H11 – Voeding en vertering
Belangrijkste functie van eten
- Energie
- Groei
o Groei is het zwaarder en groter worden van cellen in het organisme
- Herstel
- Vervangen
o Herstel is niet hetzelfde als vervangen
Organische stof – stof is organisch als er koolstof, waterstof en zuurstof in zit.
Autotroof organisme – Organisme dat van anorganische stoffen organische stoffen kan maken.
Darmflora (1-2 kilo) – bacteriën die in je dikke darm zitten
o Aangelegd via je moeder en daarna via voedsel
o Darmflora beschermt jou tegen infectie met bacteriën die schadelijk voor jou zijn
o Darmflora helpt ook bij het laatste beetje van de voedselvertering
Probiotica – goeie bacteriën die jou darmflora helpen ondersteunen.
Prebiotica – stoffen waar de goeie bacteriën van groeien.
Voedingsstoffen die je binnenkrijgt moet je verteren, omdat moleculen van het voedsel te groot zijn
voor je darmen om ze op te nemen dus moeten ze afgebroken worden.
Zetmeel wordt omgezet naar glucose.
Eiwitten zijn te groot en worden aminozuren die wel opgenomen kunnen worden.
Koolhydraten, suikers, vetten en eiwitten (reserve brandstof) worden gebruikt als brandstoffen
Eiwitten zijn de belangrijkste bouwstoffen. Water is ook bouwstof; nodig voor maken van cytoplasma
Vetten zijn ook bouwstoffen; nodig voor celmembranen.
Beschermende stoffen zijn vitamines en eiwitten.
Koolhydraten monosachariden
Vetten vetzuren, glycerol
Eiwitten aminozuren
o Tabel 67
Voedingsvezels zijn stoffen die in plantaardig voedsel zitten
- Bevorderen de darmperistaltiek
- Vezels houden vocht vast
Obesitas – ziekelijk overgewicht
Additief – stofje dat aan voedingsstoffen is toegevoegd
- Verschillende functies
- ADI-waarde > aanbevolen dagelijkse inname
- Krijgen altijd een E-nummer
Contaminant – stof die in voedselmiddelen zit die je er niet in wilt hebben (per ongeluk of expres)
, H11 – Voeding en vertering
Spijsverteringskanaal maakt grote moleculen kleiner zodat het opgenomen kan worden
Voedingsmiddel – alles wat je eet en drinkt
Voedingsstof – stoffen die in voedingsmiddelen zitten (koolhydraten, vetten, eiwitten etc.)
Verteringsstelsel
- Begint bij mondholte, eindigt bij anus
- Gebit vermaalt eten (mechanische verkleining)
o Maakt makkelijker om door te slikken
o Groter verteringsoppervlak waardoor vertering sneller gaat.
- Mondholte met speekselklieren -> breekt zetmeel af met amylase (enzym)
o Enzym -> biokatalysator (enzym is altijd een eiwit)
Naam van enzym eindigt meestal op – ase
Amy = afkorting voor amylose (zetmeel)
Katalysator is een stof dat een reactie versnelt, zonder daarbij zelf verbruikt
te worden.
o Amylase maakt van zetmeel glucose.
- Slokdarm maakt zelf geen spijsverteringssap; vervoert (door persen) de voedselbrij naar
beneden.
- Voedselbrij komt in de maag terecht -> slaat voedsel tijdelijk op en breekt eiwitten door
pepsinogeen af.
o Maag maakt maagsap; bevat zoutzuur en pepsinogeen
Pepsinogeen -> wordt gemaakt door maagkliercellen en breek geen eiwitten
af maar pepsine wel. Het zoutzuur zet pepsinogeen om in pepsine; pepsine
breekt wel eiwitten af.
Maagsap heeft pH tussen 1,5 en 3.
Maag wordt beschermt door slijmlaag.
o Pep = afkorting voor peptide (= eiwit)
- De twaalfvingerige darm -> ontvangt enzymen van de alvleesklier, gal en voedsel uit de maag.
o Darm heeft ongeveer de lengte van 12 vingers naast elkaar.
- Alvleesklier (pancreas) -> amylase verteert overgebleven zetmeel/koolhydraten, tryptase
verteert eiwitten tot aminozuren, liplase verteert vetten verder.
- Galblaas -> slaat gal op, gal helpt bij vertering van vetten.
o Gal is een emulgator -> zorgt ervoor dat een hydrofiele stoffen en hydrofobe stoffen
kunnen mengen.
o Gal zorgt ervoor dat grote vet druppeltjes kleine vet druppeltjes worden en dat ze
oplossen in water.
o Galstenen -> galblaas wordt verwijderd -> doorverwijzing naar diëtist -> minder vet
eten
o Gal is geen spijsverteringsenzym -> breekt vet niet af.
- Lever ->
- Dunne darm -> laatste fase van vertering door darmsapklieren + neemt voedingsstoffen op in
het bloed (poortader).
- Blinde darm -> uiteinde dunne darm, overgang naar dikke darm, verzamelplaats darmflora
voor produceren vitaminen e.d.
- Appendix -> aanhangsel blinde darm, bevat darmflora
- Dikke darm -> terugresorptie water en productie vitaminen.
o Werkt niet goed -> diarree -> te veel vocht verliezen -> uitdroging
- Endeldarm -> tijdelijke opslag
- Rectum ->
Belangrijkste functie van eten
- Energie
- Groei
o Groei is het zwaarder en groter worden van cellen in het organisme
- Herstel
- Vervangen
o Herstel is niet hetzelfde als vervangen
Organische stof – stof is organisch als er koolstof, waterstof en zuurstof in zit.
Autotroof organisme – Organisme dat van anorganische stoffen organische stoffen kan maken.
Darmflora (1-2 kilo) – bacteriën die in je dikke darm zitten
o Aangelegd via je moeder en daarna via voedsel
o Darmflora beschermt jou tegen infectie met bacteriën die schadelijk voor jou zijn
o Darmflora helpt ook bij het laatste beetje van de voedselvertering
Probiotica – goeie bacteriën die jou darmflora helpen ondersteunen.
Prebiotica – stoffen waar de goeie bacteriën van groeien.
Voedingsstoffen die je binnenkrijgt moet je verteren, omdat moleculen van het voedsel te groot zijn
voor je darmen om ze op te nemen dus moeten ze afgebroken worden.
Zetmeel wordt omgezet naar glucose.
Eiwitten zijn te groot en worden aminozuren die wel opgenomen kunnen worden.
Koolhydraten, suikers, vetten en eiwitten (reserve brandstof) worden gebruikt als brandstoffen
Eiwitten zijn de belangrijkste bouwstoffen. Water is ook bouwstof; nodig voor maken van cytoplasma
Vetten zijn ook bouwstoffen; nodig voor celmembranen.
Beschermende stoffen zijn vitamines en eiwitten.
Koolhydraten monosachariden
Vetten vetzuren, glycerol
Eiwitten aminozuren
o Tabel 67
Voedingsvezels zijn stoffen die in plantaardig voedsel zitten
- Bevorderen de darmperistaltiek
- Vezels houden vocht vast
Obesitas – ziekelijk overgewicht
Additief – stofje dat aan voedingsstoffen is toegevoegd
- Verschillende functies
- ADI-waarde > aanbevolen dagelijkse inname
- Krijgen altijd een E-nummer
Contaminant – stof die in voedselmiddelen zit die je er niet in wilt hebben (per ongeluk of expres)
, H11 – Voeding en vertering
Spijsverteringskanaal maakt grote moleculen kleiner zodat het opgenomen kan worden
Voedingsmiddel – alles wat je eet en drinkt
Voedingsstof – stoffen die in voedingsmiddelen zitten (koolhydraten, vetten, eiwitten etc.)
Verteringsstelsel
- Begint bij mondholte, eindigt bij anus
- Gebit vermaalt eten (mechanische verkleining)
o Maakt makkelijker om door te slikken
o Groter verteringsoppervlak waardoor vertering sneller gaat.
- Mondholte met speekselklieren -> breekt zetmeel af met amylase (enzym)
o Enzym -> biokatalysator (enzym is altijd een eiwit)
Naam van enzym eindigt meestal op – ase
Amy = afkorting voor amylose (zetmeel)
Katalysator is een stof dat een reactie versnelt, zonder daarbij zelf verbruikt
te worden.
o Amylase maakt van zetmeel glucose.
- Slokdarm maakt zelf geen spijsverteringssap; vervoert (door persen) de voedselbrij naar
beneden.
- Voedselbrij komt in de maag terecht -> slaat voedsel tijdelijk op en breekt eiwitten door
pepsinogeen af.
o Maag maakt maagsap; bevat zoutzuur en pepsinogeen
Pepsinogeen -> wordt gemaakt door maagkliercellen en breek geen eiwitten
af maar pepsine wel. Het zoutzuur zet pepsinogeen om in pepsine; pepsine
breekt wel eiwitten af.
Maagsap heeft pH tussen 1,5 en 3.
Maag wordt beschermt door slijmlaag.
o Pep = afkorting voor peptide (= eiwit)
- De twaalfvingerige darm -> ontvangt enzymen van de alvleesklier, gal en voedsel uit de maag.
o Darm heeft ongeveer de lengte van 12 vingers naast elkaar.
- Alvleesklier (pancreas) -> amylase verteert overgebleven zetmeel/koolhydraten, tryptase
verteert eiwitten tot aminozuren, liplase verteert vetten verder.
- Galblaas -> slaat gal op, gal helpt bij vertering van vetten.
o Gal is een emulgator -> zorgt ervoor dat een hydrofiele stoffen en hydrofobe stoffen
kunnen mengen.
o Gal zorgt ervoor dat grote vet druppeltjes kleine vet druppeltjes worden en dat ze
oplossen in water.
o Galstenen -> galblaas wordt verwijderd -> doorverwijzing naar diëtist -> minder vet
eten
o Gal is geen spijsverteringsenzym -> breekt vet niet af.
- Lever ->
- Dunne darm -> laatste fase van vertering door darmsapklieren + neemt voedingsstoffen op in
het bloed (poortader).
- Blinde darm -> uiteinde dunne darm, overgang naar dikke darm, verzamelplaats darmflora
voor produceren vitaminen e.d.
- Appendix -> aanhangsel blinde darm, bevat darmflora
- Dikke darm -> terugresorptie water en productie vitaminen.
o Werkt niet goed -> diarree -> te veel vocht verliezen -> uitdroging
- Endeldarm -> tijdelijke opslag
- Rectum ->