lesdoelen + antwoord.
1.Je kunt de veel voorkomende begrippen uit de (functionele) anatomie, fysiologie en
pathologie omschrijven en met een voorbeeld toelichten.
Anatomie
ana → open
tomie → snijden
Bestudeert de bouw van het menselijk lichaam
Hoe het lichaam gebouwd is en hoe die bouw een functie mogelijk maakt
voorbeeld: Je elleboog is een scharniergewricht. Omdat het zo gebouwd is, kun je je arm
buigen en strekken.
Fysiologie
Bestudeert de functie van cellen en organen, gaat in op de processen die in het lichaam
plaatsvinden en hoe deze geregeld zijn
Hoe het lichaam werkt en wat er in je lichaam gebeurt
voorbeeld: Als je rent, gaat je hart sneller kloppen om extra zuurstof naar je spieren te
brengen
Pathologie
pathos → ziekte
logos → leer
Bestudeert afwijkingen in bouw en functie van het menselijk lichaam
Wat er misgaat in het lichaam, dus ziekten of afwijkingen
Bij griep heb je koorts. Je lichaam vecht tegen een virus, maar daardoor voel je je ziek.
2.Je kunt de topografische indeling van het menselijk lichaam illustreren, de meest
,gebruikte plaats- en richting-aanduidingen gebruiken en kunt de anatomische
houding beschrijven en de verschillende lichaamsvlakken benoemen
AFP opdracht - Google Documenten
Röntgenfoto maken (blz 70 in boek anatomie en fysiologie)
Transversale → boven of onder de op de romp (verdeeld tussen boven en onder)
Frontaal → door midden van links naar rechts (verdeeld tussen achter en voor)
Sagittaal → door midden van achter naar voor (verdeeld tussen links en rechts)
Mediaan vlak → exacte middellijn, verdeeld lichaam in twee gelijke helften
Longitudinale doorsnede → doorsnede in de lengte (bij een buis krijg je dan 2 gootjes)
(blz 71 in boek)
Cranial → richting van de hoofd
Caudal → richting van de voeten
Anterior → voorkant
Posterior → achterkant
Ventral → buik kant
Dorsal → rug kant
Lateral → aan de zijkant
Medial → naar het midden toe
Proximal → dicht bij de kern van je lichaam (buik)
Distal → van de kern af
Centraal = in het midden
Perifeer, = aan de buitenzijde
Superior = boven
Inferior = onder
Sinister = links
Dexter = rechts
Internus = inwendig
Externus = uitwendig
(blz 72 & 73 in het boek)
Anteflexie → naar voren strekken
Retroflexie → naar achter strekken
Endoroteren → naar binnen draaien (heel je arm of/en benen draaien)
Exoroteren→ naar buiten draaien
Abductie → naar buiten bewegen
Adductie → naar binnen bewegen
Supinatie → draaien van de pols naar buiten (alleen je pols en/of enkel draaien)
Pronatie → draaien van de pols naar binnen
Flexie → buigen
Extensie → strekken
Lateroflexie → zijwaarts buigen
Opponeren → duim tegenover de vingers plaatsen
Dorsale flexie → naar boven bewegen
,Palmaire flexie → naar beneden bewegen (hand naar beneden)
plantaire flexie → je voet naar beneden toe bewegen (op de vloer planten)
Thorax = borstholte
Abdomen = buikholte
Diafragma = middenrif, scheidt borst- en buikholte
Afkortingen
a → arteria (slagader)
v → vena (ader)
n → nervus (zenuw)
m → musculus (spier)
anatomische houding.
- staat de persoon rechtop
- houdt de persoon het hoofd recht
- houdt de persoon de armen gestrekt naast het lichaam
- zijn de handpalmen naar voren gekeerd
- zijn de voeten iets gespreid
, 3.Je kunt in grote lijnen benoemen, welke methoden van onderzoek de arts gebruikt
om een diagnose te stellen.
Eerst een anamnese en dan een onderzoek zoals: en dan een diagnose stellen
Echo → zwangerschap, beeldvorming met geluidsgolven
röntgen → foto van de botten, door geluidsgolven krijg je beeld
CT scan → dwarsdoorsnede opnamen met röntgenstraling
Laboratoriumonderzoek → onderzoek van bloed, urine, feces, etc.
MRI → beeldvorming door magnetische straling
Palpatie → voelen met de handen
Percussie → verschillende geluiden in het lichaam
Auscultatie → luisteren met een stethoscoop
inspectie → kijken buitenkant lichaam
beeldvormend onderzoek → laat de structuur / vorm van organen en weefsels zien
computertomografie → 3D beeld van 2D beeld
PET → door radioactieve stoffen hopen zich op en dan zie je afwijkende inwendige
structuren
endoscopie → inwendig kijkonderzoek met flexibele camera
Functieonderzoek → werking van organen en andere lichaamsdelen wordt onderzocht.
ECG → onderzoek van de elektrische activiteit van het hart
EEG → onderzoek van hersenactiviteit
spirometrie → inademings- en uitademingsvolumes en -kracht onderzocht.
Pathologisch-anatomisch onderzoek → afwijkingen op cel- en weefselniveau worden
aangetoond.
Cytologie → is het microscopisch onderzoek van losse vellen die door middel van een
uitstrijkje of punctie uit het lichaam verkregen zijn.
Histologie → is het microscopisch onderzoek van een stukje weefsel dat verkregen wordt
door biopsie of door operatief verwijderen.
biopsie → klein stukje weefsel wordt weggehaald.
obductie → het onderzoek naar de oorzaak van overlijden. Na het overlijden wordt het
lichaam opengesneden en worden de organen en weefsels onderzocht.
4.Je kunt de volgende begrippen m.b.t. het ontstaan van infectieziekten benoemen en