, zouten in oplossing en afvalstoffen.
De vorming hangt af van; hoeveelheid opgenomen vocht, hoeveelheid
opgenomen zouten en hoeveelheid vocht en zouten die je verliest door
transpiratie.
Urine; water, zouten, afbraakproducten van eiwitten, uribilline en cel
resten.
Soms vitamine C en bepaalde hormonen aanwezig in urine.
Urinewegen:
Nierkelken (calix); kelkvormige uitstulping van het nierbekken rondom de
nierpapillen, ontvangt urine uit het nierweefsel, vervoert de urine naar het
nierbekken.
Nierbekken (pelvis); centrale holte van de nier, gaat ver in de urineleider.
Urineleider (ureter); afvoerkanaal van urine vanaf de nier naar de
urineblaas.
Urineblaas (vesica urinae).
Plasbuis (urethra); de urine verlaat het lichaam hier.
Urinelozing (mictie); de urine wordt uit het lichaam verwijderd. Urine wordt
tijdelijk opgeslagen.
Mictiedrang; gevoel dat je moet plassen.