Hoofdstuk 3
3.1 cultuur
Cultuur: bestaat uit elementen die mensen met elkaar delen en doorgeven aan de volgende
generatie (socialisatie). Elementen zijn op de eerste plaats waarden maar ook voorstellingen,
opvattingen, uitdrukkingsvormen en normen.
Wat mensen in hun hoofd meedragen:
waarden: idealen, zoals gelijkheid, vrijheid en veiligheid
opvattingen: ideeën die passen in een groter geheel van opvattingen, zoals een islamitisch, een
linkse of hedonistische; dat zijn waarden systemen
voorstellingen: beelden, ideeën, verhalen die mensen hebben over een gebeurtenis, bijv. over een
land onafhankelijk werd of een heldhaftige gebeurtenis uit het verleden, met beelden van de
Nederlandse zeehelden Michiel de Ruyter en Piet Heijn.
Van hieruit geven mensen betekenissen aan wat ze om zich heen zien.
wat je aan de buitenkant kunt zien of merken:
uitdrukkingsvormen: bijvoorbeeld symbolen als een kruis (voor christenen) of de hamer en sikkel
(voor communisten). De Nederlandse klompen en molens, maar ook kapsels (hanenkammen of juist
kale koppen) en taal.
Normen: regels die horen bij waardes. Deze normen nemen ze mee als ze naar andere groepen gaan
instituties: een geheel aan gedragsregels die het gedrag van mensen reguleren
Materiële aspecten: tastbaar en concreet zoals symbolen en taal
immateriële aspecten: zijn zaken die je niet meteen ziet maar die wel belangrijk zijn voor de mensen
en hun gedrag.
Cultuur zijn dan ook relatief, ze zijn plaats- en tijd gebonden.
Dominante cultuur: dit zijn delen van een cultuur in het hele land zo zijn er andere regels in
verschillenden landen.
Subculturen: dit zijn kleinere culturen die passen in een dominante cultuur. Denk hierbij aan
bijvoorbeeld spotvrienden.
Tussencultuur: immigranten moet nog goed mengen in de samenleving dus ze hebben nog delen van
hun eigen cultuur
tegencultuur: mensen die niet in de dominante cultuur willen horen. Ze zijn het niet eens met
bijvoorbeeld te democratie, zoals terroristische groepen.
3.2 Nature-nurture
Ieder kind dat word geboren heeft unieke eigenschappen, zoals bijvoorbeeld je DNA
en vingerafdruk. Die zijn aangeboren en worden nature genoemd; het is je natuur.
Ook aangeleerde eigenschappen spelen in een rol in je identiteit. Aangeleerd
gedrag, nurture heeft te maken met de omgeving waarin iemand opgroeit en leeft.
De vraag of eigenschappen van mensen meer worden bepaald door natuur of cultuur
staat centraal in het nature-nurture-debat. Biologische en erfelijke factoren
verklaren het nature-deel en het nurture-deel wordt verklaard door opvoeding en
omgevingsfactoren.
3.1 cultuur
Cultuur: bestaat uit elementen die mensen met elkaar delen en doorgeven aan de volgende
generatie (socialisatie). Elementen zijn op de eerste plaats waarden maar ook voorstellingen,
opvattingen, uitdrukkingsvormen en normen.
Wat mensen in hun hoofd meedragen:
waarden: idealen, zoals gelijkheid, vrijheid en veiligheid
opvattingen: ideeën die passen in een groter geheel van opvattingen, zoals een islamitisch, een
linkse of hedonistische; dat zijn waarden systemen
voorstellingen: beelden, ideeën, verhalen die mensen hebben over een gebeurtenis, bijv. over een
land onafhankelijk werd of een heldhaftige gebeurtenis uit het verleden, met beelden van de
Nederlandse zeehelden Michiel de Ruyter en Piet Heijn.
Van hieruit geven mensen betekenissen aan wat ze om zich heen zien.
wat je aan de buitenkant kunt zien of merken:
uitdrukkingsvormen: bijvoorbeeld symbolen als een kruis (voor christenen) of de hamer en sikkel
(voor communisten). De Nederlandse klompen en molens, maar ook kapsels (hanenkammen of juist
kale koppen) en taal.
Normen: regels die horen bij waardes. Deze normen nemen ze mee als ze naar andere groepen gaan
instituties: een geheel aan gedragsregels die het gedrag van mensen reguleren
Materiële aspecten: tastbaar en concreet zoals symbolen en taal
immateriële aspecten: zijn zaken die je niet meteen ziet maar die wel belangrijk zijn voor de mensen
en hun gedrag.
Cultuur zijn dan ook relatief, ze zijn plaats- en tijd gebonden.
Dominante cultuur: dit zijn delen van een cultuur in het hele land zo zijn er andere regels in
verschillenden landen.
Subculturen: dit zijn kleinere culturen die passen in een dominante cultuur. Denk hierbij aan
bijvoorbeeld spotvrienden.
Tussencultuur: immigranten moet nog goed mengen in de samenleving dus ze hebben nog delen van
hun eigen cultuur
tegencultuur: mensen die niet in de dominante cultuur willen horen. Ze zijn het niet eens met
bijvoorbeeld te democratie, zoals terroristische groepen.
3.2 Nature-nurture
Ieder kind dat word geboren heeft unieke eigenschappen, zoals bijvoorbeeld je DNA
en vingerafdruk. Die zijn aangeboren en worden nature genoemd; het is je natuur.
Ook aangeleerde eigenschappen spelen in een rol in je identiteit. Aangeleerd
gedrag, nurture heeft te maken met de omgeving waarin iemand opgroeit en leeft.
De vraag of eigenschappen van mensen meer worden bepaald door natuur of cultuur
staat centraal in het nature-nurture-debat. Biologische en erfelijke factoren
verklaren het nature-deel en het nurture-deel wordt verklaard door opvoeding en
omgevingsfactoren.