Week 1 opent met de vraag wat wetenschap eigenlijk is. Die vraag wordt door Koning
uitgewerkt via het demarcatiecriterium = de grenslijn die wetenschappelijke kennis
onderscheidt van niet-wetenschap of andere kennisdomeinen.
● De achterliggende vraag is:
○ wat telt als wetenschappelijke kennis?
○ hoe onderscheid je wetenschap van andere vormen van spreken, oordelen of
overtuigen?
○ hoe verhoudt wetenschap zich tot de samenleving zonder daarin op te gaan?
Het gaat dus niet alleen om een definitie van wetenschap, maar ook om haar eigen
plaats tegenover de samenleving. Daarbij zijn twee uitersten onwenselijk:
Koning zegt dat deze vraag vandaag zowel maatschappelijke als wetenschappelijke
relevantie heeft. Met andere woorden: het demarcatiecriterium is niet alleen een abstract
filosofisch probleem, maar ook een actuele vraag omdat wetenschap onder druk staat.
Daarom spreekt ze van een identiteitscrisis van de wetenschap.
Extern staat wetenschap onder druk omdat haar gezag in het publieke debat minder
vanzelfsprekend is geworden. De uitspraak “het is wetenschappelijk bewezen” overtuigt niet
meer automatisch. Die externe druk verschijnt in drie vormen.
● Post-truth = situatie waarin emoties zwaarder wegen dan objectieve feiten bij het
vormen van de publieke opinie. Het probleem is niet alleen dat onwaarheden
circuleren, maar ook dat feiten in publieke discussies minder doorslaggevend zijn.
● Politisering van wetenschap = wetenschap wordt niet meer gezien als autonoom
kennisdomein, maar als verdacht, ideologisch of elitair. Wetenschappelijke
uitspraken worden daardoor sneller beoordeeld op politieke kleur dan op inhoudelijke
onderbouwing.
● Efficiëntiedenken/nutseis = wetenschap moet vooral direct nuttig, rendabel of
economisch bruikbaar zijn. De onderliggende verschuiving is dat wetenschap dan
niet meer primair wordt gewaardeerd om waarheidsvinding, maar om meetbare
opbrengst.
Naast maatschappelijke druk zijn er ook interne discussies over wat als “echte” wetenschap
geldt. Daardoor is het demarcatiecriterium ook binnen de wetenschap zelf relevant.
● Kwantitatief vs kwalitatief onderzoek: hierachter zit de vraag welk type kennis als
het meest wetenschappelijk wordt gezien.
○ De spanning is dus niet alleen methodisch, maar ook filosofisch: moet
wetenschap vooral meetbaar en telbaar zijn, of zijn interpretatieve en
kwalitatieve benaderingen ook wetenschappelijk?
● Academische vrijheid en cancelcultuur: gaan over de ruimte voor
wetenschappers om vrij te onderzoeken, te spreken en controversiële standpunten te
, verdedigen. De zorg is dat wetenschap haar kritische functie verliest als druk bepaalt
wat nog gezegd of onderzocht mag worden.
1.1 Wijnberg: waarheid is historisch bepaald
Om te begrijpen hoe wetenschap in deze positie is gekomen, zet Rob Wijnberg (1982)
eerst een grotere historische lijn uit. Zijn punt is dat mensen in verschillende tijdvakken
telkens anders hebben gedacht over waarheid en dus ook over zekere kennis. Dat is
belangrijk, want de vraag wat wetenschap is, hangt af van het bredere waarheidsmodel van
een tijdperk. Wijnbergen stelt dat er drie tijdperken zijn geweest:
1) Premoderne tijd: waarheid als geloof
Kernidee: waarheid ligt buiten de mens en wordt ontvangen via geloof, openbaring, traditie
of een hogere orde. Teleologisch wereldbeeld = de wereld wordt begrepen als doelgericht
en geordend. De natuur en het menselijk leven hebben daarin een doel en maken deel uit
van een grotere, betekenisvolle orde.
Filosofen: Plato en Aristoteles
● Waarheid is hier:
○ transcendent
○ gegeven
○ niet primair iets wat de mens zelf ontdekt
● Hoogste gerichtheid: niet vooruitgang, maar verlossing, betekenis en verzoening met
de orde van de wereld
2) Moderne tijd: waarheid als kennis
Kernidee: in de moderniteit verschuift waarheid van iets dat van buitenaf gegeven is naar
iets dat de mens zelf moet funderen.
Filosofen: Descartes
Er waren 2 fundamentele veranderingen in deze overgang:
a) Onttovering van de wereld = teleologische en goddelijke verklaringen
verliezen hun vanzelfsprekende status als grondslag van kennis.
b) Opkomst van het subject = de mens wordt zelf grondslag van kennis.
● Waarheid wordt nu gekoppeld aan:
○ systematische twijfel
○ bewijs
○ later ook empirisch onderzoek en meetbaarheid
● Hoogste gerichtheid: kennis, vooruitgang en controle over de wereld
3) Postmoderne tijd: waarheid als constructie
Kernidee: waarheid wordt niet gezien als iets dat gewoon objectief klaarligt en alleen nog
ontdekt moet worden. Wat mensen als waar beschouwen, wordt mede gevormd door hun
perspectief, taal, interpretatie en de maatschappelijke kaders waarin zij denken.
● Grote waarheidsclaims worden verdacht.
● Waarheid met een hoofdletter wordt bevraagd.
● Waarheid is hier:
○ minder absoluut
○ perspectiefgebonden
○ mede gevormd door taal, context en maatschappelijke kaders
, ● Hoogste gerichtheid: pluraliteit, individuele vrijheid en kritiek op dwingende
universele waarheidsclaims
4) Huidige fase: waarheid als product
↳ Wijnberg voegt nog een hedendaagse fase toe
Kernidee van Wijnbergen: waarheid wordt steeds minder iets wat gezamenlijk gezocht
wordt, en steeds meer iets wat wordt aangeboden, vermarkt en afgestemd op vraag en
doelgroep. Daarmee sluit Wijnberg direct aan op de problematiek van post-truth.
● Mechanismen: vereconomisering vermarkting commercialisering van informatie
● Waarheid is hier:
○ afgestemd op doelgroep en vraag
○ mede gevormd door marktlogica en media
○ iets wat moet verzadigen, aanslaan of bevestigen
● Hoogste gerichtheid: behoeftebevrediging, consumptie, aansluiting bij consument
1.2 De moderne zoektocht naar zekere kennis:
rationalisme en empirisme
Door de overgang naar de moderniteit ontstaat een nieuwe filosofische vraag: hoe is zekere
kennis nog mogelijk als de wereld geen goddelijke of teleologische betekenis meer heeft?
Rationalisme en empirisme ontstaan als twee klassieke moderne antwoorden op die vraag,
elk met een eigen benadering van hoe kennis verworven kan worden.
1.2.1 Rationalisme
Kernidee: de rede (het menselijk verstand) is de voornaamste bron van kennis en waarheid,
en niet zintuiglijke ervaring. Rationalisten geloven dat ware kennis kan worden bereikt door
logisch nadenken, deductie en aangeboren ideeën, vaak los van observatie.
Grondlegger: René Descartes
Nu goddelijke en teleologische zekerheden wegvallen, moet de mens zelf een nieuw
fundament voor kennis vinden. Dat zoekt Descartes niet in observatie, maar in
methodische twijfel: alles wat onzeker is, wordt voorlopig verworpen. Wat dan overblijft, is
het denkende subject zelf: als ik twijfel, besta ik in elk geval als degene die twijfelt. Zo wordt
het denkende subject de nieuwe basis van kennis.
● Belangrijke uitgangspunten:
○ zintuigen zijn onbetrouwbaar, want ze kunnen bedriegen
○ zekere kennis moet steunen op iets wat niet afhankelijk is van zintuiglijke
vergissing → de rede
○ de mens wordt zelf grondslag van zekere kennis
● Centrale stap: via radicale twijfel alle veronderstellingen opschorten en nagaan wat
dan nog zeker overeind blijft
Kritiek: rationalisme kan misschien zekere kennis opleveren, maar niet zomaar nieuwe
kennis over de empirische werkelijkheid. Alleen denken vanuit de rede brengt je niet ver
genoeg als je de wereld ook feitelijk wilt leren kennen
, ↳ Armchair philosophy = denken over de wereld zonder voldoende beroep op
waarnemingen. Het zijn filosofen die als het ware “in hun zolderkamer” over de
wereld nadenken, los van de waarneembare werkelijkheid.
1.2.2 Empirisme
Kernidee: kennis begint niet bij puur denken, maar bij waarneming, zintuiglijke ervaring
en de confrontatie met de werkelijkheid. Alle ideeën en concepten worden gevormd door wat
we waarnemen via onze zintuigen. Empiristen stellen dus dat je geen nieuwe kennis over de
wereld krijgt door alleen te redeneren; observatie is daarvoor noodzakelijk.
Grondlegger: John Locke (maar ook belangrijk: David Hume)
Het empirisme vormt een reactie op het rationalisme van Descartes. Waar rationalisten
denken dat zekere kennis vooral uit het denken zelf kan komen, benadrukken empiristen dat
kennis pas ontstaat door ervaring. Zonder waarneming krijgen we helemaal geen kennis van
de wereld. Daarom verwerpt het empirisme het idee van aangeboren ideeën of louter
rationele zekerheden: wat we weten, bouwen we op vanuit wat we waarnemen.
● Belangrijke uitgangspunten:
○ kennis begint bij: waarneming, ervaring en zintuigen
○ wie op de rede vertrouwt, blijft te ver van de feitelijke werkelijkheid verwijderd
○ de mens moet dus ook observeren om kennis te krijgen
Kritiek: zie 1.3
→ Rationalisme en empirisme zijn geen tegengestelde eindpunten, maar vormen samen de
basis van moderne wetenschap: rationalisme in theorievorming, empirisme in waarneming
en onderzoek, verenigd in de empirische cyclus.
1.3 Chalmers: kritiek op het basaal empirisme
Koning maakt duidelijk dat rationalisme onvoldoende is, omdat het op zichzelf geen nieuwe
empirische kennis oplevert. Daardoor ontstaat de vraag of empirisme dan wél de beste basis
is om wetenschap te begrijpen. Precies daar zet Alan Chalmers (1939) zijn kritiek in: hij
vertrekt van het populaire idee dat wetenschap bijzonder is omdat ze op feiten berust, en
richt zijn kritiek vooral op het basaal empirisme, waarin wetenschap wordt opgevat als het
verzamelen van feiten via waarneming.
Kernidee basaal empirisme: stelt dat wetenschap bijzonder is omdat ze kennis afleidt uit
feiten die via waarneming en experiment worden verkregen, niet uit speculatie, traditie of
autoriteit. Die feiten moeten dan wel toegankelijk, theorieneutraal en stevig genoeg zijn om
kennis op te bouwen. Daaruit volgen de drie aannames van het basaal empirisme:
1. Feiten zijn via de zintuigen direct toegankelijk voor nauwkeurige en
onbevooroordeelde waarnemers.
2. Feiten gaan aan theorie vooraf en zijn daarvan onafhankelijk.
3. Feiten vormen een stevig en betrouwbaar fundament van wetenschappelijke
kennis.
De drie aannames gaan dus over de vraag:
● hoe we aan feiten komen
● hoe feiten zich verhouden tot theorie