OTO-A1 Q1: fundamenteel of toegepast onderzoek?
= Het artikel van Lameris et al. Is fundamenteel onderzoek, er is een
kennisprobleem in de literatuur (= research gap)
Bij een toegepast onderzoek bevat de managementvraag een
organisatiespecifiek vraagstuk.
Uitgewerkt in filmpjes module 1
OTO-A1 Q2: wat is het onderzoeksdilemma
Bewering: economische vakken in BDK zorgen ervoor dat de waarden en normen
van BDK studenten worden aangetast
Bestaand onderzoek hierover: voor de aantasting of verandering van
waarden en normen van BDK studenten zijn er gemengde resultaten
gevonden; sommige studies vinden wel bewijs, anderen niet.
Daarnaast bestaat er nog geen onderzoek dat in staat is om bewijs te
vinden dat economische vakken hiervan de oorzaak zijn.
Kortom: voor of tegen deze bewering is nog geen bewijs. Er is meer onderzoek
nodig om die bewering te onderzoeken.
4 elementen van het onderzoeksdilemma
1. Probleem/fenomeen dat aandacht nodig heeft (aka centraal staat) = P/F!
- Kies een P/F! focus en beschrijf wat we al weten. Beweringen en
verklaringen zoeken in bestaande theorie en onderzoek over: interne
werking van P/F! , oorzaken of gevolgen van P/F! of context/andere
variabelen van P/F!
Dit noemen we “common ground” dus wat we al weten over het p/f. dit
hoeft niet te betekenen dat het allemaal al bewezen is in bestaande
theorie.
Soms is er sprake van een research problem in het boek; problematizing
the field
Maar welke ‘fundamentele’ complicaties zijn er? = iteratief
Vb. er is nog geen/onvoldoende kennis over de focus van P/F!
Vb. er zijn observaties die een bestaande theorie over focus van P/F! tegen
spreken
Vb. eerder onderzoek kijkt naar aspecten van het focus P/F in isolatie, terwijl deze
aspecten samen moeten worden beschouwd om het gehele focus P/F te verklaren
Vb. er bestaan tegenstrijdige argumenten, beweringen of theorieën over focus
P/F!
, Dit was theorie-praktijk
Dan bewijs/methodologisch
Vb. er zijn problemen met het bestaande bewijs in studies over focus P/F!
Vb. generaliseerbaarheid van bestaande inzichten over P/F of toepassing van
bestaande inzichten op speciale gevallen kan in twijfel worden getrokken
Bij literatuurstudie ga je uit van je (eigen) voorkeur en mogelijkheden.. input van
begeleiders
Dan even over “concern”, de zorg van het probleem. Zoals bij het voorbeeld
hierboven is dat eigenlijk al duidelijk; want het is niet de bedoeling dat bdk
studenten normen en waarden verliezen door economische vakken.
Waarom moet je een concern duidelijk maken?
Nou, alleen stellen dat er een kennisprobleem is in de literatuur is vaak
onvoldoende. Bijv. “er is nog geen of onvoldoende onderzoek gedaan naar X”
Uit de introductie moet duidelijk worden dat het kennisprobleem echt relevant en
belangrijk is. Bijv. “omdat we niet weten hoe X werkt, kunnen we niet goed
verklaren of de bestaande inzichten over Y en Z ook echt werken”
Even terug naar het begin: de oorsprong van het P/F!
Het sluit aan bij maatschappelijke discussies, inzichten in de wetenschappelijke
literatuur, etc.
Inductie vs deductie
,Inductie = vanuit observaties/feiten tot een conclusie of vraag komen
Vb. we zien dit steeds gebeuren -> misschien geldt dit in het algemeen?
Deductie = vanuit een conclusie (theorie) tot voorspellingen komen, en
daarvoor bewijs zoeken
Vb. stel dat dit waar is -> wat moet ik dan in de data zien?
Wat maakt een fundamentele onderzoeksvraag + voorstel goed?
Problematizing the field
= er moet een of meerdere complicaties zijn in de literatuur
= het is belangrijk dat deze complicaties worden opgelost (concern)
Onderzoek moet:
Specifiek
Meetbaar
Achievable (haalbaar)
Realistisch
Tijdspad hebben
SMART dus….
Dus
Formuleer een goede onderzoeksvraag na literatuurstudie
Kies en stel een methode samen
Maak een plan voor dataverzameling
Verzamel en analyseer data
Rapporteer resultaten
Trek conclusies
Maar we gaan het omdraaien!!! Dus beginnen met conclusie; hoe gaan we
het bewijs verzamelen, met welke methodes etc. = omdraaimethode
Dus
Stap 1: begin met de conclusie ‘AI maakt werknemers wel of niet creatiever’
- Wat weten we hier al over op basis van bestaande theorie en literatuur?
Doel hiervan is kijken of we de conclusie al kunnen aanscherpen, nog
niet eerder gebruikte conclusie vinden of een bestaande conclusie
vinden die we kunnen ontkrachten. Kijk dus; wat kunnen we o.b.v.
bestaande literatuur hiermee?
Vb. ‘AI is supergoed in bestaande, repetitieve, gestructureerde goed beschreven
taken uitvoeren & AI is minder goed in nieuwe, onbeschreven, ongestructureerde
taken’
Vb. ‘met de creativiteit van werknemers bedoelen we de mate waarin een
werknemer in staat is in nieuwe, ongestructureerde vraagstukken op te lossen’
Vervolgens de uit onderzoek gebleken theorieën dat je op deze manier de
conclusie kan aanscherpen!! Vb. als AI bestaande routinge, repetitieve taken van
, een werknemer overneemt, maakt het werknemers creatiever bij nieuwe
complexe taken
Check wel of deze conclusie nog niet eerder is onderzocht (research gap)
Wat voor type onderzoek is dit dan?
a. Beschrijvend
b. Verklarend
c. Voorspellend
d. Ontwerpend
Antwoord is B. want wat he b je aan AI, hoe kan AI mensen ondersteunen
= verklarend
Beschrijvend onderzoek = samenhang tussen 2 variabelen X en Y. zoals je input
voor een toets hangt samen met het cijfer dat je haalt
Voorspellend onderzoek = voorspellen wat maakt een werknemer creatief? Je
neemt allemaal variabelen mee die dit gaan voorspellen. In dit geval is 1 factor,
AI niet voldoende om te kunnen voorspellen. Bij het weer kan een voorspelling
door tal van variabelen.
Ontwerpend onderzoek = zie module 5
Stap 2: benodigd bewijs/resultaten
Onderzoek moet nu aantonen of de aangescherpte conclusie kan worden
aangenomen of moet worden verworpen
Deductie logicaleer
Als P (conclusie) geldt, dan geldt ook Q (onderzoekbaar iets wat leidt tot de
conclusie)
Gegeven dit; wat kan je dan zeggen over ……
Als P geldt, kan je concluderen dat Q ook geldt.
En als Q niet geldt, kan je concluderen dat P ook niet geldt.
Iets minder abstract maken d.m.v. een voorbeeld;
‘als een bloeddrukverlagend medicijn effectief is, dan daalt de bloeddruk bij
patiënten’
Conclusie; het bloeddrukverlagend medicijn is effectief (P), dus de bloeddruk
daalt bij patiënten (Q)
En wanneer de bloeddruk bij patiënten niet daalt (Q), dan is het
bloeddrukverlagend medicijn niet effectief (P)