Hoofdstuk 8 – Burgers en Stoommachines
Paragraaf 8.1
Kenmerkend aspect
De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een
industriële samenleving
In Groot-Brittannië (GB) maakten handwerktuig plaats voor machines die werden
aangedreven door stoommachines. Deze mechanisatie ging gepaard met
schaalvergroting, waardoor de industrie ontstond <- industriële revolutie. De
industrialisatie begon in GB en vond later in de tijd van burgers en stoommachines
plaats in andere landen. Het was de grootste verandering sinds de landbouw. Door
industriële revolutie ontstond de industriële samenleving. Hierdoor woonden een groot
deel in de stad en waren de industrie en diensten de belangrijkste middelen van bestaan.
Door de bouw van fabrieken en arbeidswoningen groeiden dorpen uit tot steden. Boeren
enzo. verhuisden naar steden om in loondienst te werken. Zo ontstond een grote klasse
van industriearbeiders en een klasse van kapitalisten die hun geld belegden in de handel en
industrie. Tussen deze 2 sociale groepen ontstond de middenklasse.
Bij het ontstaan van de industriële revolutie speelden ondernemers, uitvinders en Britse
koloniale overheersing een rol. Revolutie begon in textielnijverheid. Toen
plattelandsnijverheid de vraag niet meer aankon, investeerden ondernemers in nieuwe
technieken. De stoommachine was ontwikkeld in mijnindustrie, de industriesector. Met
stoommachines werd alles sneller, grootschaliger en goedkoper geproduceerd. De kwaliteit
van producten werd beter door industriële productie. Textielondernemers konden dankzij
Britse beheersing over wereldzeeën importeren en exporteren, onder andere naar India en
Zuid-Amerika. Overgang van textielindustrie op stoom, stimuleerde de winning van
steenkool en productie van ijzer.
Belangrijk voor de revolutie was ook de stijging van landbouwproductie. Door betere
landbouwmethodes nam voedselproductie toe en werden er meer mensen gevoerd.
Hierdoor groeide de bevolking, terwijl op het land minder arbeid nodig was. Zo kwamen
goedkope arbeidskrachten beschikbaar voor de industrie. De bevolkingsgroei kwam tot
eind door epidemieën. Er begon een medische revolutie, waardoor gezondheidszorg
verbeterde. Ook transportrevolutie was belangrijk. Er kwamen door het hele land kanalen
waar fabrieken langs stonden.
In de tweede industriële revolutie waren ontwikkeling van staal, chemische en
elektronische industrie belangrijk. Industriële kapitalisten probeerden goedkoper te
werken en betere producten te maken om de winst op te voeren en de strijd met hun
concurrenten vol te houden. Zo bleef de industrialisatie aan de gang.
Paragraaf 8.2
Kenmerkend aspect
Opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme,
socialisme, confessionalisme en feminisme.
, Na de ondergang van Napoleon maakten Europese regeringen op het congres van Wenen
afspraken over de naoorlogse orde. Ze wilden een machtsevenwicht. Veel dingen gingen
terug naar het ancién regime, met name beperking van burgerrechten en herstel van
rechten van de adel en kerk. De mogendheden bewaarde de rust, hierdoor bleef het
rustig. Koningen en edelen hadden de macht. Dit stuitte op verzet van nieuwe politiek-
maatschappelijke stromingen. Het liberalisme kreeg aanhang onder de burgerij. Ze
wilden een grondwet die de macht van de koning beperkte, persvrijheid en andere
burgerrechten garanderen. De regering moet ondergeschikt zijn aan een gekozen
volksvertegenwoordiging; ze stelden individuele vrijheid voorop. Ook economisch wilde ze
vrijheid. Bemoeizucht van de overheid was volgens economisch liberalisme schadelijk.
Markteconomie beste garantie voor welvaart. Nationalisme verzette zich tegen de
bestaande orde. Ze hadden liefde voor eigen natie en vonden dat volken recht hadden op
een eigen natiestaat. Conservatisme vond het idee van vrijheid en gelijkheid gevaarlijk,
het zou chaos leveren.
Door groeiend verzet tegen autoritaire monarchieën hield de orde van het Congres van
Wenen op den duur geen stand. Over de jaren waren veel gevechten over politieke
toestanden. Machthebbers wisten orde te herstellen en veranderingen beperkt te houden.
In Duitse rijk begreep Bismarck, dat hij nationalisme kon gebruiken. Hij wakkerde
nationale gevoelens aan om verenigd Duitsland onder leiding van Pruisen te krijgen.
Socialisme ging om gelijkheid. Ze bestreden verschillen in macht en inkomen. In de 2de
helft van de 19e eeuw groeide het uit tot een massabeweging. Volgens marxisten was er
een klassenstrijd tussen het proletariaat en bourgeoisie. Ze wilden met een revolutie staat
overnemen, kapitalisme omverwerpen en productiemiddelen in staatseigendom brengen.
Dit zou plaatsvinden als arbeidsklasse was uitgegroeid tot grote meerderheid en zich
bewust was geworden van de noodzaak van socialisme <- staatsocialisme. Tegenstander
van Marx was het anarchisme. Zij stelde individu centraal en zagen elk gezag als oorzaak
van onderdrukking en ongelijkheid. Staat moest vernietigd worden. Reformisme wilden
lot van arbeiders binnen maatschappij verbeteren. Ze waren voor parlementaire
democratie. In 1919 viel socialisme uiteen in sociaaldemocratie en communisme.
Paragraaf 8.3
Kenmerkend aspect
Voortschrijdende democratisering met deelname van steeds meer mannen en
vrouwen aan politiek proces
We waren eerst een constitutionele monarchie. Onder Thorbecke kregen we een
parlementair stelsel met een regering onder leiding van een premier. We waren nog
geen democratie want er was censuskiesrecht. In 1917 kwam er algemeen
mannenkiesrecht. Vanaf 1919 een parlementaire democratie met algemeen kiesrecht.
Jaren 1815 tot 1919 waren tijd van democratisering. GB bestond uit het Hoger- en
Lagerhuis uit gekozen volksvertegenwoordigers. Sinds de Glorious Revolution accepteerde
de koning de macht van het parlement. In 1837 mocht vanaf toen de winnende partij zelf
Paragraaf 8.1
Kenmerkend aspect
De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een
industriële samenleving
In Groot-Brittannië (GB) maakten handwerktuig plaats voor machines die werden
aangedreven door stoommachines. Deze mechanisatie ging gepaard met
schaalvergroting, waardoor de industrie ontstond <- industriële revolutie. De
industrialisatie begon in GB en vond later in de tijd van burgers en stoommachines
plaats in andere landen. Het was de grootste verandering sinds de landbouw. Door
industriële revolutie ontstond de industriële samenleving. Hierdoor woonden een groot
deel in de stad en waren de industrie en diensten de belangrijkste middelen van bestaan.
Door de bouw van fabrieken en arbeidswoningen groeiden dorpen uit tot steden. Boeren
enzo. verhuisden naar steden om in loondienst te werken. Zo ontstond een grote klasse
van industriearbeiders en een klasse van kapitalisten die hun geld belegden in de handel en
industrie. Tussen deze 2 sociale groepen ontstond de middenklasse.
Bij het ontstaan van de industriële revolutie speelden ondernemers, uitvinders en Britse
koloniale overheersing een rol. Revolutie begon in textielnijverheid. Toen
plattelandsnijverheid de vraag niet meer aankon, investeerden ondernemers in nieuwe
technieken. De stoommachine was ontwikkeld in mijnindustrie, de industriesector. Met
stoommachines werd alles sneller, grootschaliger en goedkoper geproduceerd. De kwaliteit
van producten werd beter door industriële productie. Textielondernemers konden dankzij
Britse beheersing over wereldzeeën importeren en exporteren, onder andere naar India en
Zuid-Amerika. Overgang van textielindustrie op stoom, stimuleerde de winning van
steenkool en productie van ijzer.
Belangrijk voor de revolutie was ook de stijging van landbouwproductie. Door betere
landbouwmethodes nam voedselproductie toe en werden er meer mensen gevoerd.
Hierdoor groeide de bevolking, terwijl op het land minder arbeid nodig was. Zo kwamen
goedkope arbeidskrachten beschikbaar voor de industrie. De bevolkingsgroei kwam tot
eind door epidemieën. Er begon een medische revolutie, waardoor gezondheidszorg
verbeterde. Ook transportrevolutie was belangrijk. Er kwamen door het hele land kanalen
waar fabrieken langs stonden.
In de tweede industriële revolutie waren ontwikkeling van staal, chemische en
elektronische industrie belangrijk. Industriële kapitalisten probeerden goedkoper te
werken en betere producten te maken om de winst op te voeren en de strijd met hun
concurrenten vol te houden. Zo bleef de industrialisatie aan de gang.
Paragraaf 8.2
Kenmerkend aspect
Opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme,
socialisme, confessionalisme en feminisme.
, Na de ondergang van Napoleon maakten Europese regeringen op het congres van Wenen
afspraken over de naoorlogse orde. Ze wilden een machtsevenwicht. Veel dingen gingen
terug naar het ancién regime, met name beperking van burgerrechten en herstel van
rechten van de adel en kerk. De mogendheden bewaarde de rust, hierdoor bleef het
rustig. Koningen en edelen hadden de macht. Dit stuitte op verzet van nieuwe politiek-
maatschappelijke stromingen. Het liberalisme kreeg aanhang onder de burgerij. Ze
wilden een grondwet die de macht van de koning beperkte, persvrijheid en andere
burgerrechten garanderen. De regering moet ondergeschikt zijn aan een gekozen
volksvertegenwoordiging; ze stelden individuele vrijheid voorop. Ook economisch wilde ze
vrijheid. Bemoeizucht van de overheid was volgens economisch liberalisme schadelijk.
Markteconomie beste garantie voor welvaart. Nationalisme verzette zich tegen de
bestaande orde. Ze hadden liefde voor eigen natie en vonden dat volken recht hadden op
een eigen natiestaat. Conservatisme vond het idee van vrijheid en gelijkheid gevaarlijk,
het zou chaos leveren.
Door groeiend verzet tegen autoritaire monarchieën hield de orde van het Congres van
Wenen op den duur geen stand. Over de jaren waren veel gevechten over politieke
toestanden. Machthebbers wisten orde te herstellen en veranderingen beperkt te houden.
In Duitse rijk begreep Bismarck, dat hij nationalisme kon gebruiken. Hij wakkerde
nationale gevoelens aan om verenigd Duitsland onder leiding van Pruisen te krijgen.
Socialisme ging om gelijkheid. Ze bestreden verschillen in macht en inkomen. In de 2de
helft van de 19e eeuw groeide het uit tot een massabeweging. Volgens marxisten was er
een klassenstrijd tussen het proletariaat en bourgeoisie. Ze wilden met een revolutie staat
overnemen, kapitalisme omverwerpen en productiemiddelen in staatseigendom brengen.
Dit zou plaatsvinden als arbeidsklasse was uitgegroeid tot grote meerderheid en zich
bewust was geworden van de noodzaak van socialisme <- staatsocialisme. Tegenstander
van Marx was het anarchisme. Zij stelde individu centraal en zagen elk gezag als oorzaak
van onderdrukking en ongelijkheid. Staat moest vernietigd worden. Reformisme wilden
lot van arbeiders binnen maatschappij verbeteren. Ze waren voor parlementaire
democratie. In 1919 viel socialisme uiteen in sociaaldemocratie en communisme.
Paragraaf 8.3
Kenmerkend aspect
Voortschrijdende democratisering met deelname van steeds meer mannen en
vrouwen aan politiek proces
We waren eerst een constitutionele monarchie. Onder Thorbecke kregen we een
parlementair stelsel met een regering onder leiding van een premier. We waren nog
geen democratie want er was censuskiesrecht. In 1917 kwam er algemeen
mannenkiesrecht. Vanaf 1919 een parlementaire democratie met algemeen kiesrecht.
Jaren 1815 tot 1919 waren tijd van democratisering. GB bestond uit het Hoger- en
Lagerhuis uit gekozen volksvertegenwoordigers. Sinds de Glorious Revolution accepteerde
de koning de macht van het parlement. In 1837 mocht vanaf toen de winnende partij zelf