Week 1
Formeel is intentioneel en informeel is incidenteel.
Leren is een mentaal proces waarbij als gevolg van leeractiviteiten een relatief
stabiele gedragsverandering tot stand komt (transfer).
Er zijn verschillende beheersingsniveaus/ stadia van kennisverwerking OBIT
(Onthouden Begrijpen Integreren Toepassen).
Taxonomie van Miller (wordt voornamelijk in het MBO gebruikt)
- Does
- Shows how
- Knows how
- Knows
Hoe leren leerlingen? De leeractiviteit (Bolhuis) van de leerling in vier
categorieen:
- Directe ervaring: ondergaan of zelf handelen (trial and error)
- Sociale interactie: het proces van het uitwisselen van informatie van
anderen.
- Nadenken / reflectie: door actief over het onderwerp na te denken, vooraf
tijdens of na het handelen.
- Het verwerken van de instructie/ theorie: door gekregen opdrachten.
De werking van het geheugen – leren gaat altijd gepaard met onthouden. Nieuwe
kennis moet worden opgenomen in het geheugen.
1. Zintuigelijk/ sensorisch geheugen (poortwachter)
Filteren van informatie, informatie betekenisvol maken en zorg dat je de
aandacht hebt.
Alleen informatie die wordt herkend en dus betekenis heeft krijgt toegang tot het
kortetermijngeheugen. Het selectief waarnemen gebeurt op onbewust niveau.
2. Kortetermijngeheugen (werkgeheugen)
Kortstondig opgeslagen (20/30 sec), bij aanbieden nieuwe informatie; voorkennis
activeren en meerdere informatieprocessen gebruiken die elkaar ondersteunen,
manieren om informatie langer vast te houden; herhaling, mnemonische
technieken zoals coderen – ezelsbruggetje of visueel – of dual coding – woord en
beeld combineren.
Het kortetermijngeheugen heeft een beperkte capaciteit en kan dus overbelast
worden dat er geen ruimte meer over blijft om te kunnen leren -> cognitieve
overload.
3. Langetermijngeheugen (kennisresevoir)
, Opslagtermijn is onbeperkt, verbanden leggen tussen bepaalde zaken, geen
objectieve feiten maar subjectief gekleurd.
- Expliciete of declaratieve geheugen (feiten = weten, bewust opgeslagen
en kan je makkelijk oproepen.)
- Impliciete of niet declaratieve geheugen (vaardigheden = uitvoeren,
minder snel opgeslagen, onbewust, herhaling over lange periode,
vaardigheden die worden getraind en dan automatisch worden zoals bijv.
fietsen en autorijden)
Vaardigheden is iets doen en kennis is iets weten. Het aanleren van vaardigheden
wordt trainen genoemd. Belangrijk voor docent is zicht hebben op de vorderingen
bij de vaardigheid, anders kunnen er fouten inslijpen en deze zijn niet makkelijk
te veranderen. Docent en leerling moeten overtuigd zijn dat er geen sprake is
van (denk)fouten, voordat de ll zelfstandig een vaardigheid leert kan een
stappenplan bij helpen.
Week 2
Week 3
Didactisch analyse model van van Gelder.
4 vragen centraal:
1. Waar moet ik beginnen? (cognitief en affectief)
2. Wat wil ik bereiken? (productdoel – wat en procesdoel – hoe)
3. Hoe ga ik lesgeven?
4. Heb ik mijn doelen bereikt? (evaluatie van product en proces – de weg er
naar toe)