Ontwikkelingspsychologie
Samenvatting
Week 1 - de biologische ontwikkeling
Kennisclip genetische overerving 1
Celdeling
Een lichaam bestaat uit biljoen cellen. In bijna elke cel zit een celkern, waarin DNA zit. DNA bevat
alle informatie over jouw lichaam, bijvoorbeeld de kleur van je haar of ogen, je lengte of sommige
ziektes. Dit DNA is opgerold in chromosomen.
Mensen hebben 23 chromosomen van de moeder, en 23 van de vader. Dit maakt samen 23 paren
van 45 chromosomen.
Mitose
Mitose is een celdeling van gewone lichaamscellen (=autosomen). Deze celdeling vind plaats in
processen van groei en herstel. Het genetisch materiaal van een cel verdubbelt en splitst zich. De
dochtercellen zijn identiek aan de oorspronkelijke cel.
Bijvoorbeeld; denk aan een wondje, die heelt met dezelfde cellen als de huid eromheen.
Wat gebeurd er bij mitose?
We hebben allemaal 23 chromosomen paren, dat betekent dus 46 chromosomen. De helft is
afkomstig van de moeder, de andere helft is van vader. Als eerst wordt al het DNA gekopieerd, de
chromosomen verdubbelen dus tijdelijk. Er zijn dan tijdelijk 92 chromosomen. Hierna trekt de cel
de kopieën uit elkaar, en splits zich vervolgens in twee cellen. Als resultaat heb je dan dat er twee
nieuwe cellen zijn, met beide 46 chromosomen die identiek zijn aan de originele cel.
Dus: 1 cel —> 2 identieke cellen. Bijvoorbeeld: huidcel —> 2 huidcellen —> wond geneest.
Meiose
Dit is de celdeling van geslachtscellen (=gameten). Meiose gebeurt alleen bij het maken van zaad-
en eicellen. Deze worden gameten genoemd. Meiose is nodig voor de voortplanting. Bij een
voorplanting komt een eicel en een zaadcel samen tot 1 nieuwe cel. Een baby ontstaat door het
zaadcel van de vader, en het zaadcel van de moeder. Als beide 46 chromosomen hadden, zou
een baby 92 chromosomen hebben. De chromosomen moeten dus eerst worden gehalveerd.
Deze zijn uniek en niet identiek aan het oorspronkelijk cel.
Wat gebeurd er bij meiose?
We hebben allemaal 23 chromosomen paren, dat betekent dus 46 chromosomen. De helft is
afkomstig van de moeder, de andere helft is van vader. Als eerst wordt al het DNA gekopieerd, de
chromosomen verdubbelen dus tijdelijk. Er zijn dan tijdelijk 92 chromosomen.
Dan volgt de eerste deling. De chromosomenparen worden gescheiden, ze worden dus weer uit
elkaar getrokken. Het resultaat is 2 cellen met elk 23 paren. Deze zijn niet identiek aan de
oorspronkelijke cel en ook niet identiek aan elkaar.
Vervolgens is er een tweede deling. Hier worden de cellen nog een keer gedeeld, waardoor er 4
dochtercellen ontstaan. Het resultaat is 4 cellen met elk 23 chromosomen die allemaal
verschillend zijn.
Dus: 1 cel —> 4 unieke geslachtscellen
Tijdens meiose gebeurd er iets extra’s, namelijk crossing over. Dit betekent dat stukken DNA
worden uitgewisseld tussen chromosomen.
Bijvoorbeeld: chromosoom van de moeder, wisselt een stukje met chromosoom van de vader.
Door deze wisseling van genetisch materiaal ontstaat nieuwe combinatie van DNA. Dit zorgt voor
genetische variatie. Dit is waarom broers en zussen verschillend zijn, en kinderen niet identiek aan
hun ouders.
Hoe werkt cross over precies?
Er zijn 23 chromosomen per geslachtscel (=gameet), deze smelt samen om een nieuwe cel te
vormen van 46 chromosomen. De chromosomen worden dan dus gecombineerd. De eerste cel
1
, Ontwikkelingspsychologie
van een nieuw mens wordt een zygote genoemd. Deze kan weer groeien door vermenigvuldiging,
oftewel het proces van mitose.
Kennisclip genetische overerving 2
Overerving eigenschappen
Hoe worden eigenschappen precies overgeërfd? Dit vind plaats door het proces van meiose.
Eigenschappen worden doorgegeven via genen. Een gen is de plek op een chromosoom voor een
bepaalde eigenschap. Op chromosomen zitten duizenden genen. Je hebt altijd 2 versies van een
gen, 1 van moeder en 1 van vader. Deze versies heten allelen, met andere woorden is het dus een
variant van een gen.
Bijvoorbeeld: gen = oogkleur. Allelen = bruin en blauw.
Een allel is dus de invulling van een gen.
Omdat je twee allelen hebt kunnen zij verschillen, maar ook gelijk zijn. Als de allelen hetzelfde zijn,
bijvoorbeeld AA of aa, dan noemen we dat homozygoot. Als de allelen verschillen, bijvoorbeeld
Aa, dan noemen we dat heterozygoot.
Sommige allelen zijn sterker dan de andere. Deze allel wordt dominant genoemd. De zwakke
allelen worden recessief genoemd. In sommige gevallen ontstaat er een mengvorm van de
eigenschappen. Deze kunnen codominant of onvolledig dominant zijn.
Voor het tentamen hoeven we het verschil niet te weten, alleen dat er een mengvorm tussen de
twee eigenschappen ontstaat.
Voorbeelden
Voorbeeld 1:
Vader is homozygoot dominant (AA). Moeder is homozygoot recessief
(aa).
Het kind krijgt de helft van het DNA van elke ouder mee. Je splitst dus
het materiaal. Vader A, moeder a.
De uitkomsten is dus Aa (heterozygoot). Een kind van deze ouders is dus
altijd heterozygoot voor deze eigenschap (100% kans).
Bijvoorbeeld: vader heeft bruine ogen, moeder heeft blauwe ogen. Ieder
kind heeft kans op heterozygoot bruine ogen.
Voorbeeld 2:
Vader is heterozygoot (Aa). Moeder is heterozygoot (Aa).
Het kind krijgt de helft van het DNA van elke ouder mee. Je splitst dus
het materiaal.
De uitkomsten is dan (AA), (Aa), (Aa), (aa). Dus 50% kans om
heterozygoot te worden, 25% kans om homozygoot dominant te worden,
en 25% kans om homozygoot recessief te worden.
Bijvoorbeeld: Vader heeft bruine ogen, moeder heeft bruine ogen. Kind
heeft 75% (=50% heterozygoot, 25% homozygoot) kans op bruine ogen
en 25% kans op blauwe ogen.
Hoe zit het met geslacht?
Vader is XY, moeder is XX.
De kans op een jongen is 50% en op meisje ook 50%.
2
, Ontwikkelingspsychologie
Hoe zit het met bloedgroep?
Je hebt de bloedgroepen: A, B, AB en O.
O is de recessieve bloedgroep. Bloedgroep A en B kan zowel
homozygoot als heterozygoot voorkomen.
Vader homozygoot bloedgroep A (AA), moeder heterozygoot B (BO).
Resultaat: 50% kans AB , ecodominant bloedgroep AB, 50% kans AO,
heterozygoot bloedgroep A.
Kennisclip genetische overerving 3
Overerving van aandoeningen
Aandoening op een autosoom
Voorbeeld 1:
Vader homozygoot dominant AA (niet aangedaan). Moeder homozygoot
recessief aa (aangedaan). Kinderen zullen altijd drager zijn, maar die
aandoening zal niet manifesteren omdat het recessief is.
Voorbeeld 2:
Vader heterozygoot drager Aa. Moeder heterozygoot drager Aa. Er is
25% kans dat het kind de aandoening niet heeft (homozygoot dominant,
AA). Er is 50% kans dat het kind drager is (Aa). En het kind heeft 25%
kans op het hebben van de aandoening (Homozygoot recessief, aa).
We zien hier dat er dus 3 mogelijke genotypes zijn (3 mogelijke
combinaties van genen (AA, Aa, aa)). Als je kijkt naar de fenotypen, de
uitingen van de genen, zie je dat er maar 2 zijn: Wel de ziekte hebben, of
niet de ziekte hebben. Een fenotype kan dus meerdere genotypes
hebben.
Aandoening op een geslachtschromosoom
Voorbeeld 1:
Vader heeft een aandoening op een geslachtschromosoom (XY). Moeder
is niet aangedaan (XX). De aandoening zit op het Y chromosoom, wat
betekent dat alleen jongens worden aangedaan.
Voorbeeld 2
Vader is niet aangedaan (XY), moeder is drager (XX). De aandoening zit
dus op 1 X.
Zit de aandoening op de X chromosoom, dan is er ook een kans dat
jongens er vaker last van hebben dan meisjes, aangezien meisjes een
tweede X chromosoom hebben en dat compenseert. Als meisje ben je
dan wel drager, terwijl als een jongen hetzelfde X chromosoom heeft wel
de aandoening zal hebben.
De uitkomst zal dus zijn dat er 50% kans is dat je een meisje krijgt,
waarvan 50% wel drager, en 50% niet drager is. Er is ook 50% kans op
een jongetje, waarvan 50% niet aangedaan is, en 50% wel aangedaan is.
3
, Ontwikkelingspsychologie
Dus: jongens hebben vaak meer last van een afwijking, omdat meisjes twee x chromosomen
hebben en vaak díe afwijkingen van een aandoening recessief zijn. Dit betekent dat je een x
chromosoom overhoudt dat gezond blijft, en dus compenseert voor de aangedane chromosoom.
Jongens hebben daarentegen niet een andere x chromosoom die kan compenseren voor een
aangedane chromosoom.
Bij een aandoening op een Y-chromosoom kunnen alleen jongens worden aangedaan, aangezien
meisjes dit chromosoom niet hebben.
Stamboom van een aandoening (pedigree analyse)
Om te achterhalen of de aandoening via autosomen
of geslachtschromosomen wordt overgedragen,
moet je weer een punit square maken.
De vraag luidt dan dus: wordt de ziekte via
geslachtschromosomen overgedragen, of via
autosomen?
Antwoord:
In dit geval is de aandoening autosomaal.
Dat zie je doordat zowel man als vrouw
een drager kan zijn van de aandoening.
Bij geslachtschromosomen kunnen
mannen enkel de aandoening wel of niet
hebben. In dit geval staat geslacht dus los
van de mogelijkheden, waardoor we
kunnen zien dat de aandoening wordt
overgedragen via de autosomen.
Dus: als mannen én vrouwen in de
stamboom drager zijn van een ziekte gaat het meestal om een autosomale overerving en niet om
een chromosoomgebonden aandoening.
4
Samenvatting
Week 1 - de biologische ontwikkeling
Kennisclip genetische overerving 1
Celdeling
Een lichaam bestaat uit biljoen cellen. In bijna elke cel zit een celkern, waarin DNA zit. DNA bevat
alle informatie over jouw lichaam, bijvoorbeeld de kleur van je haar of ogen, je lengte of sommige
ziektes. Dit DNA is opgerold in chromosomen.
Mensen hebben 23 chromosomen van de moeder, en 23 van de vader. Dit maakt samen 23 paren
van 45 chromosomen.
Mitose
Mitose is een celdeling van gewone lichaamscellen (=autosomen). Deze celdeling vind plaats in
processen van groei en herstel. Het genetisch materiaal van een cel verdubbelt en splitst zich. De
dochtercellen zijn identiek aan de oorspronkelijke cel.
Bijvoorbeeld; denk aan een wondje, die heelt met dezelfde cellen als de huid eromheen.
Wat gebeurd er bij mitose?
We hebben allemaal 23 chromosomen paren, dat betekent dus 46 chromosomen. De helft is
afkomstig van de moeder, de andere helft is van vader. Als eerst wordt al het DNA gekopieerd, de
chromosomen verdubbelen dus tijdelijk. Er zijn dan tijdelijk 92 chromosomen. Hierna trekt de cel
de kopieën uit elkaar, en splits zich vervolgens in twee cellen. Als resultaat heb je dan dat er twee
nieuwe cellen zijn, met beide 46 chromosomen die identiek zijn aan de originele cel.
Dus: 1 cel —> 2 identieke cellen. Bijvoorbeeld: huidcel —> 2 huidcellen —> wond geneest.
Meiose
Dit is de celdeling van geslachtscellen (=gameten). Meiose gebeurt alleen bij het maken van zaad-
en eicellen. Deze worden gameten genoemd. Meiose is nodig voor de voortplanting. Bij een
voorplanting komt een eicel en een zaadcel samen tot 1 nieuwe cel. Een baby ontstaat door het
zaadcel van de vader, en het zaadcel van de moeder. Als beide 46 chromosomen hadden, zou
een baby 92 chromosomen hebben. De chromosomen moeten dus eerst worden gehalveerd.
Deze zijn uniek en niet identiek aan het oorspronkelijk cel.
Wat gebeurd er bij meiose?
We hebben allemaal 23 chromosomen paren, dat betekent dus 46 chromosomen. De helft is
afkomstig van de moeder, de andere helft is van vader. Als eerst wordt al het DNA gekopieerd, de
chromosomen verdubbelen dus tijdelijk. Er zijn dan tijdelijk 92 chromosomen.
Dan volgt de eerste deling. De chromosomenparen worden gescheiden, ze worden dus weer uit
elkaar getrokken. Het resultaat is 2 cellen met elk 23 paren. Deze zijn niet identiek aan de
oorspronkelijke cel en ook niet identiek aan elkaar.
Vervolgens is er een tweede deling. Hier worden de cellen nog een keer gedeeld, waardoor er 4
dochtercellen ontstaan. Het resultaat is 4 cellen met elk 23 chromosomen die allemaal
verschillend zijn.
Dus: 1 cel —> 4 unieke geslachtscellen
Tijdens meiose gebeurd er iets extra’s, namelijk crossing over. Dit betekent dat stukken DNA
worden uitgewisseld tussen chromosomen.
Bijvoorbeeld: chromosoom van de moeder, wisselt een stukje met chromosoom van de vader.
Door deze wisseling van genetisch materiaal ontstaat nieuwe combinatie van DNA. Dit zorgt voor
genetische variatie. Dit is waarom broers en zussen verschillend zijn, en kinderen niet identiek aan
hun ouders.
Hoe werkt cross over precies?
Er zijn 23 chromosomen per geslachtscel (=gameet), deze smelt samen om een nieuwe cel te
vormen van 46 chromosomen. De chromosomen worden dan dus gecombineerd. De eerste cel
1
, Ontwikkelingspsychologie
van een nieuw mens wordt een zygote genoemd. Deze kan weer groeien door vermenigvuldiging,
oftewel het proces van mitose.
Kennisclip genetische overerving 2
Overerving eigenschappen
Hoe worden eigenschappen precies overgeërfd? Dit vind plaats door het proces van meiose.
Eigenschappen worden doorgegeven via genen. Een gen is de plek op een chromosoom voor een
bepaalde eigenschap. Op chromosomen zitten duizenden genen. Je hebt altijd 2 versies van een
gen, 1 van moeder en 1 van vader. Deze versies heten allelen, met andere woorden is het dus een
variant van een gen.
Bijvoorbeeld: gen = oogkleur. Allelen = bruin en blauw.
Een allel is dus de invulling van een gen.
Omdat je twee allelen hebt kunnen zij verschillen, maar ook gelijk zijn. Als de allelen hetzelfde zijn,
bijvoorbeeld AA of aa, dan noemen we dat homozygoot. Als de allelen verschillen, bijvoorbeeld
Aa, dan noemen we dat heterozygoot.
Sommige allelen zijn sterker dan de andere. Deze allel wordt dominant genoemd. De zwakke
allelen worden recessief genoemd. In sommige gevallen ontstaat er een mengvorm van de
eigenschappen. Deze kunnen codominant of onvolledig dominant zijn.
Voor het tentamen hoeven we het verschil niet te weten, alleen dat er een mengvorm tussen de
twee eigenschappen ontstaat.
Voorbeelden
Voorbeeld 1:
Vader is homozygoot dominant (AA). Moeder is homozygoot recessief
(aa).
Het kind krijgt de helft van het DNA van elke ouder mee. Je splitst dus
het materiaal. Vader A, moeder a.
De uitkomsten is dus Aa (heterozygoot). Een kind van deze ouders is dus
altijd heterozygoot voor deze eigenschap (100% kans).
Bijvoorbeeld: vader heeft bruine ogen, moeder heeft blauwe ogen. Ieder
kind heeft kans op heterozygoot bruine ogen.
Voorbeeld 2:
Vader is heterozygoot (Aa). Moeder is heterozygoot (Aa).
Het kind krijgt de helft van het DNA van elke ouder mee. Je splitst dus
het materiaal.
De uitkomsten is dan (AA), (Aa), (Aa), (aa). Dus 50% kans om
heterozygoot te worden, 25% kans om homozygoot dominant te worden,
en 25% kans om homozygoot recessief te worden.
Bijvoorbeeld: Vader heeft bruine ogen, moeder heeft bruine ogen. Kind
heeft 75% (=50% heterozygoot, 25% homozygoot) kans op bruine ogen
en 25% kans op blauwe ogen.
Hoe zit het met geslacht?
Vader is XY, moeder is XX.
De kans op een jongen is 50% en op meisje ook 50%.
2
, Ontwikkelingspsychologie
Hoe zit het met bloedgroep?
Je hebt de bloedgroepen: A, B, AB en O.
O is de recessieve bloedgroep. Bloedgroep A en B kan zowel
homozygoot als heterozygoot voorkomen.
Vader homozygoot bloedgroep A (AA), moeder heterozygoot B (BO).
Resultaat: 50% kans AB , ecodominant bloedgroep AB, 50% kans AO,
heterozygoot bloedgroep A.
Kennisclip genetische overerving 3
Overerving van aandoeningen
Aandoening op een autosoom
Voorbeeld 1:
Vader homozygoot dominant AA (niet aangedaan). Moeder homozygoot
recessief aa (aangedaan). Kinderen zullen altijd drager zijn, maar die
aandoening zal niet manifesteren omdat het recessief is.
Voorbeeld 2:
Vader heterozygoot drager Aa. Moeder heterozygoot drager Aa. Er is
25% kans dat het kind de aandoening niet heeft (homozygoot dominant,
AA). Er is 50% kans dat het kind drager is (Aa). En het kind heeft 25%
kans op het hebben van de aandoening (Homozygoot recessief, aa).
We zien hier dat er dus 3 mogelijke genotypes zijn (3 mogelijke
combinaties van genen (AA, Aa, aa)). Als je kijkt naar de fenotypen, de
uitingen van de genen, zie je dat er maar 2 zijn: Wel de ziekte hebben, of
niet de ziekte hebben. Een fenotype kan dus meerdere genotypes
hebben.
Aandoening op een geslachtschromosoom
Voorbeeld 1:
Vader heeft een aandoening op een geslachtschromosoom (XY). Moeder
is niet aangedaan (XX). De aandoening zit op het Y chromosoom, wat
betekent dat alleen jongens worden aangedaan.
Voorbeeld 2
Vader is niet aangedaan (XY), moeder is drager (XX). De aandoening zit
dus op 1 X.
Zit de aandoening op de X chromosoom, dan is er ook een kans dat
jongens er vaker last van hebben dan meisjes, aangezien meisjes een
tweede X chromosoom hebben en dat compenseert. Als meisje ben je
dan wel drager, terwijl als een jongen hetzelfde X chromosoom heeft wel
de aandoening zal hebben.
De uitkomst zal dus zijn dat er 50% kans is dat je een meisje krijgt,
waarvan 50% wel drager, en 50% niet drager is. Er is ook 50% kans op
een jongetje, waarvan 50% niet aangedaan is, en 50% wel aangedaan is.
3
, Ontwikkelingspsychologie
Dus: jongens hebben vaak meer last van een afwijking, omdat meisjes twee x chromosomen
hebben en vaak díe afwijkingen van een aandoening recessief zijn. Dit betekent dat je een x
chromosoom overhoudt dat gezond blijft, en dus compenseert voor de aangedane chromosoom.
Jongens hebben daarentegen niet een andere x chromosoom die kan compenseren voor een
aangedane chromosoom.
Bij een aandoening op een Y-chromosoom kunnen alleen jongens worden aangedaan, aangezien
meisjes dit chromosoom niet hebben.
Stamboom van een aandoening (pedigree analyse)
Om te achterhalen of de aandoening via autosomen
of geslachtschromosomen wordt overgedragen,
moet je weer een punit square maken.
De vraag luidt dan dus: wordt de ziekte via
geslachtschromosomen overgedragen, of via
autosomen?
Antwoord:
In dit geval is de aandoening autosomaal.
Dat zie je doordat zowel man als vrouw
een drager kan zijn van de aandoening.
Bij geslachtschromosomen kunnen
mannen enkel de aandoening wel of niet
hebben. In dit geval staat geslacht dus los
van de mogelijkheden, waardoor we
kunnen zien dat de aandoening wordt
overgedragen via de autosomen.
Dus: als mannen én vrouwen in de
stamboom drager zijn van een ziekte gaat het meestal om een autosomale overerving en niet om
een chromosoomgebonden aandoening.
4