BECO TW3 – H3 + H5 – H13 + H16 – H23
H3 – balans, winst en verliesrekening en liquiditeitsoverzicht
Balans:
Bezittingen Financieringen
Vaste activa1 Lang vreemd vermogen5
2
Vlottende activa Kort vreemd vermogen6
Debiteuren3 Crediteuren7
4
Liquide middelen
1 Productiemiddelen die langer dan één productieproces of een jaar meegaan.
2 Productiemiddelen die één productieproces of korter dan een jaar meegaan.
3 Bij verkoop op rekening betalen de afnemers later.
4 Alles waar je mee kunt betalen: kas en bank.
5 Geleend geld met een looptijd langer dan één jaar.
6 Geleend geld met een looptijd korter dan één jaar.
7 Bij inkoop op rekening betaald de organisatie later, dit is een schuld.
Verlies en winstrekening scontrovorm
Verlies en winstrekening pagina/ staffelvorm
Bij handel: Bij diensten:
Omzet1 Omzet
2
Inkoopwaarde van de omzet - Kosten3 -
Brutowinst Nettowinst
Bedrijfskosten -
Nettowinst
1 Alles wat een onderneming in een periode heeft verkocht, uitgedrukt in geld. Het
maakt niet uit of het geld al ontvangen is of niet.
2 Het bedrag waar de onderneming de goederen voor heeft ingekocht. Met dit bedrag
neemt bij verkoop de voorraad op de balans af en neemt IWO toe.
3 Als de onverdeelde winst afneemt heb je kosten
Er is een boeking op de V&W als de onverdeelde winst verandert.
Standaard liquiditeitsoverzicht
Ontvangsten
Uitgaven -
Saldo ontvangsten uitgaven
Saldo liquide middelen begin +
Saldo liquide middelen eind
, BECO TW3 – H3 + H5 – H13 + H16 – H23
H5 – verzekeren, studeren, sparen en lenen
Verzekeren:
Bij verzekeringen verplicht de verzekeraar zich om tegen ontvangst van een premie de
verzekerde schadeloos te stellen vanwege een verlies, schade of gemis van een verwacht
voordeel door een onzeker voorval.
Twee soorten verzekeringen:
Levensverzekering: verzekeringen waarbij het draait om leven en dood.
Schadeverzekering: alle overige verzekeringen.
Levensverzekering: een afspraak waarbij de verzekeraar uitkeert als iemand nog in leven is,
of dood is op een bepaalde datum in ruil voor een premie. De verschillende rollen zijn:
Verzekerde: op wiens leven de verzekering gebaseerd is.
De begunstigde: wie het geld ontvangt als de verzekering uitkeert.
De verzekeringnemer: de persoon wie de verzekering heeft afgesloten.
Het uitkeren kan in één keer plaatsvinden, maar ook over een langere tijd. Ditzelfde geldt
voor de premie.
Schadeverzekering: schadeloos stellen de schade die ontstaan is door een onzeker
voorval vergoeden. De afspraken bij schadeloos stellen zijn:
De verzekeraar vergoedt nooit meer dan de werkelijke schade
De verzekerde waarde = waarde waarvoor iets verzekerd is en zo wordt ook de
premie bepaalt.
De gezonde waarde = de werkelijke waarde net voor de schade.
verzekerde waarde
Verzekeringsbreuk =
gezonde waarde
Schade uitkering = verzekeringsbreuk x schadebedrag
Verzekerde waarde is lastig in te schatten:
Onderverzekering: verzekerde waarde < gezonde waarde
Oververzekering: verzekerde waarde > gezonde waarde
Premier Risque: afspraak waarbij de verzekeraar toch uitkeert ondank
onderverzekering.
Eigen risico = het 1e deel van de schade betaal je zelf. Dit kan per gebeurtenis zijn of per
periode, hoe hoger het eigen risico, hoe lager de premie.
Ook hier kan de premie in één keer betaald worden of periodiek.
, BECO TW3 – H3 + H5 – H13 + H16 – H23
Studeren:
Wat levert het jou op?: Je investeert tijd, geld en moeite in jezelf. Hiervoor krijg je kennis,
vaardigheden en een verhoging van je ontwikkelingsniveau terug. Een opleiding volgen
noemen we ook wel investeren in menselijk kapitaal.
Omscholen/ bijscholen: bijscholing is het aanleren van nieuwe methoden en technieken. Bij
omscholen ga je leren voor een ander vak.
Studeren en maatschappij: je kunt een opleiding volgen waar veel vraag naar is in de
maatschappij, wanneer je een opleiding volgt ben je van meerwaarde in de maatschappij.
Alle werkenden betalen belasting, dus hoe meer je werkt hoe meer je verdient hoe
meer je bijdraagt.
Studeren en zekerheid: het geeft geen zekerheid op een baan.
Sparen:
Het niet uitgeven van je inkomen dat overblijft na het betalen van belasting. Dit levert rente
op, dit is de beloning voor het beschikbaar stellen van je geld aan de bank. Dit krijg je
meestal periodiek bijgeschreven en er is sprake van samengestelde interest. De rente is
laag, omdat je weinig risico loopt. Er zijn vormen waar je altijd geld kan opnemen vrij
opneembaar en waar geld voor een bepaalde tijd op staat bijvoorbeeld deposito.
Lenen:
Lenen is het vergroten van je inkomen nu ten koste van je inkomen later. Je krijgt een
schuld. Je betaald rente over de schuld, deze reken je periodiek af en er is sprake van
enkelvoudige interest. De rente is hoger wanneer het risico tot wanbetaling groter is. soms
betaal je ook afsluitkosten deze betaal je eenmalig in het begin. Aflossen is het geld
terugbetalen, hiervan wordt je schuld minder. Bureau Kredietregistratie houdt alle leningen
bij, voordat een bank je dus geld gaat lenen kijken ze eerst in dit register. Consumptief
krediet zijn leningen bestemd voor consumenten.
Consumptief krediet:
Het ligt niet vast waar het geld voor gebruikt wordt. Vooraf wordt bepaald of de klant in staat
is om de lening terug te betalen (= kredietwaardigheid). Dit is voor de consument vrij duur
omdat de geldgever veel risico loopt.
Doorlopend krediet: de klant mag tot een bepaald maximum lenen voor een bepaalde tijd.
Het geleende bedrag hoeft niet in één keer te hoeven worden opgenomen.
Persoonlijke lening: de klant leent een bedrag en betaalt volgens een afgesproken schema
met vaste bedragen terug met rente. Er mag niet tussentijds worden opgenomen.
Het ligt wel vast waar het geld voor gebruikt wordt: consumenten kopen duurzame
consumptiegoederen, die zij op krediet kopen.
Koop en verkoop op afbetaling: een roerend goed wordt verkocht, de klant doet een
aanbetaling van tenminste 20% van het aankoopbedrag en betaalt het restant in minimaal
twee termijnen volgens de afspraken met rente. De klant is na levering eigenaar.
Huurkoop: bijna gelijk aan koop en verkoop op afbetaling, alleen is de klant hier pas eigenaar
na de laatste betaling.
H3 – balans, winst en verliesrekening en liquiditeitsoverzicht
Balans:
Bezittingen Financieringen
Vaste activa1 Lang vreemd vermogen5
2
Vlottende activa Kort vreemd vermogen6
Debiteuren3 Crediteuren7
4
Liquide middelen
1 Productiemiddelen die langer dan één productieproces of een jaar meegaan.
2 Productiemiddelen die één productieproces of korter dan een jaar meegaan.
3 Bij verkoop op rekening betalen de afnemers later.
4 Alles waar je mee kunt betalen: kas en bank.
5 Geleend geld met een looptijd langer dan één jaar.
6 Geleend geld met een looptijd korter dan één jaar.
7 Bij inkoop op rekening betaald de organisatie later, dit is een schuld.
Verlies en winstrekening scontrovorm
Verlies en winstrekening pagina/ staffelvorm
Bij handel: Bij diensten:
Omzet1 Omzet
2
Inkoopwaarde van de omzet - Kosten3 -
Brutowinst Nettowinst
Bedrijfskosten -
Nettowinst
1 Alles wat een onderneming in een periode heeft verkocht, uitgedrukt in geld. Het
maakt niet uit of het geld al ontvangen is of niet.
2 Het bedrag waar de onderneming de goederen voor heeft ingekocht. Met dit bedrag
neemt bij verkoop de voorraad op de balans af en neemt IWO toe.
3 Als de onverdeelde winst afneemt heb je kosten
Er is een boeking op de V&W als de onverdeelde winst verandert.
Standaard liquiditeitsoverzicht
Ontvangsten
Uitgaven -
Saldo ontvangsten uitgaven
Saldo liquide middelen begin +
Saldo liquide middelen eind
, BECO TW3 – H3 + H5 – H13 + H16 – H23
H5 – verzekeren, studeren, sparen en lenen
Verzekeren:
Bij verzekeringen verplicht de verzekeraar zich om tegen ontvangst van een premie de
verzekerde schadeloos te stellen vanwege een verlies, schade of gemis van een verwacht
voordeel door een onzeker voorval.
Twee soorten verzekeringen:
Levensverzekering: verzekeringen waarbij het draait om leven en dood.
Schadeverzekering: alle overige verzekeringen.
Levensverzekering: een afspraak waarbij de verzekeraar uitkeert als iemand nog in leven is,
of dood is op een bepaalde datum in ruil voor een premie. De verschillende rollen zijn:
Verzekerde: op wiens leven de verzekering gebaseerd is.
De begunstigde: wie het geld ontvangt als de verzekering uitkeert.
De verzekeringnemer: de persoon wie de verzekering heeft afgesloten.
Het uitkeren kan in één keer plaatsvinden, maar ook over een langere tijd. Ditzelfde geldt
voor de premie.
Schadeverzekering: schadeloos stellen de schade die ontstaan is door een onzeker
voorval vergoeden. De afspraken bij schadeloos stellen zijn:
De verzekeraar vergoedt nooit meer dan de werkelijke schade
De verzekerde waarde = waarde waarvoor iets verzekerd is en zo wordt ook de
premie bepaalt.
De gezonde waarde = de werkelijke waarde net voor de schade.
verzekerde waarde
Verzekeringsbreuk =
gezonde waarde
Schade uitkering = verzekeringsbreuk x schadebedrag
Verzekerde waarde is lastig in te schatten:
Onderverzekering: verzekerde waarde < gezonde waarde
Oververzekering: verzekerde waarde > gezonde waarde
Premier Risque: afspraak waarbij de verzekeraar toch uitkeert ondank
onderverzekering.
Eigen risico = het 1e deel van de schade betaal je zelf. Dit kan per gebeurtenis zijn of per
periode, hoe hoger het eigen risico, hoe lager de premie.
Ook hier kan de premie in één keer betaald worden of periodiek.
, BECO TW3 – H3 + H5 – H13 + H16 – H23
Studeren:
Wat levert het jou op?: Je investeert tijd, geld en moeite in jezelf. Hiervoor krijg je kennis,
vaardigheden en een verhoging van je ontwikkelingsniveau terug. Een opleiding volgen
noemen we ook wel investeren in menselijk kapitaal.
Omscholen/ bijscholen: bijscholing is het aanleren van nieuwe methoden en technieken. Bij
omscholen ga je leren voor een ander vak.
Studeren en maatschappij: je kunt een opleiding volgen waar veel vraag naar is in de
maatschappij, wanneer je een opleiding volgt ben je van meerwaarde in de maatschappij.
Alle werkenden betalen belasting, dus hoe meer je werkt hoe meer je verdient hoe
meer je bijdraagt.
Studeren en zekerheid: het geeft geen zekerheid op een baan.
Sparen:
Het niet uitgeven van je inkomen dat overblijft na het betalen van belasting. Dit levert rente
op, dit is de beloning voor het beschikbaar stellen van je geld aan de bank. Dit krijg je
meestal periodiek bijgeschreven en er is sprake van samengestelde interest. De rente is
laag, omdat je weinig risico loopt. Er zijn vormen waar je altijd geld kan opnemen vrij
opneembaar en waar geld voor een bepaalde tijd op staat bijvoorbeeld deposito.
Lenen:
Lenen is het vergroten van je inkomen nu ten koste van je inkomen later. Je krijgt een
schuld. Je betaald rente over de schuld, deze reken je periodiek af en er is sprake van
enkelvoudige interest. De rente is hoger wanneer het risico tot wanbetaling groter is. soms
betaal je ook afsluitkosten deze betaal je eenmalig in het begin. Aflossen is het geld
terugbetalen, hiervan wordt je schuld minder. Bureau Kredietregistratie houdt alle leningen
bij, voordat een bank je dus geld gaat lenen kijken ze eerst in dit register. Consumptief
krediet zijn leningen bestemd voor consumenten.
Consumptief krediet:
Het ligt niet vast waar het geld voor gebruikt wordt. Vooraf wordt bepaald of de klant in staat
is om de lening terug te betalen (= kredietwaardigheid). Dit is voor de consument vrij duur
omdat de geldgever veel risico loopt.
Doorlopend krediet: de klant mag tot een bepaald maximum lenen voor een bepaalde tijd.
Het geleende bedrag hoeft niet in één keer te hoeven worden opgenomen.
Persoonlijke lening: de klant leent een bedrag en betaalt volgens een afgesproken schema
met vaste bedragen terug met rente. Er mag niet tussentijds worden opgenomen.
Het ligt wel vast waar het geld voor gebruikt wordt: consumenten kopen duurzame
consumptiegoederen, die zij op krediet kopen.
Koop en verkoop op afbetaling: een roerend goed wordt verkocht, de klant doet een
aanbetaling van tenminste 20% van het aankoopbedrag en betaalt het restant in minimaal
twee termijnen volgens de afspraken met rente. De klant is na levering eigenaar.
Huurkoop: bijna gelijk aan koop en verkoop op afbetaling, alleen is de klant hier pas eigenaar
na de laatste betaling.