Samenvatting VKR tentamen jaar 2
Elise van Gool | Diergeneeskunde UU | Jaar 2, sem. 2
, INHOUD
1 Veterinair klinisch redeneren stappenplan .....................................................................................3
1.1 VKR rijtje: ............................................................................................................................3
2 Overzicht referentiewaarden .........................................................................................................6
3 Klinische diagnostiek ....................................................................................................................7
3.1 Signalement .......................................................................................................................7
3.2 Anamnese ..........................................................................................................................7
3.3 Algemene indruk .................................................................................................................8
3.4 Algemeen onderzoek ...........................................................................................................9
3.5 Circulatieapparaat onderzoek ............................................................................................ 12
3.6 Respiratieapparaat onderzoek ........................................................................................... 15
3.7 Nieren en urinewegen onderzoek ....................................................................................... 21
3.8 Digestieapparaat onderzoek .............................................................................................. 24
3.9 Neurologisch onderzoek .................................................................................................... 30
4 Ziekteleer .................................................................................................................................. 32
4.1 Circulatie .......................................................................................................................... 32
4.2 Respiratie ......................................................................................................................... 41
4.3 Bloed en bloedvormende organen ...................................................................................... 54
4.4 Nieren en urinewegen ........................................................................................................ 61
4.5 Digestie ............................................................................................................................ 68
4.6 Stofwisseling en endocrinologie ......................................................................................... 82
4.7 Huid en huidderivaten ....................................................................................................... 87
4.8 Neurologie ........................................................................................................................ 91
5 DDx’en ...................................................................................................................................... 93
5.1 CR .................................................................................................................................... 93
5.2 BB .................................................................................................................................... 98
5.3 NU ................................................................................................................................... 99
5.4 SE .................................................................................................................................. 100
5.5 DI ................................................................................................................................... 102
5.6 NZA ................................................................................................................................ 102
5.7 HH ................................................................................................................................. 103
6 Aanvullende diagnostiek ........................................................................................................... 107
6.1 Serologie ........................................................................................................................ 107
6.2 Bloedonderzoek .............................................................................................................. 107
6.3 Urineonderzoek .............................................................................................................. 112
6.4 Fecesonderzoek.............................................................................................................. 114
6.5 Beeldvorming .................................................................................................................. 115
7 oefenvragen ............................................................................................................................. 117
Pagina 2 van 127
,1 VETERINAIR KLINISCH REDENEREN STAPPENPLAN
1.1 VKR RIJTJE:
1. Zorghulpvraag
o Wat is de reden van bezoek?
o Wat zijn de wensen en verwachtingen van de eigenaar?
2. Patientpresentatie
o Ziektegeschiedenis
▪ Signalement
• Soort
• Ras
• Geslacht
• Leeftijd
• Kleur en aftekeningen
• Bijzondere (onveranderlijke) kenmerken
▪ Anamnese
• Aard, Duur, Verloop van de klacht + evt. effecten van eerder
ingestelde behandeling
• Algemeen functioneren
• Leefomstandigheden
• Voorgeschiedenis
• (buitenland anamnese)
o Algemene indruk (AI)
▪ Gedrag en bewustzijnsniveau
▪ Houding en gang
▪ (lichaamsbouw) GD
▪ Voedingstoestand
▪ Verzorgingstoestand
▪ (abnormale geluiden) GD
▪ IHOSKA’s
o Algemeen onderzoek (AO)
▪ Ademhaling
▪ Pols
▪ Temperatuur
▪ HBH
▪ Slijmvliezen
▪ Lymfeknopen
o Orgaansysteem onderzoek (OO)
▪ Respiratie
▪ Circulatie
▪ Digestie
▪ Etc.
3. Probleemlijst (PL)
o Alle klinische verschijnselen verkregen uit de anamnese, AI, AO en OO van je
patiënt/het koppel komen hierop te staan. Je moet interpreteren wat
problematisch is: heeft het dier een probleem of is het symptoom naar de
omstandigheden (bijvoorbeeld stress (na opjagen), hitte etc. veranderen
Pagina 3 van 127
, bijvoorbeeld je APT)? De informatie in je probleemlijst moet inwegen naar de
huidige omstandigheden.
o Als je de PL van één dier moet opstellen dan moeten alle aandoeningen van het
koppel of van bijvoorbeeld de eigenaar/veehouder er niet bij! (Dus als er andere
dieren hoesten of de veehouder heeft jeuk dan zet je het er niet bij!)
4. Interpretatie van de gegevens → hoofdprobleem
o Er is altijd maar 1 hoofdprobleem! Schrijf dus een enkel hoofdprobleem op na
interpretatie. Interpreteer het hoofdprobleem zo specifiek mogelijk, en schrijf dus
niet alle problemen van de probleemlijst op!
o Aanpak: Alles van de probleemlijst hergroeperen en dan bepalen wat het
hoofdprobleem is.
o Het hoofdprobleem = de meest ernstige (levensbedreigende) aandoening en/of
het meest specifieke pathofysiologische probleem dat mogelijk de andere
klinische symptomen verklaard.
▪ Meestal is het hoofdprobleem niet tachycardie, tachypneu, koorts,
verminderd uithoudingsvermogen etc.
▪ Vaak zijn er meerdere verschijnselen uit 1 orgaansysteem (productieve
hoest, tachypneu, abdominale ademhaling etc., hergroepeer deze dan tot
één hoofdprobleem zoals dyspneu)
▪ Kies een hoofdprobleem waar een beperkte DDx van te maken is
5. Opstellen probleemdefinitie (PD)
o Dit is de probleemsamenvatting en bestaat uit:
▪ Signalement van het dier
• Diersoort
• Ras
• Leeftijd
• Geslacht + reproductieve staat (intact, gecastreerd,
gesteriliseerd)
• Kleur en aftekeningen
• Bijzondere kenmerken
▪ Hoofdprobleem (+ verschijnselen die relevant zijn voor het
hoofdprobleem (aard/ernst, duur en verloop van het hoofdprobleem))
o Naarmate je verder komt in het diagnostisch proces kan de PD aangevuld worden
6. Differentiaal diagnose (DDx)
o Lijst met (alle) mogelijke aandoeningen – strevend naar volledigheid. De lijst wordt
ingedeeld in hoofdgroepen en subgroepen. Met behulp van resultaten/
bevindingen uit specifiek onderzoek wordt de lijst gededuceerd en geprioriteerd
tot de meest waarschijnlijke diagnose.
▪ Groeperen kan op basis van grove indelingen: bv. voorste luchtwegen en
diepe luchtwegen, centraal vs. Perifeer, voorbeen vs. achterbeen,
infectieus of niet-infectieus, acuut vs. chronisch.
▪ Als je een hele lange specifieke lijst wil maken dan kan je de Vitamin CDE
gebruiken (niet op tentamen!).
▪ Nr. 1 is je waarschijnlijkheidsdiagnose
o Je kan ook een verkorte/geprioriteerde DDx opstellen (dit gebeurt vaker in de
praktijk): vaak op basis van wat uit ervaring het meest waarschijnlijk is: bevat een
werkhypothese (de meest voor de hand liggende diagnose), minstens 2-4 andere
mogelijke diagnoses en aandacht voor red flags (zaken die meteen ernstig kunnen
zijn of bijvoorbeeld meldingsplichtige aandoeningen, deze mag je dus niet
missen!).
Pagina 4 van 127
, 7. Waarschijnlijkheidsdiagnose (WD)
o De best passende diagnose op basis van alle bevindingen en resultaten
8. Validatie
o Verificatie : zijn alle verschijnselen uit de probleemlijst verklaard?
o Falsificatie: zien we het ziektebeeld uit de diagnose compleet?
o Bevestiging: afwegen van noodzaak voor (extra) aanvullend onderzoek incl. evt.
pathologische en microbiologische diagnostiek (afweging risico’s en urgentie,
welzijn, kosten t.o.v. baten, etc.) om de waarschijnlijkheidsdiagnose te
bevestigen als deze testen niet al eerder gedaan zijn.
9. Behandelplan
o Bestaat uit:
▪ Stabiliseren = eerste hulp op basisch van de symptomen (symptomatisch,
bv. infuus geven bij (symptomen van) shock)
▪ Cureren = genezen
▪ Toepassen van preventie = wegnemen van de risicofactoren voor de
toekomst
10. Rapportage
o Bespreken met de eigenaar van de keuzes, de consequenties van de keuzes voor
dier, eigenaar en omgeving en verantwoording van die keuzes. Wordt veelal tijdens
het consult al gedaan.
11. Evaluatie
o Beoordeling of het gewenste resultaat van het behandelplan is bereikt op korte en
lange termijn.
12. Follow-up
o Afspraken voor de toekomst maken
De stappen die in dit tentamen veel terug komen zijn de probleemlijst opstellen, interpretatie tot
het hoofdprobleem/ hoofdprobleem bepalen, probleemdefinitie opstellen, differentiaal diagnose
in grote lijnen opstellen/ DDx beargumenteren op meest waarschijnlijk/ prioriteren van een
gegeven DDx, waarschijnlijkheidsdiagnose stellen, validatie (verificatie, falsificatie, bevestiging).
Vaak grijpen ze ergens halverwege het schema in en slaan ze stappen over. Het is belangrijk om
voor jezelf te herkennen bij welke stap ze zijn en vervolgens zelf de stappen uit te voeren ookal
staat dat niet in de vraag. Dit helpt om voor jezelf het overzicht te houden.
Pagina 5 van 127