Samenvatting
Week 1 - aard en omvang jeugdcriminaliteit
Deze week gaat het over de aard en de omvang van jeugdcriminaliteit
Trends in jeugdcriminaliteit
Over het algemeen zien we een forse daling in de jeugdcriminaliteit sinds 2015. We moeten hierbij
kritisch zijn en kijken of er een werkelijke daling is in de jeugdcriminaliteit, of dat er iets aan de
hand is met het aantal geregistreerde verdachten.
Geregistreerde jeugdige verdachten zijn de jongeren die door de politie o cieel zijn geregistreerd,
Ze zijn aangehouden of worden formeel verdacht van een strafbaar feit. We zijn dat dit aantal is
gedaald sinds 2015. Voor een kritische beoordeling van deze daling, moeten we ook rekening
houden met waarom er een daling is in de registratiecijfers.
Het kan namelijk te maken hebben met;
• Meer dark numbers
Dit zijn de onbekende of niet-geregistreerde criminaliteit. Hoe groter de dark number, hoe
minder volledig het beeld van jeugdcriminaliteit is op basis van de registraties.
• Een ander vervolgingsbeleid
• Meer inzet en uitvoering van de politie
• De verdenkingskans
Dit is de kans dat een jongere uit een bepaalde groep door de politie als verdachte wordt
geregistreerd. Het zegt iets over hoe vaak jongeren verdacht niet, maar niets over hoeveel
criminaliteit echt wordt gepleegd
• Sociale wenselijkheid bij zelfgerapporteerde jeugdcriminaliteit.
—> in de zelfrapportages worden geweldsdelicten het meest gerapporteerd. Bij geregistreerde
verdachten worden vermogensdelicten het vaakst geregistreerd.
Echter, zien we ook terug dat er wel een daadwerkelijke daling is in de jeugdcriminaliteit.
In het artikel Berghuis & de Waard genaamd ‘verdampende jeugdcriminaliteit’, worden er aantal
verklaringen gegeven voor de reële daling van de jeugdcriminaliteit.
De auteurs onderscheiden drie categorieën;
1. Willen
Ten eerste bestaat er minder behoefte om strafbare feiten te plegen. Ter ondersteuning van dit
argument, benoemen de auteurs hier een aantal redenen voor. Zo is er bijvoorbeeld;
a. Minder middelengebruik
—> Er is een sterke daling in het gebruik van middelen onder jongeren. Ook het
alcoholgebruik onder jongeren is sterk afgenomen. Dit zorgt ervoor dat dit enerzijds
minder drukkend werkt op geweldsincidenten, en ook anderzijds dat omdat
middelengebruik vaak samengaat met slechte verhoudingen met familie/gezin/school,
grote gerichtheid op vrienden en een beperkte zelfbeheersing, dat ook minder wordt.
b. Meer tevredenheid over het leven
—> In de periode van 2002 tot 2012 is er een onderzoek gedaan over de tevredenheid
die jongeren ervaren over het leven. Over het algemeen zijn jongeren tevreden over het
leven, wat onder andere verband houdt met gezondheid, inkomen, sociale contacten en
een gevoel van veiligheid. In die zin staat ook meer op het spel als zij criminaliteit plegen.
c. Minder voortijdige schoolverlaters
—> Het aantal vroegtijdige schoolverlaters in het voortgezet onderwijs is enorm gedaald.
Op het moment dat je op school zit heb je meer dagbesteding, waardoor je ook minder
snel geneigd bent om criminaliteit te plegen.
d. Meer schermtijd
—> Jongeren besteden hun tijd veel vaker online, dat zorgt ervoor dat ze minder vaak op
straat hangen, en in die zin ook minder geneigd zijn om criminaliteit te plegen.
De verandering in deze vier factoren kunnen ervoor zorgen dat jongeren over het algemeen
minder criminaliteit willen plegen.
1
ffi
, Strafrechtelijk ingrijpen
2. Kunnen
Vervolgens kunnen jongeren ook minder criminaliteit plegen. De mogelijkheid tot het plegen van
criminaliteit is namelijk beperkter geworden, doordat er simpelweg meer beveiliging is. Dit is de
beveiligingshypothese; het is moeilijker geworden om criminaliteit te plegen, omdat alles beter en
meer beveiligd is.
Echter, de beveiliging ziet vooral op vermogensdelicten. De afname voor jeugdcriminaliteit is
breder dan alleen de afname in vermogensdelicten, het gaat namelijk om allerlei soorten delicten.
Het feit dat alles beter beveiligd is kan een verklaring zijn voor de afname in de jeugdcriminaliteit,
maar verklaard niet alles.
3. Mogen
Ten slotte is er ook iets veranderd in het normatieve klimaat ten aanzien van criminaliteit. In de
jaren 70 was de kijk op criminaliteit heel anders dan nu. Tegenwoordig is er steeds meer afkeuring
jegens het plegen van criminaliteit. Dit zet ook een rem op de neiging om criminaliteit te plegen.
Daarnaast blijkt uit onderzoek dat jongeren steeds meer behoefte hebben aan de traditionele
burgerlijkheid. Hier past het plegen van criminaliteit niet bij.
Deze drie factoren kunnen een invloed hebben op de jeugdcriminaliteit, die de daling ervan
verklaard. Maar, het eerlijke antwoord is dat we het in de realiteit niet goed weten. De daling kan
van zoveel factoren afhankelijk zijn, dat we er geen vinger op kunnen leggen. Farrell (2008)
Kenmerken van jeugdige verdachten
We zien dat er een oververtegenwoordiging is van jeugdigen met bepaalde (sociale) kenmerken in
de geregistreerde criminaliteit. Dat dit zo is, komt enerzijds simpelweg door de weerspiegeling van
het delictgedrag, maar ook anderzijds de selectiviteit/ongelijkheid in het jeugdstrafrechtssyteem.
Een belangrijke opmerking om erbij te maken is dat er geen sprake is van een causaal verband.
Zo zie je dat er een oververtegenwoordiging is, onder andere bij;
• De leeftijd
—> In de leeftijd van 16-21 is er een piek in de criminaliteitscijfers. Die curve is terug te zien in
verschillende jaren, in verschillende landen.
• Het geslacht
—> Over het algemeen is er een oververtegenwoordiging in jongens dan meisjes. Jongens
hebben daarmee ook een veel grotere verdenkingskans
• Herkomst
—> Ten aanzien van de herkomst van jongeren, is er een oververtegenwoordiging bij
Caribische, Surinaamse, Marokkaanse jongeren.
• SES
—> Jongeren uit gezinnen met een laag SES zijn sterk oververtegenwoordigd.
• Vroegtijdige schoolverlaters
—> Er is een grote oververtegenwoordiging in de vroegtijdige schoolverlaters. Ondanks dat er
een grote oververtegenwoordiging is, betekent niet dat er een causaal verband bestaat. Het
betekent dus niet dat indien je school vroegtijdig zou verlaten, je per de nitie jeugdcriminaliteit
gaat laten zien.
• Huishoudsamenstelling
—> Jongeren uit een instelling zijn met name oververtegenwoordigd. Dit is ook logisch,
aangezien zij meer kans hebben om in aanmerking te komen met de politie, aangezien zij hier
vaker aan worden blootgesteld.
• Woonplaats
—> We zien dat jongeren in grotere steden meer oververtegenwoordigd zijn dan jongere uit
kleinere gemeenten.
• LVB/Psychische problematiek
—> ten slotte zien we een oververtegenwoordiging in jongeren met een LVB en psychische
problematiek.
Deze sociale kenmerken zijn oververtegenwoordigd omdat het dus deels wordt verklaard door de
weerspiegeling van het delictgedrag.
2
fi
, Strafrechtelijk ingrijpen
Maar, ook selectiviteit en ongelijkheden spelen een rol in het jeugdstrafrecht.
Uit het rapport van Bezemer en Leerkes, blijkt dat er nog een aantal factoren zijn die een sterk
e ect hebben op de verdenkingskans. De verdenkingskans is de kans dat een jongere als
verdachte wordt aangemerkt door politie, scholen, burgers of andere instanties, los van of de
jongere daadwerkelijk een strafbaar feit heeft gepleegd. Deze groepen hebben dus een grotere
kans om verdacht te worden bij hetzelfde delict. Dit hangt enerzijds af van de pakkans (de kans
dat een strafbaar feit bekend wordt), maar ook de kans dat een verdenking geregistreerd wordt.
Aantal kenmerken dat een sterk e ect heeft op de verdenkingskans;
1. Het geslacht
Jongens worden vaker verdacht dan meisjes. Meisjes worden gezien als minder problematisch.
Als meisjes wel gepakt worden, krijgen ze ook vaker een minder erge straf, omdat ze als minder
gevaarlijk worden beschouwd.
2. Een verstedelijkt omgeving
In rurale gebieden is er wat minder politie-inzet. Maar, in deze gebieden kennen mensen elkaar
ook beter. Er is daarmee als het ware een informele controle. Dit zou ook kunnen bijdrage dat
mensen uit een grote stad vaker terugkomt in politiecijfers.
3. Sociaal-economische status (vooral opleidingsniveau)
Jongeren met een laag SES worden vaker verdacht dan jongeren met een hoger SES. Als iemand
hoog opgeleid is, kan iemand zijn crimineel gedrag wat meer maskeren. Omdat jongeren met een
hoger SES worden gezien als mensen met meer maatschappelijke potentie, doet de politie meer
informele afdoeningen. Jongeren met een hoger SES doen ook meer moeite om crimineel gedrag
te verhullen, omdat er zoveel op het spel staat.
4. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond
Deze jongeren komen veel vaker voor in de politiecijfers, en worden ook vaker verdacht. De
auteurs brengen dit ook in verband met het feit dat deze jongeren vaker in grote steden wonen,
waar meer politie-inzet is, en hebben vaak een lagere SES. Maar zelfs als we al deze factoren
meenemen, hebben deze jongeren nog steeds een grotere kans om verdacht te worden. Dit wijst
op discriminatie, vanuit de politie, maar ook vanuit de burgers. Burgers gaan misschien sneller
een melding maken, omdat er bepaalde vooroordelen heersen over deze jongeren.
Wat ook voorkomt, is dat er tussen deze jongeren en de politie spanningen bestaan. Omdat de
jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker gelabeld worden, hebben zij ook
steeds minder vertrouwen in het rechtssysteem. Als er minder vertrouwen is in de politie, kan dit
op zijn beurt ook weer ervoor zorgen dat deze jongeren meer weerstand vertonen in de interactie
met de politie. De politie zal dan weer harder optreden. Dit kan leiden tot een visuele cirkel.
We zien dit terug in de beslissing tot vervolging, voorlopige hechtenis en de straftoemeting.
Aanbevelingen
Wat zouden we dan moeten doen? Het rapport geeft ook een aantal aanbevelingen om het
probleem van ongelijkheid aan te pakken;
• Politieonderwijs; meer aandacht aan de verschillende vormen van selectiviteit.
• Gebiedsgebonden politie; preventie van criminaliteit door nauwe persoonlijke banden aan te
gaan
• Politielessen op basisscholen en middelbare scholen;
• De Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit standaard uit te breiden met koppelingen met
politiegegevens op individueel niveau.
• Sociale wenselijkheid in de MZJ verder evalueren + uitbreiden met enkele vragen over
zichtbaarheid van crimineel gedrag
• Bredere aandacht voor sociale wenselijkheid
• Verbreding van het debat
3
ff
ff