Rechtstaat kenmerken:
- Klassieke en sociale grondrechten in de grondwet (Gw)
- Legaliteitseis
- Trias politica: uitvoerende macht, rechtsprekende macht, wetgevende
macht
- Gebondenheid aan de wet > de overheid ook
- Onafhankelijke rechtspraak
- Rechtszekerheid > dat de rechten en wetten duidelijk zijn voor iedereen
- Vervolging en bestraffing wetsovertreding
Materiaal recht = beschrijft weke rechten en plichten je als deelnemer aan het
maatschappelijk verkeer hebt. Dus als burger en bedrijf, bevat de normen en
gaat om de inhoud van her recht
Formeel recht = proces recht, hoe je inhoudelijk recht ofwel materieel recht
gehandhaafd worden.
Publiek recht = recht tussen overheid en burger en betreft de organisatie en
bevoegdheden van de overheid zelf
Rechtsgebieden = het arbeidsrecht, ondernemersrecht, europeesrecht,
thematische rechten.
Rechtsbronnen:
- Wetgeving
- Verdragen en besluiten internationale organisaties
- Jurisprudentie
- Ongeschreven recht & arbeidsbeginselen
Rechtsvinding = hoe vindt je het recht en pas je het toe.
Voorrangsregels = nieuw gaat voor oud, bijzonder gaat voor algemene regels,
hoog gaat voor laag > nationale regels gaat voor op provinciale regels
Interpretatiemethoden; staan in boek moet je kennen
Redeneerwijzen:
1. Analoge
2. Acontrario? = voor deze specifieke wetgeving heeft de wet iets verboden,
maar is het dan in andere gevallen wel toegestaan
,Staat vs overheid
Staat = rechtspersoon, kan dus onderdeel zijn van rechtszaak
Staatsrecht
Parlementaire democratie > Indirecte en directe democratie
Gekozen volksvertegenwoordiging = parlement
Tweede kamer wordt direct gekozen, eerste kamer indirect
Eerste (75 leden) + tweede kamer (150 leden) = staten generaal
Taken:
- Het samen met de regering maken van wetgeving
- Het controleren van de regering (uitvoerende macht)
Regering en ministers
- De regering bestaat uit de koning en ministers, art. 42 Gw
- Besluit van de regering heet koninklijk besluit
- De koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk
- Ministers + staatsecretarissen = het kabinet
- Ministriële verantowordelijheid ministers zijn verantwoordelijk voor alle
daden van de regering, de Koning en hun ambtenaren, en hierover
verantwoording moeten afleggen aan het parlement.
- Vertrouwensregel = een minister (of kabinet) dient zijn ontslag aan te
beiden als die het vertrouwen verliest van de tweede kamer
Algemeen verbindende voorschriften afkomstig van regering en staten generaal
zijn wetten in materiele zin.
Wetten die door samenwerking van regering en staten generaal tot stand komen
zijn tevens wetten in formele zin, te onderscheiden van;
- Algemene maatregelen van bestuur; regering
- Ministeriële regelingen; vastgesteld door minister
Wetgeving op decentraal niveau; provinciaal enzo
NL is een gedecentraliseerde eenheidsstaat = decentrale overheden zoals
provincies en gemeenten mogen eigen regels maken en besturen, maar de
centrale overheid mag ingrijpen en corrigeren
, De rechter mag wetgeving niet toetsen aan de grondwet, dus in NL hebben we
geen constitutioneel hof en de rechter mag er dus niets van vinden =
toetsingsverbod > Art. 120 Gw
Rechterlijke macht bestaat uit = Hoge raad, gerechtshoven, rechtbanken en OM
Grondrechten zijn niet alleen te vinden in de Grondwet, zoals Europees verdrag
voor de rechten van de mens (EVRM), maar ook internationale verdragen. Het
toetsingsverbod geldt daarvoor NIET, dus de rechter kan wetgeving wel toetsen
aan de grondrechten in deze verdagen.
Verticale werking = je kan je op de grondrechten beroepen tegenover de
overheid
Horizontale werking = burgers of bedrijven onderling mogen zich beroepen op
grondrechten, zoals gelijke rechten.
Klassieke rechten (vrijheidsrechten) zijn afdwingbaar, sociale rechten niet
Europese richtlijnen en verordeningen zijn van belang omdat ze werking hebben
op nationaal niveau
Primair recht = de verdragen
Secundair recht = verordeningen en richtlijnen die de Europese instellingen
maken
Verordeningen hebben directe werking hoeven niet omgezet worden in nationale
wetgeving
Richtlijnen dienen omgezet te worden in nationale wetgeving, dus er is ruimte om
aanpassingen te maken op nationaal niveau
EU kent een eigen rechtsorde > hierdoor onderscheid die zich van internationaal
recht
Internationaal recht = het geheel van internationale rechtsregels en het
juridische kader waarin staten en organisaties samenwerken. Of: het recht dat
door meer dan 1 staat wordt gemaakt.
Internationaal publiek recht > volkenrecht
Nog iets?
Soevereiniteit van de staat = exclusieve rechtsmacht op eigen grondgebied >
regelgevend, handhaven en rechtsprekend.