Samenvatting
Week 1 - inleiding en kinderbeschermingsmaatregelen
In deze week staan kinderbeschermingsmaatregelen centraal. Welke maatregelen kunnen we
toepassen, en wanneer moeten we ingrijpen en hebben we daarin een goede balans gevonden?
In sommige gezinssituaties moeten we kijken of de staat zou moeten ingrijpen bij de (gebrek aan)
verzorging en opvoeding van de kinderen. We zouden dan moeten overwegen of er een
kinderbeschermingsmaatregel opgelegd zou moeten worden en of dit juridisch gezien mogelijk
zou zijn.
De verschillende kinderbeschermingsmaatregelen die toegepast kunnen worden zijn;
• Ondertoezichtstelling (OTS)
• OTS met uithuisplaatsing (UHP)
• Voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS)
• Gezagsbeëindigende maatregel
• Schorsing van het gezag
• Voorlopige voogdij
Om op de juiste manier in te grijpen in de gezinssituaties, moeten we een aantal stappen
doorlopen.
Stap 1
De eerste stap is om te kijken of we de ouders vrijwillige hulpverlening kunnen aanbieden. Dit kan
eventueel via Veilig thuis.
Stap 2
Als de vrijwillige hulpverlening niet werkt, moeten we kijken of er gedwongen maatregelen via de
kinderrechter kunnen worden opgelegd. Dit zijn;
• OTS
• OTS met uithuisplaatsing
• In pleeggezin/gezinshuis
• In instelling (open of gesloten)
• Gezagsbeëindigende maatregel
• Spoed? Voorlopige OTS, schorsing gezag of voorlopige voogdij.
De maatregelen zullen we nu nader uiteenzetten.
Ondertoezichtstelling (OTS), artikel 1:255 BW
De procedure tot OTS begint bij het verzoek. Dit verzoek kan worden ingesteld door degene die
zijn opgesomd in lid 2 van het artikel. Dit zijn de Raad voor de Kinderbescherming, het OM, de
ouder of niet-ouder die het kind opvoed.
De kinderrechter zal over dit verzoek een oordeel vellen. Hij zal daarbij kijken of er voldaan is aan
de drie gronden die noodzakelijk zijn voor de oplegging van een OTS. Deze zijn;
a. Een ernstige ontwikkelingsbedreiging
b. Hulp niet of onvoldoende accepteren
c. De verwachting dat de ouders binnen een gerechtvaardigd termijn de verantwoordelijkheid
weer op zich kunnen nemen.
Uit de jurisprudentie blijkt dat als ouders de hulp wel accepteren, maar niet daadwerkelijk
benutten, er ook alsnog OTS kan worden opgelegd. Dat de ouder niet in staat is om de zorg
daadwerkelijk te benutten, maar wel bereid is tot acceptatie van de hulp, staat niet in de weg aan
de oplegging van de ondertoezichtstelling.
Het gevolg van de oplegging van de OTS is dat het gezag van de ouders wordt beperkt. OTS is
dus dan ook alleen mogelijk als er sprake is van gezag.
1
, Civielrechtelijk ingrijpen
De G.I. maakt een plan, houdt toezicht en geeft indien nodig schriftelijk aanwijzingen. Degene die
de OTS uitvoert is niet degene die zelf de hulp verleent.
Voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS), Artikel 1:257 BW
De voorlopige ondertoezichtstelling wordt alleen ingezet bij spoedsituaties.
Wederom begint de procedure bij het verzoek. Degene die de VOTS kunnen verzoeken, zijn
dezelfde als bij OTS, art 1:257 lid 2 jo 1:255 lid 2 BW
De rechter zal weer een beslissing maken in de zaak, waarbij hij gaat kijken of er;
a. En ernstig vermoeden bestaat dat aan de grond voor OTS is voldaan, en
b. Noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
De duur voor de VOTS is maximaal 3 maanden. Wat bijzonder is, is dat deze maatregel genomen
kan worden zonder het horen, mits er binnen 2 weken alsnog wordt gehoord, artikel 809 lid 3 RV.
Deze maatregel gaat bijna altijd samen met uithuisplaatsing. Verder is er op grond van artikel 804
Rv geen hoger beroep mogelijk. Dit is wel mogelijk ten aanzien van uithuisplaatsing.
Uithuisplaatsing (UHP), artikel 1:265b BW
Het allerbelangrijkste bij UHP is dat het alleen gedaan kan worden indien er al een OTS is.
Wederom begint de procedure bij het verzoek aan de rechter. De verzoekers staan opgesomd in
lid 2 en 3 van het artikel. Het is de G.I, RvdK, of het OM. Tijdens de OTS is er altijd een
machtiging van de kinderrechter nodig, artikel 1:265a BW.
De rechter zal een beslissing maken, waarin hij gaat toetsen aan de volgende grond;
• Is UHP noodzakelijk in verband met opvoeding en verzorging of onderzoek naar lichamelijk/
geestelijk gesteldheid (observatieplaatsing).
De duur van de UHP is maximaal 1 jaar, die telkens met een jaar kan worden verlengd. De looptijd
van UHP mag niet langer zijn dan de OTS. De tenuitvoerlegging moet binnen 3 maanden
gebeuren, anders vervalt de machtiging, art 1:265c BW.
Het gevolg van de UHP is dat de ouder niet meer de verblijfsplaats van het kind mag bepalen. Het
kind zal bij voorkeur naar een pleeggezin gaan, maar als dat niet mogelijk is, naar een open
instelling en onder voorwaarden gesloten jeugdhulp. Ook kan de G.I op grond van art 1:265f BW
de contacten tussen ouder en kind tijdens uithuisplaatsing beperken.
Voorts zijn er nog vergaande beperkingen;
Art 1:265e BW: Gedeeltelijke gezagsuitoefening door GI waardoor deze beslist over;
• Aanmelding onderwijsinstelling
• Medische behandeling van 12minner of ouder kind dat zijn eigen belangen niet kan inschatten
• Het doen van een aanvraag voor en verblijfsvergunning.
Gesloten jeugdhulp
In gesloten jeugdhulp wordt het kind echt van zijn vrijheid beroofd. Er zijn drie soorten;
a. Machtiging gesloten jeugdhulp, artikel 6.1.2. JW
b. Voorlopige machtiging jeugdhulp, artikel 6.1.3. JW. Dit is voor spoedgevallen
c. Voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, artikel 6.1.4. JW. Opname afwenden door het
stellen en het naleven van voorwaarden.
Voor de gesloten jeugdhulp is er altijd een machtiging van de kinderrechter nodig. De verzoekers
staat in artikel 6.1.8 JW. Dit zijn het College van B&W, en de RvdK, het OM en de G.I.
Het kind krijgt ambtshalve een advocaat.
De rechter zal een beslissing nemen waarbij het gaat toetsen aan de volgende gronden, artikel
6.1.2 JW;
a. Noodzakelijk in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling
ernstig belemmeren, en
b. Opneming en verblijf is noodzakelijk om ontrekkingsgevaar te voorkomen, en
c. Geen minder ingrijpende mogelijkheid.
2
, Civielrechtelijk ingrijpen
Daarnaast moet er ook voldaan aan de voorwaarden van lid 3 en 5;
a. Jeugdige is onder toezicht gesteld, en staat onder instellingsvoogdij of de ouders/wettelijke
vertegenwoordigers hebben ingestemd.
b. De instemming van een gedragswetenschapper.
Gezagsbeëindiging, Art. 1:266 BW
Deze procedure wordt gestart door een verzoek tot gezagsbeëindiging. Deze kan worden
verzocht door degene opgesomd in artikel 1:267 lid 1 BW. Dit zijn de RvdK en het OM. Daarnaast
kan ook een niet-ouder die het kind minimaal 1 jaar verzorgt, de G.I. een vraag indienen.
Het is belangrijk om te weten dat de ouders met gezag zelf NIET een verzoek kunnen doen.
De rechter gaat aan de volgende voorwaarden toetsen;
a. Een minderjarige groeit zodanig op dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
b. De ouder is niet in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging binnen een aanvaardbaar
termijn te dragen OF de ouder misbruikt het gezag.
Als gevolg van de beëindiging van het gezag, raakt een ouder (of beide) hun recht kwijt om
beslissingen te nemen over het kind. De rechtsgevolgen staan in artikel 1:274 en 1:275 BW.
De volgende situaties zijn mogelijk;
a. Indien er gezamenlijk gezag was, en 1 ouder verliest gezag —> dan is de
gezagsuitoefening enkel door de andere ouder met gezag.
b. Indien er gezamenlijk gezag was, en beide ouders verliezen het gezag —> dan wordt de
voogdij overgenomen door de G.I. of 1 of 2 andere personen.
c. Indien er eenhoofdig gezag was, en de ouder raakt deze kwijt —> dan wordt de
gezagsuitoefening op verzoek overgedragen aan de ouder zonder gezag, OF neemt de G.I.
de voogdij over of 1 of twee personen.
Schorsing van het gezag, Art. 1:268 BW
Deze procedure begint weer met een verzoek. De verzoekers zijn hetzelfde als bij de
gezagsbeëinding, artikel 1:268 lid 4 jo. Artikel 1:267 BW.
De rechter zal op de volgende gronden toetsen;
a. Er is een ernstig vermoeden dat aan de grond voor gezagsbeëindiging is voldaan, en
b. Het is noodzakelijk om ene acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen
OF ouders met het gezag weigeren toestemming voor medische behandelingen die
noodzakelijk zijn om een ernstig gevaar voor de gezondheid voor een 12 minner of oudere
minderjarige die niet in staat is diens belangen in te schatten af te wenden.
De duur van de schorsing is maximaal 3 maanden, tenzij voor het einde van deze termijn
gezagsbeëindiging is verzocht. De volgende situaties zijn mogelijk;
a. Indien er gezamenlijk gezag was, en 1 ouder is geschorst van zijn gezag —>
gezagsuitoefening door de andere ouder, of voorlopige voogdij door de G.I. (dan wordt de
andere ouder ook in zijn gezag geschorst)
b. Indien er gezamenlijk gezag was, en beide ouder zijn geschorst van hun gezag, of een
ouder met eenhoofdig gezag is geschorst —> voorlopige voogdij door de G.I.
Voorlopige voogdij, Art. 1:241 BW
Deze maatregel word bij spoedgevallen ingezet. Het kan worden verzocht door de RvdK of het
OM.
De rechter kan toetsen aan de volgende gronden;
a. Een minderjarige staat niet onder het wettelijke vereiste gezag, OF het gezag wordt niet
daadwerkelijk over de minderjarige uitgeoefend, en
b. Het is dringend en onverwijld noodzakelijk om in de gezagsuitoefening te voorzien om de
belangen van de minderjarige te behartigen.
De G.I. krijgt dan de voorlopige voogdij. De maximale duur is 3 maanden, tenzij voor het einde
van dit termijn om een gezagsvoorziening is verzocht.
3