20 april 2021
Er bestaat een verband tussen kabinetsvorming en parlementaire besluitvorming in het licht van
dualisme en monisme. Tijdens de formatie worden de afspraken vastgelegd in het regeerakkoord, om
conflicten te voorkomen. De regering (kabinet en ministers) regeert, en de Tweede Kamer controleert.
Tevens bezit de Tweede Kamer over wetgevende bevoegdheden (recht van initiatief en het recht van
amendement). Hierdoor is er geen strikte scheiding tussen de wetgevende en uitvoerende macht. De
afspraken uit het regeerakkoord en tijdens het torentjesoverleg zorgen ervoor dat coalitiefracties in de
Tweede Kamer medeverantwoordelijk zijn voor het beleid.
Dualisme betreft de strikte scheiding van wetgevende en uitvoerende macht, met aan de
andere kant de controle hier op. Bij nauwe verbondenheid spreken we van monisme.
De 19e eeuw
Destijds had het dualisme de overhand. Gaandeweg bleek politieke steun onontbeerlijk om tot
resultaten te komen. Het dualisme nam dan ook af met de introductie van kabinetten met een duidelijk
politiek profiel. Dit was een gematigd proces, en de mate van dualisme verschilde per kabinet.
Wanneer het bijvoorbeeld lastig bleek voor partijen om tot een meerderheidskabinet te komen, koos
men voor een kabinet met lossere band met het kabinet (‘extra parlementaire kabinetten’), er is dan
sprake van een minder sterke binding. Deze waren tevens minder effectief.
Overleg tussen het kabinet en Kamerleden van de regeringsfracties is sinds de jaren ’60 van de
vorige eeuw steeds intensiever geworden. Tegenwoordig is er dan ook sprake van een mengvorm
dualisme/monisme. Kamerleden van de regeringsfracties kunnen wel nog steeds onderzoek laten doen
of kritische vragen stsellen, Voorbeeld: toeslagenaffaire. Het komt ook voor dat Kamerleden van de
regeringsfracties en de oppositie samen optrekken, deze gaat echter nooit zo ver dat een conflict
1
, ontstaat met het kabinet. Het dient dan ook voorkomen te worden dat er geschillen ontstaan tussen de
regeringsfracties onderling.
Geregeld zijn regeringsfracties het inhoudelijk eens met voorstellen van de oppositie, maar de
verhoudingen in de coalitie verhinderen dat een bepaalt voorstel wordt gesteund. Nadeel van dit
sterkere monisme is dat de Tweede Kamer en de regeringsfracties minder onbevangen kritiek leveren
op kabinetsbeleid of bewindspersoon (soms zijn de zelf verantwoordelijk).
Hiermee zijn twee hoofdtaken van het parlement genoemd: medewetgeving en controle. Hiertoe
hebben de Kamers diverse middelen ter beschikking.
Aannemen
Het wetsvoorstel wordt dan in principe gewijzigd
In principe, aangezien nog over de wijziging en het wetsvoorstel zelf gestemd
moet worden
Een amendement kan aangenomen worden, maar het omstreden artikel of het
gehele wetsvoorstel, kunnen naderhand nog worden verworpen
Intrekken wetsvoorstel
Een bewindsvoorstel kan hiermee dreigen, er wordt dan onaanvaardbaarheid
uitgesproken over het amendement
Als de Tweede Kamer niet wijkt, dan dreigt een conflict
De desbetreffende bewindspersoon stapt op
Wanneer het gehele kabinet van mening is dat de minister gelijkt heeft, dan kan
het zelfs tot een kabinetscrisis leiden
Dit komt in de praktijk gelukkig weinig voor, door: 1) de vastgelegde afspraken,
en 2) het voortdurende overleg in de coalitie. Kabinetten komen vaker tot val door
onderlinge ruzie in de coalitie, dan door verwerping van wetsvoorstellen of door
de aanname van onaanvaardbare amendementen
Indirecte amendering
Als de indiener van het wetsvoorstel de wijziging goed vindt, kan deze zonder
meer worden overgenomen
De indiener kan ook na opmerkingen van de Tweede Kamer met een nota van
wijziging komen, en hiermee zelf het wetsvoorstel te wijzingen
Het bijsturen van beleid door de Tweede Kamer
Bij beide middelen is het aan het kabinet om te beslissen wat zij ermee doen, en de Kamer beslist
vervolgens of zij deze acties van het kabinet accepteren ja of nee. De vertrouwensregel staat hierbij
centraal: het kabinet of de minister heeft het vertrouwen, totdat het tegendeel blijkt. Hetgeen alleen
kan blijken uit een motie van wantrouwen.
Middels moties
Tijdens debatten kan de Kamer moties indienen waarover zij stemt. Middels deze moties kan
zij aangeven welke richting het beleid op dient te gaan.
Voordat men stemt over een motie, laat de minister of staatssecretaris zijn mening horen.
Deze kan onaanvaardbaar verklaard worden, of aanvaard worden.
o Relevant is of het een regeringscoalitie betreft. Regeringscoalities zijn minder snel
geneigd tegen de eigen minister/het eigen kabinet in te gaan.
2