Open Universiteit - Schakelzone
Europees recht RS0442-252633S
Inhoudsopgave
Leereenheid 0: de EU als rechtsorde..............................................................................2
Leereenheid 1: Europese (markt) integratie)..................................................................3
Leereenheid 2: Non-discriminatie en vrij verkeer van goederen.....................................4
Leereenheid 3: Vrij verkeer van personen (EU-burgerschap) en diensten......................5
Leereenheid 4: Vrij verkeer kapitaal en de Economische en Monetaire EU.....................6
Leereenheid 5: Rechtsbescherming................................................................................8
Leereenheid 6: Mededinging.........................................................................................10
Leereenheid 7: Extern beleid........................................................................................12
1
, Leereenheid 0: de EU als rechtsorde
Europese integratie: het proces waarbij Europese landen steeds meer
samenwerken en hun beleid op elkaar afstemmen.
Primair recht: de basisverdragen van de EU (VEU, VWEU, Handvest van
de Grondrechten).
Secundair recht: EU-wetgeving die op basis van de verdragen wordt
gemaakt door EU-instellingen.
Intergouvernementele samenwerking: samenwerking waarbij
lidstaten zelf de volledige controle houden.
Supranationale samenwerking: samenwerking waarbij landen
bevoegdheden overdragen aan een organisatie boven de staten (zoals de
EU).
Instellingen: de officiële EU-organisaties genoemd in art. 13 VEU.
Organen / instanties: EU-organisaties die geen officiële instelling zijn,
maar ondersteunende taken hebben.
Gewone wetgevingsprocedure: de standaard manier waarop EU-
wetten worden gemaakt door Parlement en Raad op voorstel van de
Commissie.
Bijzondere wetgevingsprocedure: procedure waarbij de Raad meestal
meer macht heeft en het Parlement een kleinere rol speelt.
Algemene rechtsbeginselen: fundamentele regels die richting geven
aan het EU-recht.
Constitutieve beginselen: beginselen die bepalen welke
bevoegdheden de EU heeft.
Attributiebeginsel: EU mag alleen handelen als bevoegdheden in de
verdragen staan.
Subsidiariteitsbeginsel: EU treedt alleen op als lidstaten het probleem
niet zelf kunnen oplossen.
Evenredigheidsbeginsel: EU-maatregelen mogen niet verder gaan dan
nodig.
Ondersteunende bevoegdheid: EU mag alleen ondersteunen.
Loyaliteitsbeginsel: lidstaten en EU moeten samenwerken en zorgen
voor effectieve toepassing van EU-recht.
Voorrang: EU-recht gaat altijd vóór nationaal recht.
2