TOE Kennis & Toepassingstoets 2 april
Bestaande uit:
KOM samenvatting kwalitatief...................................................1
KOM samenvatting kwantitatief.................................................7
Hoorcollege 1 – kwalitatief 2 feb..............................................12
Hoorcollege 2 – kwalitatief 5 feb..............................................17
Hoorcollege 3 – kwalitatief 9 feb..............................................22
Hoorcollege 4 – kwalitatief 12 feb............................................26
Responsiecollege kwalitatief....................................................32
Hoorcollege 1 - Correlationeel 23 feb.......................................34
Hoorcollege 2 - Correlationeel 26 feb.......................................38
Hoorcollege 3 - Correlationeel 2 maart.....................................41
Hoorcollege 4 - Correlationeel 5 maart.....................................47
Hoorcollege 1 - Experimenteel 12 maart...................................55
Hoorcollege 2 - Experimenteel 16 maart...................................61
Hoorcollege 3 - Experimenteel 19 maart...................................66
Hoorcollege 4 - Experimenteel 23 maart...................................74
Boek en literatuur...................................................................85
Grasple..................................................................................94
Begrippenlijst.......................................................................126
Quizlet links.......................................................................... 147
KOM samenvatting kwalitatief
De empirische cyclus
1
,Wetenschappelijk onderzoek verloopt cyclisch. Een idee of theorie leidt
onderzoekers tot het formuleren van specifieke onderzoeksvragen. Deze
onderzoeksvragen leiden tot een passend onderzoeksontwerp. Binnen dat
ontwerp formuleren onderzoekers hypothesen. Om deze hypothesen te
toetsen verzamelen zij data. Deze data worden geanalyseerd.
Wanneer de data ondersteunend zijn, leidt dit tot versterking van de
theorie. Wanneer de data niet ondersteunend zijn, leidt dit tot herziening
van de theorie of tot een verbetering van het onderzoeksontwerp. Daarna
begint de cyclus opnieuw.
Kenmerken van wetenschappelijk onderzoek
Wetenschappelijk onderzoek heeft drie belangrijke kenmerken.
1. Empirisch. Dat betekent dat het gebaseerd is op systematische
waarnemingen.
2. Controleerbaar. Dit gebeurt onder andere via peer review.
3. Probabilistisch. Dit betekent dat conclusies altijd een zekere mate
van onzekerheid bevatten.
Theorie in de sociale wetenschappen
Een theorie is een geheel van denkbeelden, hypothesen en verklaringen
die in onderlinge samenhang worden beschreven. In de wetenschap is een
theorie een getoetst model ter verklaring van waarnemingen van de
werkelijkheid.
Een goede wetenschappelijke theorie wordt ondersteund door data uit
wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast moet een theorie falsifieerbaar
zijn. Dat betekent dat zij weerlegd moet kunnen worden aan de hand van
verzamelde gegevens. Verder moet een theorie spaarzaam zijn. Wanneer
een eenvoudige theorie volstaat, is het niet nodig om deze complexer te
maken.
Onderzoeksvragen
In wetenschappelijk onderzoek worden verschillende soorten
onderzoeksvragen onderscheiden.
Fundamentele onderzoeksvragen zijn gericht op het vergroten van
kennis.
Toegepaste onderzoeksvragen zijn gericht op het oplossen van
praktische problemen.
Daarnaast bestaat translational onderzoek, waarbij fundamentele
kennis wordt vertaald naar toepassingen.
Kwalitatief onderzoek binnen KOM
Binnen dit vak wordt aandacht besteed aan de inleiding van kwalitatief
onderzoek, aan dataverzamelingsmethoden, aan data analyse, aan
kwaliteit van kwalitatief onderzoek en aan kritisch lezen van
wetenschappelijke publicaties.
Kwalitatieve data kan worden verzameld via interviews, focusgroepen,
observaties en bestaande gegevens.
Waarom kwalitatief onderzoek
2
,Het voornaamste doel van kwalitatief onderzoek is het begrijpen van
sociale fenomenen vanuit hun natuurlijke context. Daarnaast is het doel
om empirische patronen te vinden die een startpunt kunnen vormen voor
theorievorming. Dit kan leiden tot ontwikkeling van nieuwe theorie of tot
aanpassing of uitbreiding van bestaande theorie.
Patronen kunnen worden gevonden in gesproken of geschreven teksten, in
observaties van gedrag en interacties en in beeldmateriaal.
Kenmerken van kwalitatief onderzoek
De onderzoeker is geïnteresseerd in de natuurlijke omgeving van de
respondent.
De onderzoeker hanteert een contextuele benadering.
Het perspectief van de respondenten staat centraal.
Via specifieke observaties probeert de onderzoeker de sociale
werkelijkheid in al haar diversiteit te omschrijven en te zoeken naar
algemeenheden die nieuwe theorieën vormen of bestaande theorieën
aanpassen. Dit proces wordt inductie genoemd.
Het kwalitatief interview
Een kwalitatief interview is een gesprek waarin de interviewer vragen stelt
aan de geïnterviewde over ideeën, motieven, ervaringen en gedragingen
met betrekking tot een sociaal fenomeen. De geïnterviewde wordt
informant of respondent genoemd.
Een interview kan worden gedefinieerd als een vorm van conversatie
waarin één persoon, de interviewer, zich beperkt tot het stellen van
vragen over gedragingen, ideeën, attitudes en ervaringen met betrekking
tot sociale fenomenen aan één of meerdere deelnemers. De onderzoeker
is nadrukkelijk aanwezig bij de dataverzameling.
Soorten interviews
Interviews verschillen in de mate waarin inhoud, volgorde en formulering
van vragen vooraf vastliggen.
Bij een ongestructureerd interview hangen deze aspecten af van het
verloop en de context van het gesprek.
Bij een semigestructureerd interview wordt gewerkt met een
topiclijst, maar blijven inhoud en volgorde afhankelijk van de
context.
Bij een gestructureerd interview worden deze aspecten vooraf
vastgelegd. Gestructureerde interviews sluiten meer aan bij
surveys.
Het vraag en antwoordproces
In het hoofd van de participant bevinden zich gedachten, ideeën,
meningen, ervaringen en herinneringen. Wanneer een vraag wordt
gesteld, moet de participant deze eerst begrijpen. Vervolgens zoekt de
participant informatie in het geheugen. Daarna wordt het antwoord
geformuleerd en in taal omgezet.
De interviewer helpt daarbij door inhoudelijke vragen te stellen en door
relationele ondersteuning te bieden.
3
, Kwaliteit van interview en focusgroep
Het verloop van een gesprek hangt sterk af van de interviewer of
moderator. Deze moet zich bewust zijn van zijn of haar eigen rol. Bij een
focusgroep moet de moderator het gesprek in goede banen leiden.
De interviewer kan doorvragen om te achterhalen wat de respondent
werkelijk bedoelt. Daarnaast moet hij of zij letten op non verbale signalen,
omdat deze informatie geven over zekerheid of eerlijkheid van het
antwoord.
Een goede verstandhouding, ook wel rapport genoemd, is essentieel.
Focusgroep
In een focusgroep is er interactie tussen deelnemers. De onderzoeker is
vooral geïnteresseerd in deze interactie. Door deze groepsdynamiek is
anonimiteit en vertrouwelijkheid moeilijker te waarborgen.
Het onderwerp van een focusgroep is vaak specifieker dan bij individuele
interviews. De moderator stelt vragen, bewaakt het onderwerp en zorgt
ervoor dat iedereen actief kan deelnemen.
Een focusgroep bestaat doorgaans uit een moderator en zes tot tien
personen. Bij voorkeur is de groep homogeen qua achtergrond, maar er
moet wel een breed scala aan ervaringen aanwezig zijn.
Steekproeven
Participanten kunnen op verschillende manieren worden geselecteerd.
Bijvoorbeeld participanten die eenvoudig te bereiken zijn, participanten
die al een groep vormen of participanten die voldoen aan specifieke
voorwaarden. De keuze hangt af van het onderzoeksontwerp.
Observatieonderzoek
Observatieonderzoek kan participerend of niet participerend zijn. De
onderzoeker kan de groep van buitenaf bestuderen of er deel van
uitmaken.
Observatie kan verhuld of onverhuld zijn. Dat betekent dat deelnemers
wel of niet weten dat zij worden geobserveerd.
Observatie kan systematisch of niet systematisch zijn. Daarbij staat de
vraag centraal of de te observeren fenomenen vooraf zijn vastgelegd.
De keuze voor het type observatie hangt af van het onderzoeksdoel.
Site, gatekeeper en key informant
Bij observatieonderzoek moet worden bepaald waar het onderzoek
plaatsvindt. De onderzoeker kiest een site en moet toegang verkrijgen,
vaak via een gatekeeper.
Daarnaast speelt de interactie tussen onderzoeker en respondent een
belangrijke rol. Het vinden van een key informant kan helpen bij toegang
en begrip. Een goede verstandhouding blijft belangrijk.
Field notes
De verzamelde data bestaan vaak uit field notes. Deze bevatten directe
observaties, chronologische beschrijvingen, fysieke beschrijvingen en
4