Literatuur college 1
Verschueren & Koomen hoofdstuk 1
Rispens et al. onderscheiden de volgende doelen/functies van diagnostiek;
probleemoplossing, plaatsing, selectie, classificatie en evaluatie. Een brede open
vraagstelling vergt een complexe diagnostische procedure, terwijl men bij een geïsoleerde
smalle vraagstelling soms kan volstaan met een afweging van een beperkt aantal alternatieven
om tot een besluit te komen.
Bij De Bruyn et al. en Pameijer & Van Beukering treffen we soortgelijke indelingen aan,
maar dan gepresenteerd als diagnostische vraagstellingen. Er zijn hierbij drie typen:
onderkennend, verklarend en indicerend (adviesgericht). Onderkennend omvat onder andere
classificatie, verklarend is verwant aan probleemoplossing en indicerend bevat
probleemoplossing en plaatsing. Pameijer & Van Beukering onderscheiden ook nog een
andere vorm van indicerende diagnostiek, namelijk veranderingsgerichte diagnostiek. Dit
verwijst naar het vroegtijdig beproeven en evalueren van een aanpak om reeds gedurende het
diagnostisch proces zicht te krijgen op wat al dan niet kansrijke interventies zijn. De Bruyn et
al. noemen nog verhelderende diagnostiek. Verheldering vindt meestal plaats aan het begin
van het proces. Ook noemen ze evaluatieve diagnostiek, wat volgt na de diagnostische
vraagstellingen die samen leiden tot probleemoplossing. Evaluatie is ook mogelijk tijdens het
proces (= monitoring).
Verhelderende diagnostiek heeft het diagnostisch handelen als resultaat; een ordening van de
klachten die de cliënt omschrijft en herkent en waarop diens hulpvragen betrekking hebben.
Bij een onderkennende vraagstelling zijn er drie mogelijkheden voor uitspraken/antwoorden
op de hulpvragen; (1) een objectieve beschrijving van aard, omvang en ernst van een
specifiek probleem, (2) een niveaubepaling van bepaalde ontwikkelingsgebieden of schoolse
vaardigheden en (3) de categorie/stoornis waartoe het probleemgedrag van de cliënt volgens
een classificatiesysteem behoort.
Verklarende diagnostiek mondt uit in een samenhangend beeld waarin één of meer condities
met een bepaalde mate van waarschijnlijkheid als verklaring voor het probleem gelden.
Bij een indicerende (adviesgerichte) vraagstelling behelst het eindproduct vaak een
uitspraak/antwoord op de hulpvraag over empirisch en/of theoretisch onderbouwde
aanbevelingen voor één of meer mogelijke interventies of soms ook de conclusie dat een
bepaalde interventie niet nodig/wenselijk is. Als er echter een meer begeleidingsgerichte
vraagstelling ligt, gaat de indicerende diagnostiek een stap verder en is deze gericht op een
uitspraak over de specifieke onderwijsbehoeften van een kind en de ondersteuningsbehoeften
van zijn opvoeders. Als laatst kan het ook nog een veranderingsgerichte vraagstelling
omvatten. Dit kan een uitspraak opleveren over de daadwerkelijke veranderbaarheid van
bepaald gedrag van het kind en diens opvoeders onder invloed van een bepaalde interventie.
Verschueren & Koomen hoofdstuk 1
Rispens et al. onderscheiden de volgende doelen/functies van diagnostiek;
probleemoplossing, plaatsing, selectie, classificatie en evaluatie. Een brede open
vraagstelling vergt een complexe diagnostische procedure, terwijl men bij een geïsoleerde
smalle vraagstelling soms kan volstaan met een afweging van een beperkt aantal alternatieven
om tot een besluit te komen.
Bij De Bruyn et al. en Pameijer & Van Beukering treffen we soortgelijke indelingen aan,
maar dan gepresenteerd als diagnostische vraagstellingen. Er zijn hierbij drie typen:
onderkennend, verklarend en indicerend (adviesgericht). Onderkennend omvat onder andere
classificatie, verklarend is verwant aan probleemoplossing en indicerend bevat
probleemoplossing en plaatsing. Pameijer & Van Beukering onderscheiden ook nog een
andere vorm van indicerende diagnostiek, namelijk veranderingsgerichte diagnostiek. Dit
verwijst naar het vroegtijdig beproeven en evalueren van een aanpak om reeds gedurende het
diagnostisch proces zicht te krijgen op wat al dan niet kansrijke interventies zijn. De Bruyn et
al. noemen nog verhelderende diagnostiek. Verheldering vindt meestal plaats aan het begin
van het proces. Ook noemen ze evaluatieve diagnostiek, wat volgt na de diagnostische
vraagstellingen die samen leiden tot probleemoplossing. Evaluatie is ook mogelijk tijdens het
proces (= monitoring).
Verhelderende diagnostiek heeft het diagnostisch handelen als resultaat; een ordening van de
klachten die de cliënt omschrijft en herkent en waarop diens hulpvragen betrekking hebben.
Bij een onderkennende vraagstelling zijn er drie mogelijkheden voor uitspraken/antwoorden
op de hulpvragen; (1) een objectieve beschrijving van aard, omvang en ernst van een
specifiek probleem, (2) een niveaubepaling van bepaalde ontwikkelingsgebieden of schoolse
vaardigheden en (3) de categorie/stoornis waartoe het probleemgedrag van de cliënt volgens
een classificatiesysteem behoort.
Verklarende diagnostiek mondt uit in een samenhangend beeld waarin één of meer condities
met een bepaalde mate van waarschijnlijkheid als verklaring voor het probleem gelden.
Bij een indicerende (adviesgerichte) vraagstelling behelst het eindproduct vaak een
uitspraak/antwoord op de hulpvraag over empirisch en/of theoretisch onderbouwde
aanbevelingen voor één of meer mogelijke interventies of soms ook de conclusie dat een
bepaalde interventie niet nodig/wenselijk is. Als er echter een meer begeleidingsgerichte
vraagstelling ligt, gaat de indicerende diagnostiek een stap verder en is deze gericht op een
uitspraak over de specifieke onderwijsbehoeften van een kind en de ondersteuningsbehoeften
van zijn opvoeders. Als laatst kan het ook nog een veranderingsgerichte vraagstelling
omvatten. Dit kan een uitspraak opleveren over de daadwerkelijke veranderbaarheid van
bepaald gedrag van het kind en diens opvoeders onder invloed van een bepaalde interventie.