BIOLOGISCHE PSYCHOLOGIE
Jaar 2 – semester 1 – blok 1
COLLEGE 1; EVOLUTIE & GENEN
DEPRESSIE EN GENETICA
DEPRESSIE GEN
50% van depressies zijn genetisch bepaald
LEVEN OP AARDE
Homosapiens: soort van alle mensen
Y-chromosomal Adam: alle mannen hebben een Y-chromosoom, afkomstig van de
vader
Mitochondrial Eve: de meest recente vrouw van wie alle mensen afstemmen, is
doorgegeven via de moeder door transmissie van mitochondriaal DNA
Wit Europeanen bevatten allemaal DNA van neanderthalers; afkomstig van Afrikanen
GENETISCHE VARIATIE
Alle mensen zijn 99.9% identiek, de 0.1% maakt onderscheid tussen mensen
DNA is opgemaakt uit 4 nucleotiden: A-T en C-G
3 nucleotiden vormen een aminozuur, ca. 20 aminozuren vormen een eiwit
Evolutie wordt gebaseerd op; variatie, erfelijkheid, strijd om te bestaan, overlevings- en
voortplantingskansen
MAJOR DEPRESSION EN GENETICA
Monozygote tweeling: identiek DNA en gedeelde omgeving
Dizygote tweeling: DNA vergelijkbaar als broer en zus, maar gedeelde
baarmoederomgeving
Erfelijkheid van major depressie is 40-50%, en mogelijk hoger voor ernstige depressie
NIET GENETISCHE FACTOREN EN DEPRESSIE
Ernstige fysieke of seksuele mishandeling, emotioneel of fysieke verwaarlozing tijdens
jeugd, en andere ernstige levensstressoren
DNA
Karyotype: georganiseerde set chromosomen
46 chromosomen, 22 identieke paren van vader/moeder, 1 geslachtspaar
Vrouw: XX, man: XY X chromosoom is langer dan Y
Genoom: het geheel van genetische informatie van een organisme
Chromosoom: een lange draad DNA rondom histones
Telomere: deel aan eind van chromosoom wat DNA beschermt tijdens celdeling
Gen: deel van DNA met de instructie voor een bepaalde proteïne
,Allel: alternatieve vormen van een gen gevonden op dezelfde plek op een chromosoom
RNA
Bij transcriptie wordt DNA omgezet in RNA
U i.p.v. T bij nucleotiden
RNA is korter
RNA kan wel de celkern verlaten, DNA niet
MRNA
RNA wordt gesplitst in messenger RNA
Introns: blijven in de kern (en worden gerecycled), blijven dus niet in mRNA
Exons: verlaten de kern, blijven dus wel in mRNA
MRNA verbindt met het ribosoom, en elk mRNA codon voegt samen met een tRNA
anticodon
PROTEINES
Proteïnes: bouwblokken van het lichaam
Kan deel worden van celmembraan om receptoren te vormen voor
neurotransmitters of hormonen
Zijn deel van de celstructuur en functie
Combineren met andere proteïnes en ijzer om zuurstof te vervoeren
Vormen ribosomen
Onderdeel van immuunsysteem
Kunnen functioneren als neurotransmitter of hormoon
Kunnen dienen als brandstof
Kan een enzym zijn om chemische reacties te metaboliseren
Tandem repeat/satelliet DNA: herhaalde duplicatie van een DNA sequentie of kort
herhaalde basenparen sequentie
Insertie/deletie: toevoeging of verlies van 1 of meer nucleotiden
Inversie/translocatie/duplicatie: verandering in deel van chromosoom
Epigenetica: studie van erfelijke fenotype veranderingen die geen veranderingen in DNA
bevatten
veroorzaakt door stress/eten/roken/straling/etc.
COLLEGE 2; COMMUNICATIE EN HET ENDOCRIENE
SYSTEEM
LICHAMELIJKE REACTIES
Spreek angst: kan variëren van lichte nerveusheid tot een grote angst,
trillen/zweten/kriebels in buik/droge mond/snelle hartslag/piepende stem
Teken van een acute stress reactie; versnelde hartslag, snelle ademhaling,
gespannen spieren, geherdistribueerde energie
Brein-naar-lichaam communicatie; via snelle of langzamere stress reactie route
Autonome zenuwstelsel en adrenaline & cortisol
,Hypothalamus verwerkt informatie – doorgestuurd naar hogere orde – hippocampus
vergelijkt situaties – amygdala bepaalt emotie – hypothalamus activatie leidt tot
hormoon secretie
DIERLIJKE CELLEN
Celmembraan: rand om cel, laagje vet, maakt intra en extra cellulaire communicatie
mogelijk
Bestaat uit fosfolipiden; soort kikkervisjes
Kopjes/buitenkant is hydrofiel
Staart/binnenkant is hydrofoob
Ligand-gated ion channel: er moet eerst een stofje binden, voordat het kanaal open
gaat
G-protein coupled receptor: wanneer een stofje op de receptor bindt, wordt het G-
Proteïn eiwit geactiveerd, wat andere eiwitten activeert, en dan het kanaal opent
Cytoskelet: het inwendig skelet, de vorm van de cel, connectie met andere cellen,
transport binnen een cel. Proteïne filamenten functioneren in beweging en
support;
Microfilament
Intermediate filament
Microtubule
Bijv. een kinesine motor proteïne vervoert blaasje langs microtubule
Endoplasmatisch reticulum (ER):
Ruwe ER: bevat ribosomen eraan vast; eiwit synthese
Gladde ER: geen ribosomen; calcium opslag, synthese van zuren en steroïden
Golgi apparaat: laatste stap in eiwitten aanpassen, creëert blaasjes met product voor
secretie of celgebruik
Lysosoom: deel van cellulaire spijsvertering
1. Endocytose van bijv. voedseldeeltjes van buiten de cel
2. Lysosoom = blaasje gevuld met vele enzymen en een lage pH
3. Lysosoom voegt samen met voedsel blaasje
4. Spijsvertering/recyclen begint
5. Gerecyclede deeltjes worden gebruikt in de cel
Mitochondriën: bevatten hun eigen DNA, kunnen delen in cel, zijn de energie fabrieken
(ATP)
ATP-ADP cyclus: van ATP ADP; komt energie vrij door fosfaat groep die los
gaat, later wordt ADP weer ATP door energie uit metabolisme en voedsel
moleculen
In loop van de dag meer ADP en minder ATP in lichaam aanwezig, wordt ’s
nachts hersteld
CEL-CEL CONNECTIES
Desmosomen: flexibele connectie, bijv. huidweefsel
Tight junctions: laat geen stoffen passief door, stoffen moeten actief worden
opgenomen om er doorheen te kunnen komen, bijv. in je maag
, Gap junctions: verbinding tussen cellen waardoor signalen makkelijk kunnen worden
doorgegeven, bijv. hart cellen
HORMONEN
Stofje dat wordt afgegeven in de bloed baan, en op een andere plek in het lichaam op
een receptor bindt
Thymus: produceert cellen van het immuunsysteem, verdwijnt met leeftijd
Hypofyse: de belangrijkste klier, opgesplitst in anterieur en posterieur
Hypothalamus: ligt boven hypofyse, bestaat uit neuro-endocriene cellen (kan zowel
hormonen als neurotransmitters zijn)
Stimulerende stoffen: TRH, CRH, GnRH, GHRH
Remmende stoffen: dopamine en somatostatine
Hormonen via de posterieur hypofyse wordt direct afgegeven aan bloedbaan
Hormonen via de anterieure hypofyse gaan in 2 stappen:
1. Een releasing hormoon wordt aangemaakt
2. Releasing hormoon zorgt voor aanmaak goede hormoon
Anterieure hypofyse, belangrijkste hormonen;
TSH > schildklier > schildklier hormoon
ACTH > adrenaline klier > cortisol
LH/FSH > eierstokken en testikels
GH > groei
Prolactine > melkklieren (wordt vaak geremd door dopamine)
Posterieure hypofyse, belangrijkste hormonen;
Oxytocine: melk secretie en baarmoeder contracties gedurende geboorte
ADH/vasopressin/AVP: water behoud uit nieren en vasoconstrictie
CHEMISCHE KLASSES VAN HORMONEN:
Monoaminen:
Hormonen afgeleid van een aminozuur; schildklierhormoon, adrenaline, noradrenaline,
dopamine
Catecholamines: (dopamine/noradrenaline/adrenaline) zijn afgeleid van tyrosine, speelt
een rol in acute stress reactie
Bijnier: klier die bestaat uit een schors en de medulla (binnenkant)
Medulla maakt adrenaline en noradrenaline aan als reactie op sympathische activatie
van het autonome zenuwstelsel (snelle route)
Schors maakt cortisol aan als reactie op ACTH
Schildklierhormoon: heeft jodium nodig voor productie
1. Hypothalamus geeft thyroid releasing hormone (TRH) af
2. Hypofyse geeft thyroid stimulating hormone (TSH) af
3. Schildklier geeft schildklier hormoon (T3 en T4) af
Schildklierhormoon effecten:
Hypothyroidism: laag in schildklierhormoon; langzaam metabolisme,
gewichtstoename
Hyperthyroidism: zweet uitbraken, hoge lichaamstemperatuur
Jaar 2 – semester 1 – blok 1
COLLEGE 1; EVOLUTIE & GENEN
DEPRESSIE EN GENETICA
DEPRESSIE GEN
50% van depressies zijn genetisch bepaald
LEVEN OP AARDE
Homosapiens: soort van alle mensen
Y-chromosomal Adam: alle mannen hebben een Y-chromosoom, afkomstig van de
vader
Mitochondrial Eve: de meest recente vrouw van wie alle mensen afstemmen, is
doorgegeven via de moeder door transmissie van mitochondriaal DNA
Wit Europeanen bevatten allemaal DNA van neanderthalers; afkomstig van Afrikanen
GENETISCHE VARIATIE
Alle mensen zijn 99.9% identiek, de 0.1% maakt onderscheid tussen mensen
DNA is opgemaakt uit 4 nucleotiden: A-T en C-G
3 nucleotiden vormen een aminozuur, ca. 20 aminozuren vormen een eiwit
Evolutie wordt gebaseerd op; variatie, erfelijkheid, strijd om te bestaan, overlevings- en
voortplantingskansen
MAJOR DEPRESSION EN GENETICA
Monozygote tweeling: identiek DNA en gedeelde omgeving
Dizygote tweeling: DNA vergelijkbaar als broer en zus, maar gedeelde
baarmoederomgeving
Erfelijkheid van major depressie is 40-50%, en mogelijk hoger voor ernstige depressie
NIET GENETISCHE FACTOREN EN DEPRESSIE
Ernstige fysieke of seksuele mishandeling, emotioneel of fysieke verwaarlozing tijdens
jeugd, en andere ernstige levensstressoren
DNA
Karyotype: georganiseerde set chromosomen
46 chromosomen, 22 identieke paren van vader/moeder, 1 geslachtspaar
Vrouw: XX, man: XY X chromosoom is langer dan Y
Genoom: het geheel van genetische informatie van een organisme
Chromosoom: een lange draad DNA rondom histones
Telomere: deel aan eind van chromosoom wat DNA beschermt tijdens celdeling
Gen: deel van DNA met de instructie voor een bepaalde proteïne
,Allel: alternatieve vormen van een gen gevonden op dezelfde plek op een chromosoom
RNA
Bij transcriptie wordt DNA omgezet in RNA
U i.p.v. T bij nucleotiden
RNA is korter
RNA kan wel de celkern verlaten, DNA niet
MRNA
RNA wordt gesplitst in messenger RNA
Introns: blijven in de kern (en worden gerecycled), blijven dus niet in mRNA
Exons: verlaten de kern, blijven dus wel in mRNA
MRNA verbindt met het ribosoom, en elk mRNA codon voegt samen met een tRNA
anticodon
PROTEINES
Proteïnes: bouwblokken van het lichaam
Kan deel worden van celmembraan om receptoren te vormen voor
neurotransmitters of hormonen
Zijn deel van de celstructuur en functie
Combineren met andere proteïnes en ijzer om zuurstof te vervoeren
Vormen ribosomen
Onderdeel van immuunsysteem
Kunnen functioneren als neurotransmitter of hormoon
Kunnen dienen als brandstof
Kan een enzym zijn om chemische reacties te metaboliseren
Tandem repeat/satelliet DNA: herhaalde duplicatie van een DNA sequentie of kort
herhaalde basenparen sequentie
Insertie/deletie: toevoeging of verlies van 1 of meer nucleotiden
Inversie/translocatie/duplicatie: verandering in deel van chromosoom
Epigenetica: studie van erfelijke fenotype veranderingen die geen veranderingen in DNA
bevatten
veroorzaakt door stress/eten/roken/straling/etc.
COLLEGE 2; COMMUNICATIE EN HET ENDOCRIENE
SYSTEEM
LICHAMELIJKE REACTIES
Spreek angst: kan variëren van lichte nerveusheid tot een grote angst,
trillen/zweten/kriebels in buik/droge mond/snelle hartslag/piepende stem
Teken van een acute stress reactie; versnelde hartslag, snelle ademhaling,
gespannen spieren, geherdistribueerde energie
Brein-naar-lichaam communicatie; via snelle of langzamere stress reactie route
Autonome zenuwstelsel en adrenaline & cortisol
,Hypothalamus verwerkt informatie – doorgestuurd naar hogere orde – hippocampus
vergelijkt situaties – amygdala bepaalt emotie – hypothalamus activatie leidt tot
hormoon secretie
DIERLIJKE CELLEN
Celmembraan: rand om cel, laagje vet, maakt intra en extra cellulaire communicatie
mogelijk
Bestaat uit fosfolipiden; soort kikkervisjes
Kopjes/buitenkant is hydrofiel
Staart/binnenkant is hydrofoob
Ligand-gated ion channel: er moet eerst een stofje binden, voordat het kanaal open
gaat
G-protein coupled receptor: wanneer een stofje op de receptor bindt, wordt het G-
Proteïn eiwit geactiveerd, wat andere eiwitten activeert, en dan het kanaal opent
Cytoskelet: het inwendig skelet, de vorm van de cel, connectie met andere cellen,
transport binnen een cel. Proteïne filamenten functioneren in beweging en
support;
Microfilament
Intermediate filament
Microtubule
Bijv. een kinesine motor proteïne vervoert blaasje langs microtubule
Endoplasmatisch reticulum (ER):
Ruwe ER: bevat ribosomen eraan vast; eiwit synthese
Gladde ER: geen ribosomen; calcium opslag, synthese van zuren en steroïden
Golgi apparaat: laatste stap in eiwitten aanpassen, creëert blaasjes met product voor
secretie of celgebruik
Lysosoom: deel van cellulaire spijsvertering
1. Endocytose van bijv. voedseldeeltjes van buiten de cel
2. Lysosoom = blaasje gevuld met vele enzymen en een lage pH
3. Lysosoom voegt samen met voedsel blaasje
4. Spijsvertering/recyclen begint
5. Gerecyclede deeltjes worden gebruikt in de cel
Mitochondriën: bevatten hun eigen DNA, kunnen delen in cel, zijn de energie fabrieken
(ATP)
ATP-ADP cyclus: van ATP ADP; komt energie vrij door fosfaat groep die los
gaat, later wordt ADP weer ATP door energie uit metabolisme en voedsel
moleculen
In loop van de dag meer ADP en minder ATP in lichaam aanwezig, wordt ’s
nachts hersteld
CEL-CEL CONNECTIES
Desmosomen: flexibele connectie, bijv. huidweefsel
Tight junctions: laat geen stoffen passief door, stoffen moeten actief worden
opgenomen om er doorheen te kunnen komen, bijv. in je maag
, Gap junctions: verbinding tussen cellen waardoor signalen makkelijk kunnen worden
doorgegeven, bijv. hart cellen
HORMONEN
Stofje dat wordt afgegeven in de bloed baan, en op een andere plek in het lichaam op
een receptor bindt
Thymus: produceert cellen van het immuunsysteem, verdwijnt met leeftijd
Hypofyse: de belangrijkste klier, opgesplitst in anterieur en posterieur
Hypothalamus: ligt boven hypofyse, bestaat uit neuro-endocriene cellen (kan zowel
hormonen als neurotransmitters zijn)
Stimulerende stoffen: TRH, CRH, GnRH, GHRH
Remmende stoffen: dopamine en somatostatine
Hormonen via de posterieur hypofyse wordt direct afgegeven aan bloedbaan
Hormonen via de anterieure hypofyse gaan in 2 stappen:
1. Een releasing hormoon wordt aangemaakt
2. Releasing hormoon zorgt voor aanmaak goede hormoon
Anterieure hypofyse, belangrijkste hormonen;
TSH > schildklier > schildklier hormoon
ACTH > adrenaline klier > cortisol
LH/FSH > eierstokken en testikels
GH > groei
Prolactine > melkklieren (wordt vaak geremd door dopamine)
Posterieure hypofyse, belangrijkste hormonen;
Oxytocine: melk secretie en baarmoeder contracties gedurende geboorte
ADH/vasopressin/AVP: water behoud uit nieren en vasoconstrictie
CHEMISCHE KLASSES VAN HORMONEN:
Monoaminen:
Hormonen afgeleid van een aminozuur; schildklierhormoon, adrenaline, noradrenaline,
dopamine
Catecholamines: (dopamine/noradrenaline/adrenaline) zijn afgeleid van tyrosine, speelt
een rol in acute stress reactie
Bijnier: klier die bestaat uit een schors en de medulla (binnenkant)
Medulla maakt adrenaline en noradrenaline aan als reactie op sympathische activatie
van het autonome zenuwstelsel (snelle route)
Schors maakt cortisol aan als reactie op ACTH
Schildklierhormoon: heeft jodium nodig voor productie
1. Hypothalamus geeft thyroid releasing hormone (TRH) af
2. Hypofyse geeft thyroid stimulating hormone (TSH) af
3. Schildklier geeft schildklier hormoon (T3 en T4) af
Schildklierhormoon effecten:
Hypothyroidism: laag in schildklierhormoon; langzaam metabolisme,
gewichtstoename
Hyperthyroidism: zweet uitbraken, hoge lichaamstemperatuur