4.2 de stedelijke burger zelfstandige steden
In steden konden ze afspraken met hun heer waardoor ze met de privileges die ze kregen niet meer
aan de verplichtingen houden. Ook konden er in stede stadrechten komen. steden bescherming zich
zelf met grachten, muren, ophaalburgers en wachttorens. Ook was er een stedelijke rechtbank waar
een vorst een rechter mocht kiezen ook wel een baljuw en schout. Vaak vochten steden mee met
oorlogen omdat, de edelen goed met elkaar waren of met koning waren waardoor ze elkaar helpe
met huursoldaten.
Stedelijke samenleving
Als je een jaar en een dag woonde in de stad mocht je burgerecht kopen. Dan werd je dus burger.
Alleen burgers mochten bijvoorbeeld een ambacht hebben of worden berecht in de stedelijke
rechtbank. Niet iedereen kon burgerij worden zo konden vrouwen, arbeiders, los werkvolk,
bedelaars, geestelijken (hoorden onder het kerkelijk recht) en joden ( zij waren vreemden woonde in
andere wijken en mocht niet alle beroepen worden.) rijke kooplieden waren de elite zij maakte de
dienst uit zij bestuurde de stad vanuit het raadshuis. Het stadsbestuur: de schepenen (waren
bestuurders en rechters tegelijk) veel steden vanaf 13 e eeuw hadden burgemeesters. Vroedschap zij
waren tientallen burgers die het stadsbestuur adviseerde en controleerde. Stadsbestuur moest veel
doen zoals: openbare bouwwerken, grachten, bruggen, stadsscholen, ziekenhuis werden
gecontroleerd ( deed de kerk voor zorgen). Schutterijen vrijwillige ambachtslieden met eigen woning
en werkplaats die als burgerwacht deden in hun wijk hadden uniform. Als je in gilde wou had je
burgerrecht nodig
Door verstedelijking wouden mensen naar steden hierbij stopte de horigheid en het hofstelsel maar
moesten de boeren geld betalen.
4.3 staatvorming en centralisatie
Aan het begin van deze tijd hadden de Franse koning niet veel te zeggen in de loop van de tijd kregen
ze steeds meer macht. na een oorlog met de Engelse koning tussen 1337-1453. Waarin de Franse
wonen. Na 1500 had de koning het hoogste gezag de soevereiniteit. Er kwamen wetten en
belastingen. Hij kon deze zogenaamde centralisatie (organisatie zoveel mogelijk door een persoon
wordt bestuurd) door voeren omdat hij ambtenaren en soldaten in dienst had. Hierdoor ontstond er
een moderne staat.
Door de belastingen hierdoor de geldeconomie was mogelijk om Centralisatie en staatsvorming. ook
Frankrijk had een standenmaatschappij. Door de opkomst van steden werden burgers gezien als
derde stand. In 1302 riep de koningen de Staten-Generaal samen hierin zaten vertegenwoordigers
van de 3 standen. In 1355 stemden ze voor het eerst in met permanente belastingen, op zout en
andere handelswaren. Ook kreeg de koning in 1440 goedkeuring op belasting heffen op de grond van
de derde stand. Ook werden er universiteiten gesticht. Ook kwam er een recht kamer.
Duitsland en Engeland
In Duitsland ging koningschap niet via bloed maar via de 7 machtige edelen en bisschoppen. En de
keurvorsten. Duitsland was rond 1000 machten maar er kwam niks van staatsvorming en
centralisatie.
In Engeland kwam staatsvorming en centralisatie als snel op gang. Een Normandische hertog
veroverde Engeland en gaf delen in leen. Ook kwam er later een parlement waar de drie standen
terug in kwamen.
In steden konden ze afspraken met hun heer waardoor ze met de privileges die ze kregen niet meer
aan de verplichtingen houden. Ook konden er in stede stadrechten komen. steden bescherming zich
zelf met grachten, muren, ophaalburgers en wachttorens. Ook was er een stedelijke rechtbank waar
een vorst een rechter mocht kiezen ook wel een baljuw en schout. Vaak vochten steden mee met
oorlogen omdat, de edelen goed met elkaar waren of met koning waren waardoor ze elkaar helpe
met huursoldaten.
Stedelijke samenleving
Als je een jaar en een dag woonde in de stad mocht je burgerecht kopen. Dan werd je dus burger.
Alleen burgers mochten bijvoorbeeld een ambacht hebben of worden berecht in de stedelijke
rechtbank. Niet iedereen kon burgerij worden zo konden vrouwen, arbeiders, los werkvolk,
bedelaars, geestelijken (hoorden onder het kerkelijk recht) en joden ( zij waren vreemden woonde in
andere wijken en mocht niet alle beroepen worden.) rijke kooplieden waren de elite zij maakte de
dienst uit zij bestuurde de stad vanuit het raadshuis. Het stadsbestuur: de schepenen (waren
bestuurders en rechters tegelijk) veel steden vanaf 13 e eeuw hadden burgemeesters. Vroedschap zij
waren tientallen burgers die het stadsbestuur adviseerde en controleerde. Stadsbestuur moest veel
doen zoals: openbare bouwwerken, grachten, bruggen, stadsscholen, ziekenhuis werden
gecontroleerd ( deed de kerk voor zorgen). Schutterijen vrijwillige ambachtslieden met eigen woning
en werkplaats die als burgerwacht deden in hun wijk hadden uniform. Als je in gilde wou had je
burgerrecht nodig
Door verstedelijking wouden mensen naar steden hierbij stopte de horigheid en het hofstelsel maar
moesten de boeren geld betalen.
4.3 staatvorming en centralisatie
Aan het begin van deze tijd hadden de Franse koning niet veel te zeggen in de loop van de tijd kregen
ze steeds meer macht. na een oorlog met de Engelse koning tussen 1337-1453. Waarin de Franse
wonen. Na 1500 had de koning het hoogste gezag de soevereiniteit. Er kwamen wetten en
belastingen. Hij kon deze zogenaamde centralisatie (organisatie zoveel mogelijk door een persoon
wordt bestuurd) door voeren omdat hij ambtenaren en soldaten in dienst had. Hierdoor ontstond er
een moderne staat.
Door de belastingen hierdoor de geldeconomie was mogelijk om Centralisatie en staatsvorming. ook
Frankrijk had een standenmaatschappij. Door de opkomst van steden werden burgers gezien als
derde stand. In 1302 riep de koningen de Staten-Generaal samen hierin zaten vertegenwoordigers
van de 3 standen. In 1355 stemden ze voor het eerst in met permanente belastingen, op zout en
andere handelswaren. Ook kreeg de koning in 1440 goedkeuring op belasting heffen op de grond van
de derde stand. Ook werden er universiteiten gesticht. Ook kwam er een recht kamer.
Duitsland en Engeland
In Duitsland ging koningschap niet via bloed maar via de 7 machtige edelen en bisschoppen. En de
keurvorsten. Duitsland was rond 1000 machten maar er kwam niks van staatsvorming en
centralisatie.
In Engeland kwam staatsvorming en centralisatie als snel op gang. Een Normandische hertog
veroverde Engeland en gaf delen in leen. Ook kwam er later een parlement waar de drie standen
terug in kwamen.