9.1 De Industriële Revolutie
In 1750 vindt de Industriële Revolutie in Engeland plaats. De agrarisch-urbane
samenleving veranderde hierdoor in een industriële samenleving (De industriële
revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving)
De Industriële Revolutie kon ontstaan doordat de Engelse economie sterk groeide:
- Nieuwe uitvindingen maakte het mogelijk om sneller stoffen te weven.
- Verbeteringen in de landbouw d.m.v. wetenschappelijke kennis →
opbrengsten namen sterk toe → veel voedsel → bevolkingsgroei → meer
vraag naar voedsel en textiel (+ extra werkkrachten beschikbaar)
- Koloniën produceerde goedkope grondstoffen & waren afzetmarkt
- Uitvinding van de stoommachine maakte massaproductie mogelijk
De Industriële Revolutie had veel gevolgen voor de samenleving:
- Veel mensen trokken van het platteland naar de steden: urbanisatie
- Huisnijverheid verdween
- Aanleg van infrastructuur: spoorwegen en kanalen
- Standenmaatschappij veranderde in klassenmaatschappij
- Arbeidersklasse leefde onder slechte omstandigheden (Discussies over de
sociale kwestie)
- Ontstaan kapitalisme en economisch liberalisme
Industriëlen trokken niet alleen op economisch gebied macht naar zich toe, ze gingen een
steeds belangrijkere rol spelen in de politiek. De adel en kooplieden enz waren hier niet zo
blij mee. De arbeidersklasse die ontstond leefde onder slechte omstandigheden. De
middenklasse kreeg een steeds beter bestaan door de stijgende koopkracht
(producten minder duur door massaproductie) → leidt tot zelfbewustwording en
streven naar politieke invloed. Bovendien begon de overheid zich te bemoeien
met dingen zoals onderwijs, watervoorziening, riolering en afvalverwerking.
Tijdens de Industriële Revolutie ontstaat de moderne vorm van het kapitalisme: mensen
produceren met het doel om winst te maken op de vrije markt. Dit kapitalisme
richt zich op de productie van goederen ipv het verhandelen ervan, zoals bij het
handelskapitalisme. Het moderne kapitalisme kon zich ontwikkelen doordat
mensen anders gingen denken over de relatie tussen staat en economie: staat
zou zich voortaan alleen bezig moeten houden met het functioneren van de
economie, niet met de lonen, etc. Een ‘onzichtbare’ hand zou zorgen voor een
evenwicht in de vrije markt economie → economisch liberalisme → veel vrijheid
voor ondernemers maar weinig bescherming voor arbeiders.