ISBR
Week 1
Materieel recht: inhoudelijke regels van het recht.
Formeel recht: zijn de procedure regels.
2 soorten handelen van de overheid:
1. Feitelijke handeling: bijv. het bouwen van een brug of het openbreken van de weg.
2. Privaatrechtelijke/ publiekrechtelijke rechtshandeling: besluiten die eenzijdig bindend
worden opgelegd (er zijn ook tweezijdige bindingen)
Bij eenzijdige binding geldt dat het besluit geldt of dat degene tot wie het besluit is gericht dat nou
wil of niet.
Overheidsbesluiten:
- Algemeen bindend voorschrift (avv): besluiten die in beginsel voor een onbepaaldheid van
gevallen gelden en toegepast kunnen worden.
- Beschikking: besluiten die in een bepaald geval een rechtsgevolg tot stand brengen (op 1
persoon/groep gericht).
- Beleidsregels: besluiten die aangeven op welke wijze een orgaan zijn beleid moet voeren.
- Plannen: bijv. bestemmingsplan.
De formele wetgever; de regering en de Staten-Generaal (art. 81 Gw)
Klassiek liberale rechtsstaat bestaat uit diverse principes; het legaliteitsbeginsel, machtsverdeling,
grondrechten en rechterlijke controle -> democratie.
Sinds 1813/14 werd er gestemd via algemene directe verkiezingen (iedereen mocht stemmen ook
mensen die onder de eerdere inkomensgrens zaten). Dit kwam door 2 zaken:
- De politieke strijd was gericht op het terugdringen van de rol van de koning en het brengen
van regeringsmacht onder de controle van het parlement -> 2 regels; politieke ministeriele
verantwoordelijkheid en de vertrouwensregel.
- Mensen dachten eerst dat de ongeletterde meerderheid van het volk niet in staat was tot
verstandig regeren.
Sociale rechtsstaat is een verzorgingsstaat, de overheid moet actief de omstandigheden scheppen die
het de burger mogelijk maken goed te leven.
Het legaliteitsbeginsel: relatie tussen het overheidsoptreden en het recht.
In negatieve zin (in strijd met): het recht geeft een begrenzing van het overheidsoptreden
aan.
In positieve zin (grondslag/ toegestaan door wet xx): het is een recht dat bevoegdheid schept
voor overheidsoptreden, maar ook omgekeerd gevolg; overheidsoptreden is ongeoorloofd als
hier geen bevoegdheid voor is geformuleerd in een rechtsregel.
Positief recht: recht dat door een rechtscheppende handeling in het leven is geroepen.
, Trias politica (Montesquieu): de macht wordt opgedeeld in drie verschillende delen, namelijk
uitvoerende macht, rechtsprekende macht en de wetgevende macht.
Wetgevende macht: regering en Staten-Generaal -> schrijft de na te leven wetten voor.
1. Regering = de verzameling van de koning en alle ministers.
2. Staten-Generaal = de Eerste en Tweede Kamer.
3. Kabinet = de verzameling van ministers en staatssecretarissen.
Uitvoerende macht: regering -> bestuurt het land en vult de naleving van de regels verder in waar de
wetgevende macht hiervoor ruimte heeft gelaten.
Rechtssprekende macht: de rechterlijke macht (rechtbanken, gerechtshoven, Hoge Raad en overige
rechtssprekende organen) -> controleert in concrete gevallen de naleving van de regels door burger
en door overheid.
Grondrechten beschermen tegen macht van een absolute vorst.
Klassieke grondrechten: beschermen de burger tegen ongeoorloofd overheidsoptreden door de
burgers bepaalde rechten voor te schrijven.
Sociale grondrechten: gelijke kansen voor burgers is het hoofddoel. Roepen de overheid op om zich
in te zetten om bepaalde minimum levensvoorwaarden te bevorderen en te waarborgen.
Er is rechterlijke controle door een onafhankelijke rechter.
Actief kiesrecht: het recht om je stem uit te brengen op een (potentiële) volksvertegenwoordiger /
partij.
Passief kiesrecht: het recht om je als burger te laten verkiezen als volksvertegenwoordiger.
Welke problemen heeft een democratische rechtsstaat?
- Het volk heerst, maar de minderheden moeten ook vertegenwoordigd worden. Niet haalbaar
in praktijk.
- Wet hoeft niet te deugen omdat hij democratisch tot stand is gekomen (Hitler).
- Waarheid kan veranderen door tijd en gaat niet in elk werelddeel even snel.
- Fundament in religie > democratie en mensenrechten worden ondergeschikt aan bijv. de
Koran.
Welke problemen heeft een sociale rechtsstaat?
- Groei van overheidstaken die alleen vervuld kunnen worden als het bestuur over ruime
bevoegdheden beschikt -> democratische legitimatie van overheidshandelen is verminderd ->
terugtred van de formele wetgever.
- Volksvertegenwoordiging kan niet aan iedereen zijn wensen voldoen, er zijn veel diverse
meningen.
- Wetgeving is gebonden aan tijd. Nieuwe ontwikkelingen kunnen niet direct doorgevoerd
worden -> verstoring. Ook is wetgeving gebonden aan coöperatie.
- Globalisering. De verzorgingsstaat belooft een pakket van voorzieningen, maar heeft ook veel
te maken met (im)migratie. Je kan die groep niet afbakenen. De overheid heeft 2
maatregelen om de groep te beperken:
1. vervangen van collectieve verzorgingsstaatspakket door individuele, geprivatiseerde
verzekeringsarrangementen.