Functies van recht: normatief, geschiloplossend, additioneel, instrumenteel
- Normatief; gedragsregels waarvan iedereen vindt dat ze moeten worden nageleefd
(normen)
- Geschiloplossend; hoe om te gaan met de regels, wie krijgt welke straf
o Eigenrichting= recht in eigen handen nemen (oog om oog) verboden
- Additioneel; als partijen zelf onderdelen niet hebben geregeld onderling
- Instrumenteel; gedragsregels bepaald door de wet zonder directe reden (zoals rechts rijden)
Rechtsbronnen; waar je recht kan vinden; wet, verdrag, jurisprudentie, gewoonte
1. Wet; privaatrecht en publiekrecht
- Privaat; Boek 1 t/m 8 + 10. Civiel/ burgerlijk recht, tussen burgers onderling. bestaat uit
vermogensrecht, personen/ familierecht, burgerlijk procesrecht en ondernemingsrecht
o Personen/ familierecht= Boek 1 BW. Geboorte, huwelijk, regeling vermogen van
echtgenoten
o Vermogensrecht= voorn Boek 3, 5, 6. alle op geld waardeerbare handelingen tussen
burgers onderling waaraan juridische gevolgen verbonden zijn
o Burgerlijk procesrecht= burgers hebben ruzie, en lossen het op via een proces
(rechtszaak)
o Ondernemingsrecht= Boek 2. Ondernemingsvormen
- Publiek; strafrecht, staatsrecht, bestuursrecht. Tussen overheid en persoon.
o Strafrecht= Wetboek van strafrecht. OM vertegenwoordigt de staat, met als doel
oplegging van sancties
Vaak i.c.m. vermogensrecht (iemand aanrijden op zebrapad=
vermogensrecht voor vergoeden schade aangereden persoon + strafrecht
voor niet verlenen van voorrang)
o Staatsrecht= Grondwet. vormgeving Nederlandse staat + invloed van burgers daarop
Grondwet; basisregels. Organieke wet= wetten die op grond van een
dergelijke grondwet tot stand komen
o Bestuursrecht= Algemene wet bestuursrecht (Awb). Mogelijkheden die de wetgever/
overheid heeft t.a.v. maatschappij
Privatisering/ deregulering= Mindere bemoeienis overheid en wetgever
Wetgevers= organen/ instanties die wetten maken. Wetgevers op centraal en decentraal niveau
- Centraal niveau; nationale wetgever= staten generaal (1e + 2e kamer) + regering (ministers +
staatssecretarissen). Wetten uit ’Den Haag’.
- Decentraal niveau; provinciaal en gemeentelijk niveau. Verordeningen. Lokaler dan centraal
niveau,
- Overig; SER (Sociaal-Economische Raad) of Waterschappen
Rangorde wetgevende organen;
1. Hogere regels boven lagere regels; als gemeentelijke vorderingen in strijd zijn met
overheidsregels, zal de overheidsregel nageleefd worden
2. Bijzondere regels boven algemene regels; specificering in boek 7 gaat boven algemene regels
uit boek 3
3. Jongere regels gaan boven oude regels; als regels in strijd zijn met elkaar heeft de recentste
wet voorkeur
Ook deze volgorde is op rangorde, een oude wet van de Staten Generaal heeft voorkeur boven een
recentere wet van gemeentelijke oorsprong.
, 2. Verdrag; afspraak, overeenkomst, gesloten door 2 of meer staten. Tussen 2 landen= bilateraal
verdrag, tussen 2+ landen= multilateraal verdrag
3. Jurisprudentie; rechtspraak (door rechter) of rechterlijk college (meerdere rechters). Beslissingen=
vonnis, arrest of uitspraak. Wordt toegepast om wet te interpreteren (zoals billijkheid)
- Vonnis= hoofdregel door rechtbank uitgegeven
- Arrest= gewezen door gerechtshof of Hoge Raad (privaat-, ondernemings-, of strafrecht)
- Uitspraak; overig
Soorten interpretatie= grammaticaal, wetshistorisch, anticiperend, rechtsvergelijkend
Systematisch, teleologisch, overig:
- Grammaticaal= algemeen gebruik van het woord
o (is een parkiet pluimvee? Nee, in algemeen gebruik niet, dus hoort een parkiet niet
bij pluimvee, ookal is het wel een tamme vogel)
- Wetshistorisch= passage uit de parlementaire geschiedenis van de betreffende wet
o Verduidelijking via handleiding der Staten Generaal
- Anticiperend= toekomstig recht, wat nog officieel gemaakt moet worden maar er zeker
aankomt
- Rechtsvergelijkend= hoe een vergelijkende wet in het buitenland is toegepast
- Systematisch= vage termijn uitleggen aan de hand van een andere wet waarin de term wel is
uitgelegd
- Teleologisch= interpreteren met welk doel de wet gemaakt is
o Te hard rijden had als doel veiligheid. Als iemand direct naar het ziekenhuis moet,
kan teleologisch worden onderbouwd dat dit niet het doel was van de wet.
- Overig= precedenten of redelijkheid en billijkheid
o precedenten- uitleg van vage begrippen o.b.v. eerdere interpretatie van een rechter
o redelijkheid en billijkheid- normen van fatsoen, eerlijkheid en rechtvaardigheid die
worden verwacht
redelijkheid= wat normaal is, wat zou een normaal persoon hebben gedaan
billijkheid= wat is eerlijk volgens juridische en morele termen
Redeneerwijzen; manier van denken om tot een uitspraak te komen; a-contrario en analogie
- a contrario; niet uitbreiden van het wet op een dichtbij liggende zaak
- analogie; wel uitbreiden van het wet op een dichtbij liggende zaak, de wet lijkt zodanig op de
voorgelegde situatie dat deze ook kan worden toegepast op deze zaak
4. Gewoonte; vaste gedragslijn (betreffende groep vindt het normaal) en rechtsplicht (men moet zich
moreel verplicht voelen)
Wet in materiële zin= wet geschreven voor onbepaald aantal personen (voor iedereen dus)
- wat men wel en niet mag + rechten en plichten (inhoudelijk)
Wet in formele zin= wet tot stand gekomen door regering en staten generaal gezamenlijk
- te volgen regels om materiële regels te doen effectueren, hoe men moet procederen
Veel formele wetten zijn ook materieel
Onderscheid in recht= dwingend/ aanvullend, objectief/ subjectief, privaat/ publiek
Dwingend recht= mag niet van worden afgeweken, ookal zou wil je het (geformuleerd met moeten)
- of geformuleerd met nietig; alsof het nooit heeft bestaan/ is gebeurd
Aanvullend recht= kan worden afgeweken als beide partijen akkoord zijn (geformuleerd met kunnen)
Objectief= geheel van regels dat direct uit de vier rechtsbronnen komt
Subjectief= recht van een individu als gevolg van het objectief recht (het ontvangen van een
koopsom; betalen is objectief, ontvangen is subjectief)