Geschiedenis werkplaats H7
Tijdlijn,
1663-1715 koning Lodewijk XIV
1740-1805 Belle van Zuylen
1751-1772 Encyclopédie
1751-1795 stadhouder Willem V
1763 begin van de Amerikaanse Revolutie
1774-1792 koning Lodewijk XVI
1781 begin van de patriottenopstand
1787 medaillon van Wedgwood
1789 begin van de Franse Revolutie
1795 begin van de Bataafse Revolutie
1799-1813 Frankrijk onder Napoleon
1807 Britse afschaffing van slavenhandel
1833 Britse afschaffing van slavernij
Kenmerkende aspecten,
- Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
- Voortbestaan van het ancien régime met poging om het vorstelijk bestuur op
eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
- De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over
grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.
- Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën
en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het
abolitionisme.
Paragraaf 1,
In de 17de eeuw was de verlichting, een periode met veel wetenschappelijke ontdekkingen.
Een van deze ontdekkingen was de ontdekking van de zwaartekracht. De mens kwam uit de
duistere middeleeuwen naar het licht van de wetenschap. Er stond optimisme om met het
verstand de wereld te gaan begrijpen en verbeteren(rationalisme). Hierbij was
gewetensvrijheid erg belangrijk. De Pruisische koning Frederik de Grote was hier ook een
aanhanger van. Parijs was het centrum van de verlichting. Hier kwamen denkers bijeen.
Diderot en d’Alembert waren filosofen die samen de Encyclopédie uitgaven om kennis
toegankelijk te maken.
Verlichtingsdenkers waren voor godsdienst tolerantie, anders kwamen er alleen maar
oorlogen hiervan. Frederik de Grote vond dat alle religies gelijke rechten moesten hebben
omdat er geen bewijs was van wie gelijk had. Voltaire was bestrijder van bijgeloof, die vooral
door de RKK werd verspreid. Voltaire was geen atheïst maar een deïst (klokkenmaker). Alles
loopt volgens hem door natuurwetten.
, Voltaire was voor ongelijke sociale verhoudingen. Volgens hem wilde maar een klein deel
van de bevolking zelf nadenken. De rest kon zich beter laten leiden door de adel. Volgens
andere waren deze oude in strijd met de rede, iedereen heeft verstand gekregen en dus ook
het recht om deze te gebruiken. Rousseau schreef dan ook dat ieder mens van nature gelijk
is. Het was misgegaan door menselijke hebzucht die na eigendom ontstond.
Ook ging men nadenken over de politiek. Zo dacht John Locke dat koningen hun
soevereiniteit niet ontvangen hebben van God maar van de burger. Zij hebben een deel van
hun vrijheid ingeleverd zodat de overheid kan zorgen voor veiligheid. Het was hun taak om
voor de mensenrechten te zorgen. Volgens Locke stond de overheid niet boven de wet en
moesten zij zich er dan ook zelf aan houden.
Rousseau was het met volkssoevereiniteit eens en noemde die ‘de algemene wil’. Dit is niet
de mening van de meerderheid, maar wat het beste was voor allen.
Volgens Montesquieu verafschuwde het ‘despotisme’. Wanneer één iemand de politieke
macht heeft, leidt dit sws tot machtsmisbruik. Ook was hij voor de trias politica, wetgevende,
uitvoerende en rechterlijke macht die van elkaar gescheiden moesten zijn.
De bekendste econoom was Adam Smith. Hij schreef het boek: ‘Een onderzoek naar de
kenmerken en oorzaken van de welvaart der volken’. Volgens Smith streeft men altijd hun
eigen voordeel na. Wanneer dit gebeurd is het niet perse nadelig voor anderen, maar
ontstaat er een evenwicht (vraag & aanbod). Verder was hij tegen het mercantilisme,
overheid moet zorgen voor eerlijke spelregels maar zich verder niet bemoeien met de
economie.
Paragraaf 2,
Frankrijk was natuurlijk de kern van de verlichting, en dus de vrijheid. Maar juist in dit land
was er ook onvrijheid en censuur. Zo werd een boek waarin Voltaire de regering van GB
prees verbrand omdat dit werd gezien als kritiek. Het bestuur voor de democratische
revoluties wordt het ancien régime genoemd. Lodewijk XIV tot Lodewijk XVI probeerde
veranderingen tegen te houden.
De sociale standen waren voor een groot deel van de bevolking nadelig. Edelen en
geestelijken genoten van hun voordelen terwijl de boeren het zware werk doen en hierover
ook nog eens veel belasting moesten betalen. Dit alles was bepaald op basis van geboorte.
De bourgeoisie, rijke burgerij, was rijk geworden door handel maar had niks te zeggen.
Frederik de Grote was een aanhanger van het verlichte absolutisme. Hij was een dienaar van
de staat en was voor veel vrijheid. Ook verbood hij martelen en dacht hij dat misdaad uit
domheid voortkwam. Wel vond hij dat hij absolute macht moest houden en de adelen
voorrechten moesten houden. Ook bleef de junker, plattelandsedelen, heersen over hun
boeren. Zij bleven leven als horigen. Dit deed hij omdat hij de junker nodig had voor zijn
leger.
Ook Catharina de Grote, keizerin van Rusland (1762-1796), probeerde het verlicht
absolutisme. Ze was geboren als Duitse prinses en was getrouwd met de tsaar. Ze was
populair bij verlichtingsdenkers maar Russische elites volgde haar plannen niet.
Tijdlijn,
1663-1715 koning Lodewijk XIV
1740-1805 Belle van Zuylen
1751-1772 Encyclopédie
1751-1795 stadhouder Willem V
1763 begin van de Amerikaanse Revolutie
1774-1792 koning Lodewijk XVI
1781 begin van de patriottenopstand
1787 medaillon van Wedgwood
1789 begin van de Franse Revolutie
1795 begin van de Bataafse Revolutie
1799-1813 Frankrijk onder Napoleon
1807 Britse afschaffing van slavenhandel
1833 Britse afschaffing van slavernij
Kenmerkende aspecten,
- Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
- Voortbestaan van het ancien régime met poging om het vorstelijk bestuur op
eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
- De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over
grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.
- Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën
en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het
abolitionisme.
Paragraaf 1,
In de 17de eeuw was de verlichting, een periode met veel wetenschappelijke ontdekkingen.
Een van deze ontdekkingen was de ontdekking van de zwaartekracht. De mens kwam uit de
duistere middeleeuwen naar het licht van de wetenschap. Er stond optimisme om met het
verstand de wereld te gaan begrijpen en verbeteren(rationalisme). Hierbij was
gewetensvrijheid erg belangrijk. De Pruisische koning Frederik de Grote was hier ook een
aanhanger van. Parijs was het centrum van de verlichting. Hier kwamen denkers bijeen.
Diderot en d’Alembert waren filosofen die samen de Encyclopédie uitgaven om kennis
toegankelijk te maken.
Verlichtingsdenkers waren voor godsdienst tolerantie, anders kwamen er alleen maar
oorlogen hiervan. Frederik de Grote vond dat alle religies gelijke rechten moesten hebben
omdat er geen bewijs was van wie gelijk had. Voltaire was bestrijder van bijgeloof, die vooral
door de RKK werd verspreid. Voltaire was geen atheïst maar een deïst (klokkenmaker). Alles
loopt volgens hem door natuurwetten.
, Voltaire was voor ongelijke sociale verhoudingen. Volgens hem wilde maar een klein deel
van de bevolking zelf nadenken. De rest kon zich beter laten leiden door de adel. Volgens
andere waren deze oude in strijd met de rede, iedereen heeft verstand gekregen en dus ook
het recht om deze te gebruiken. Rousseau schreef dan ook dat ieder mens van nature gelijk
is. Het was misgegaan door menselijke hebzucht die na eigendom ontstond.
Ook ging men nadenken over de politiek. Zo dacht John Locke dat koningen hun
soevereiniteit niet ontvangen hebben van God maar van de burger. Zij hebben een deel van
hun vrijheid ingeleverd zodat de overheid kan zorgen voor veiligheid. Het was hun taak om
voor de mensenrechten te zorgen. Volgens Locke stond de overheid niet boven de wet en
moesten zij zich er dan ook zelf aan houden.
Rousseau was het met volkssoevereiniteit eens en noemde die ‘de algemene wil’. Dit is niet
de mening van de meerderheid, maar wat het beste was voor allen.
Volgens Montesquieu verafschuwde het ‘despotisme’. Wanneer één iemand de politieke
macht heeft, leidt dit sws tot machtsmisbruik. Ook was hij voor de trias politica, wetgevende,
uitvoerende en rechterlijke macht die van elkaar gescheiden moesten zijn.
De bekendste econoom was Adam Smith. Hij schreef het boek: ‘Een onderzoek naar de
kenmerken en oorzaken van de welvaart der volken’. Volgens Smith streeft men altijd hun
eigen voordeel na. Wanneer dit gebeurd is het niet perse nadelig voor anderen, maar
ontstaat er een evenwicht (vraag & aanbod). Verder was hij tegen het mercantilisme,
overheid moet zorgen voor eerlijke spelregels maar zich verder niet bemoeien met de
economie.
Paragraaf 2,
Frankrijk was natuurlijk de kern van de verlichting, en dus de vrijheid. Maar juist in dit land
was er ook onvrijheid en censuur. Zo werd een boek waarin Voltaire de regering van GB
prees verbrand omdat dit werd gezien als kritiek. Het bestuur voor de democratische
revoluties wordt het ancien régime genoemd. Lodewijk XIV tot Lodewijk XVI probeerde
veranderingen tegen te houden.
De sociale standen waren voor een groot deel van de bevolking nadelig. Edelen en
geestelijken genoten van hun voordelen terwijl de boeren het zware werk doen en hierover
ook nog eens veel belasting moesten betalen. Dit alles was bepaald op basis van geboorte.
De bourgeoisie, rijke burgerij, was rijk geworden door handel maar had niks te zeggen.
Frederik de Grote was een aanhanger van het verlichte absolutisme. Hij was een dienaar van
de staat en was voor veel vrijheid. Ook verbood hij martelen en dacht hij dat misdaad uit
domheid voortkwam. Wel vond hij dat hij absolute macht moest houden en de adelen
voorrechten moesten houden. Ook bleef de junker, plattelandsedelen, heersen over hun
boeren. Zij bleven leven als horigen. Dit deed hij omdat hij de junker nodig had voor zijn
leger.
Ook Catharina de Grote, keizerin van Rusland (1762-1796), probeerde het verlicht
absolutisme. Ze was geboren als Duitse prinses en was getrouwd met de tsaar. Ze was
populair bij verlichtingsdenkers maar Russische elites volgde haar plannen niet.