Week 1
Gedrag= geheel van acties en reacties van een organisme. Uitwendig is voor derden
waarneembaar gedrag en inwendig is denken en voelen. Je hebt zowel waarneembare
handelingen, niet-waarneembare handelingen en onbewuste (reflexmatige) handelingen.
Ethologie= gedrag is vooral afhankelijk van de natuurlijke context.
Psychologie= ontwikkeling van gedrag doormiddel van ervaring.
Theorie van Lamarck: kenmerken die ontwikkeld zijn gedurende het leven (nurture), hoe
vaker je je nek moet stretchen hoe langer die wordt, worden doorgegeven aan het
nageslacht.
Kern van waarheid, epigenetica.
Epigenetica: wanneer vrouwen van de tweede wereldoorlog (hongersnood)
kind krijgen -> vaak kind met diabetes type 1, want alles uit het eten
moeten halen dus hypersensitief en vaak snel dik.
Transgene rationeel: over generaties heen.
Evolutietheorie van Darwin en Wallace
- Variatie is in iedere populatie.
- Erfelijkheid; eigenschappen worden doorgegeven aan het nageslacht.
- Competitie; meer dieren dan de wereld nodig heeft.
- Natuurlijke selectie ‘’the strongest survives’’.
- Adaptie; dieren die het langst leven geven meer nakomelingen en passen zich aan.
Klimaatadaptie; een paard past zich ook aan aan de omgeving. Northern effects zijn
bijvoorbeeld bij de Fjorden. Ze zijn anders gebouwd dan een Arabier die in een warme
omgeving leeft. Dit zijn Southern effects.
Domesticatie= het proces waarmee de mens dieren en planten (door selectie en fokken)
zodanig van eigenschappen verandert dat deze dieren en planten steeds meer aangepast
raken aan het leven dicht bij en in dienst van de mens.
Genetisch en ontwikkeling.
Er zijn ook gevolgen van domesticatie:
- Meer agressie.
- Grotere kans op (besmettelijke) ziekten.
- Gedrag wordt gematigder.
- Seksueel gedrag wordt sterker.
- Inteelt.
Hyracotharium is het dier waar de paard van is ontstaan.
Week 2
,Paarden verwerken informatie door het brein (forebrain, midbrain en hindbrain)
- The cerebrum, cerebellum, brain stem.
The special senses; zicht, gehoor, geur en smaak en voelen op de huid.
Een paard heeft een andere waarneming van de werkelijkheid en vanuit andere drijfveren
reageert hij ergens op.
Een paard kan kleuren minder zien, maar ziet wel meer contrast dan de
mens.
Een paard kan bijna 360 graden omkijken, niet helemaal.
(Kudde in de gate houden en jagers in de gaten houden bij grazen).
Paard heeft ogen aan de zijkant voor zoveel mogelijk visie.
Een paard registreert links naar rechterdeel hersenen en andersom. Een
paard kan niet twee kanten combineren.
Een paard kan dieptes niet goed inschatten.
Een paard kan oorontstekingen krijgen door het uitscheren van de oren,
het beschermd de oorschelp.
Het oor van het paard is draaibaar, dit is voor het lokaliseren van het
geluid.
Paarden zijn gevoeliger voor hogere hertz.
Paarden kunnen gedeeltelijk oor afsluiten door oor naar achter te leggen.
Paarden zijn sensitiever dan mensen voor geur. Ze hebben een heel breed
pallet aan geuren.
Flemen heeft een speciale functie (orgaan van Jacobsen), emotionele
functie maar soms pijn.
Door flemen kan een paard beter geur opnemen.
Een paard snurkt voor spanning voor zijn soortgenoten, maar vooral voor
schoonblazen van de luchtwegen.
Een paard ervaart meer sensatie op de huid. Ze hebben meer zenuwen op
de huid.
Een paard ervaart waarschijnlijk meer pijn dan de mens.
1) stereotiep gedrag: heeft geen duidelijk doel of functie en word continu
herhaald. Het is een manier om om te gaan met stress en zich aan te passen aan
zijn omgeving. Het dier dat dit gedrag vertoond hoeft niet noodzakelijkerwijs nu
in omstandigheden te verkeren die stress opwekken, maar kunnen ook door
situaties in het verleden zijn ontstaan.
2) abnormaal gedrag: als een dier bepaald gedrag wil uitvoeren, maar de
omstandigheden laten dat niet toe, dan raakt het dier gestresst. Het dier
ontwikkelt dan gedrag dat het onder normale omstandigheden niet laat zien. Het
gaat bijvoorbeeld anders reageren op een prikkel. Deze gedragsproblemen geven
aan dat het welzijn verstoord is.
Spelgedrag: er zijn verschillende type spelgedrag; object play, play fighting, locomotor play
en sexual play. Speelgedrag is goed voor de gezondheid van een paard -> fitheid, survival
skills en sociale contacten opbouwen.
5 Basis behoefte van een paard zijn veiligheid, beweging, sociaal contact, voeding en
water. vrijheden van brambell:
, - vrijheid van pijn, verwonding en ziekte
- vrijheid van honger en dorst
- vrijheid van ongemak
- vrijheid om normaal gedrag te vertonen
- vrijheid van angst en stress
Week 3
De sensitieve fases in het leven van een paard
Instinctief gedrag: zoeken naar de tepel in een donkere ruimte.
Aangeleerd gedrag: nurture.
Neonatale fase (2 uur oud- 24 uur oud)
- Staan, lopen en drinken en primaire socialisatie.
Transitionele fase (tot 2 weken oud)
- Grootste zintuigelijke ontwikkelingen en leert veel van de moeder en haar reacties op
de omgeving.
Socialisatie fase (4 tot 12 weken oud)
- Socialisatie met andere kudde leden en niet-paardachtigen
Jeugdige fase (tot 3 a 4 jaar oud)
- Speelgedrag gefocust op de ontwikkeling van het volwassen leven
Je kan op deze sensitieve periode inspelen door er gebruik van te maken door bijvoorbeeld
het veulen veel in de hand te hebben en te desensibiliseren.
Hoe ziet een kudde eruit; een harem oftewel een familiegroep, maar je hebt ook een
bachelorgroep.