Longitudinaal oefententamens 1 & 2
1A Waarom zijn longitudinale data noodzakelijk voor het bestuderen van
ontwikkelingsprocessen?
A Omdat alleen herhaalde metingen bij dezelfde personen inzicht kunnen geven in
veranderingen binnen individuen omdat alleen longitudinale data geschikt zijn om causale
verbanden te toetsen
B Omdat alleen longitudinale data geschikt zijn om causale verbanden te toetsen
1B Welke voorwaarde moet worden vervuld om veranderingen binnen personen te kunnen
modelleren?
A Dezelfde variabelen moeten met dezelfde meetinstrumenten bij dezelfde personen
worden gemeten
B Er moeten minimaal drie meetmomenten zijn
2A Waarom is het concept van een ‘clustervariabele’ van belang in multilevelanalyse van
longitudinale data?
A Omdat het de hiërarchische structuur van de data definieert, waarbij de herhaalde
metingen geclusterd zijn binnen individuen
B Omdat het de afhankelijkheid tussen de verschillende individuen over de tijd verklaart
2B Longitudinale data hebben een hiërarchische of multilevelstructuur. Wat wordt er op het
tweede niveau van deze structuur gerepresenteerd door de clustervariabele?
A De individuele deelnemers van de studie
B De herhaalde metingen van de variabele over de tijd
,3 A Hieronder staat de beschrijving van een onderzoek met daarbij enige globale resultaten.
Een relatietherapeut doet onderzoek naar de relatie tussen dagelijks ervaren intimiteit en
dagelijks ervaren conflicten, waarbij rekening wordt gehouden met de 'algemeen ervaren
relatietevredenheid in een partnerrelatie' (RQ, Relationship Questionnaire). Gedurende twee
weken worden de dagelijkse metingen (variabele meetmoment) verricht en aan het begin
van de studie wordt een RQ-vragenlijst afgenomen. Uit de resultaten van de
multilevelanalyse blijkt dat voor personen met een lage algemene relatietevredenheid het
negatieve verband tussen dagelijks ervaren conflict en dagelijks ervaren intimiteit veel
sterker is dan voor personen met een hoge algemene relatietevredenheid.
Welke uitspraak is juist?
A In het conceptueel model van deze studie zijn dagelijks ervaren conflicten en algemene
relatietevredenheid de voorspellers van dagelijks ervaren intimiteit.
B In deze multilevelanalyse is een interactiecomponent opgenomen, namelijk de interactie
tussen algemene relatietevredenheid en dagelijks ervaren intimiteit.
3 B Hieronder staat de beschrijving van een onderzoek met daarbij enige globale resultaten.
Een relatietherapeut doet onderzoek naar de relatie tussen dagelijks ervaren intimiteit en
dagelijks ervaren conflicten, waarbij rekening wordt gehouden met de 'algemeen ervaren
relatietevredenheid in een partnerrelatie' (RQ, Relationship Questionnaire). Gedurende twee
weken worden de dagelijkse metingen (variabele meetmoment) verricht en aan het begin
van de studie wordt een RQ-vragenlijst afgenomen. Uit de resultaten van de
multilevelanalyse blijkt dat voor personen met een lage algemene relatietevredenheid het
negatieve verband tussen dagelijks ervaren conflict en dagelijks ervaren intimiteit veel
sterker is dan voor personen met een hoge algemene relatietevredenheid.
Welke uitspraak is juist?
A In deze multilevelanalyse is een interactiecomponent opgenomen, namelijk de interactie
tussen dagelijks ervaren conflicten en algemene relatietevredenheid.
B In deze multilevelanalyse is een interactiecomponent opgenomen, namelijk de interactie
tussen tijd (meetmoment) en algemene relatietevredenheid.
,4A Hieronder staat de beschrijving van een onderzoek.
Voor een onderzoek naar de ontwikkeling van antisociaal gedrag bij jongeren zijn bij
lagereschoolkinderen (N = 405) vier metingen gedaan, door jaarlijks hun leraar een
observatievragenlijst in te laten vullen. Ten tijde van de eerste meting zijn via face-to-face-
interviews éénmalig andere gegevens verkregen over het kind en moeder, waaronder leeftijd
en sekse van het kind, leeftijd van de moeder, cognitieve stimulatie en emotionele steun. Eén
van de hoofdvragen in deze studie richt zich op de manier waarop antisociaal gedrag zich
ontwikkelt over de tijd, en welke andere variabelen daarbij van belang zijn.
Welke hypothese gaat over een longitudinale tweeweg-interactie?
A Voor jongens is de stijging over de tijd in antisociaal gedrag sterker dan voor meisjes.
B Naarmate een kind thuis minder cognitief gestimuleerd wordt, is het (negatieve) verband
tussen emotionele steun en antisociaal gedrag sterker.
4B Hieronder staat de beschrijving van een onderzoek.
Voor een onderzoek naar de ontwikkeling van antisociaal gedrag bij jongeren zijn bij
lagereschoolkinderen (N = 405) vier metingen gedaan, door jaarlijks hun leraar een
observatievragenlijst in te laten vullen. Ten tijde van de eerste meting zijn via face-to-face-
interviews éénmalig andere gegevens verkregen over het kind en moeder, waaronder leeftijd
en sekse van het kind, leeftijd van de moeder, cognitieve stimulatie en emotionele steun. Eén
van de hoofdvragen in deze studie richt zich op de manier waarop antisociaal gedrag zich
ontwikkelt over de tijd, en welke andere variabelen daarbij van belang zijn.
Welke hypothese gaat over een longitudinale tweeweg-interactie?
A Voor jongens is de stijging over de tijd in antisociaal gedrag sterker dan voor meisjes.
B Naarmate een kind thuis minder cognitief gestimuleerd wordt, is het (negatieve) verband
tussen emotionele steun en antisociaal gedrag sterker.
5 A Hieronder staan beschrijvingen van de dataverzameling bij vier verschillende
onderzoeksonderwerpen.
, A. Een psycholoog doet onderzoek naar de ontwikkeling van prosociaal gedrag van
opgroeiende jongens en meisjes door op meerdere vaste tijdstippen in de puberteitsperiode
vragenlijsten af te nemen.
B. Een psycholoog doet onderzoek naar de langetermijneffecten van twee verschillende
vormen van psychotherapie (cognitieve gedragstherapie en schematherapie) op depressieve
klachten door bij cliënten maandelijks een depressievragenlijst af te nemen. Cliënten worden
hierbij willekeurig toegewezen aan een therapievorm.
C. Een psycholoog doet onderzoek naar de relatie tussen werkstress en alcoholgebruik,
waarbij dagelijkse metingen worden gedaan (tien werkdagen achter elkaar). Werkstress
wordt geregistreerd op het einde van een werkdag en alcoholgebruik voor het slapen gaan.
D. Een psycholoog doet onderzoek naar de relatie tussen leeftijd en zelfvertrouwen bij
jongeren door op 40 scholen op het einde van het schooljaar in 2023 gegevens te verzamelen
over zelfvertrouwen bij een grote groep scholieren van 12 tot 19 jaar.
Hieronder staan twee stellingen over deze vier casussen. Welke stelling is juist?
A D is een observationeel cross-sectionele studie.
B B is een experimenteel longitudinale studie met een intensieve dataverzameling.
5B Hieronder staan beschrijvingen van de dataverzameling bij vier verschillende
onderzoeksonderwerpen.
A. Een psycholoog doet onderzoek naar de ontwikkeling van prosociaal gedrag van
opgroeiende jongens en meisjes door op meerdere vaste tijdstippen in de puberteitsperiode
vragenlijsten af te nemen.
B. Een psycholoog doet onderzoek naar de langetermijneffecten van twee verschillende
vormen van psychotherapie (cognitieve gedragstherapie en schematherapie) op depressieve
klachten door bij cliënten maandelijks een depressievragenlijst af te nemen. Cliënten worden
hierbij willekeurig toegewezen aan een therapievorm.
C. Een psycholoog doet onderzoek naar de relatie tussen werkstress en alcoholgebruik,
waarbij dagelijkse metingen worden gedaan (tien werkdagen achter elkaar). Werkstress
wordt geregistreerd op het einde van een werkdag en alcoholgebruik voor het slapen gaan.
D. Een psycholoog doet onderzoek naar de relatie tussen leeftijd en zelfvertrouwen bij
jongeren door op 40 scholen op het einde van het schooljaar in 2023 gegevens te verzamelen
over zelfvertrouwen bij een grote groep scholieren van 12 tot 19 jaar.
Hieronder staan twee stellingen over deze vier casussen. Welke stelling is juist?
1A Waarom zijn longitudinale data noodzakelijk voor het bestuderen van
ontwikkelingsprocessen?
A Omdat alleen herhaalde metingen bij dezelfde personen inzicht kunnen geven in
veranderingen binnen individuen omdat alleen longitudinale data geschikt zijn om causale
verbanden te toetsen
B Omdat alleen longitudinale data geschikt zijn om causale verbanden te toetsen
1B Welke voorwaarde moet worden vervuld om veranderingen binnen personen te kunnen
modelleren?
A Dezelfde variabelen moeten met dezelfde meetinstrumenten bij dezelfde personen
worden gemeten
B Er moeten minimaal drie meetmomenten zijn
2A Waarom is het concept van een ‘clustervariabele’ van belang in multilevelanalyse van
longitudinale data?
A Omdat het de hiërarchische structuur van de data definieert, waarbij de herhaalde
metingen geclusterd zijn binnen individuen
B Omdat het de afhankelijkheid tussen de verschillende individuen over de tijd verklaart
2B Longitudinale data hebben een hiërarchische of multilevelstructuur. Wat wordt er op het
tweede niveau van deze structuur gerepresenteerd door de clustervariabele?
A De individuele deelnemers van de studie
B De herhaalde metingen van de variabele over de tijd
,3 A Hieronder staat de beschrijving van een onderzoek met daarbij enige globale resultaten.
Een relatietherapeut doet onderzoek naar de relatie tussen dagelijks ervaren intimiteit en
dagelijks ervaren conflicten, waarbij rekening wordt gehouden met de 'algemeen ervaren
relatietevredenheid in een partnerrelatie' (RQ, Relationship Questionnaire). Gedurende twee
weken worden de dagelijkse metingen (variabele meetmoment) verricht en aan het begin
van de studie wordt een RQ-vragenlijst afgenomen. Uit de resultaten van de
multilevelanalyse blijkt dat voor personen met een lage algemene relatietevredenheid het
negatieve verband tussen dagelijks ervaren conflict en dagelijks ervaren intimiteit veel
sterker is dan voor personen met een hoge algemene relatietevredenheid.
Welke uitspraak is juist?
A In het conceptueel model van deze studie zijn dagelijks ervaren conflicten en algemene
relatietevredenheid de voorspellers van dagelijks ervaren intimiteit.
B In deze multilevelanalyse is een interactiecomponent opgenomen, namelijk de interactie
tussen algemene relatietevredenheid en dagelijks ervaren intimiteit.
3 B Hieronder staat de beschrijving van een onderzoek met daarbij enige globale resultaten.
Een relatietherapeut doet onderzoek naar de relatie tussen dagelijks ervaren intimiteit en
dagelijks ervaren conflicten, waarbij rekening wordt gehouden met de 'algemeen ervaren
relatietevredenheid in een partnerrelatie' (RQ, Relationship Questionnaire). Gedurende twee
weken worden de dagelijkse metingen (variabele meetmoment) verricht en aan het begin
van de studie wordt een RQ-vragenlijst afgenomen. Uit de resultaten van de
multilevelanalyse blijkt dat voor personen met een lage algemene relatietevredenheid het
negatieve verband tussen dagelijks ervaren conflict en dagelijks ervaren intimiteit veel
sterker is dan voor personen met een hoge algemene relatietevredenheid.
Welke uitspraak is juist?
A In deze multilevelanalyse is een interactiecomponent opgenomen, namelijk de interactie
tussen dagelijks ervaren conflicten en algemene relatietevredenheid.
B In deze multilevelanalyse is een interactiecomponent opgenomen, namelijk de interactie
tussen tijd (meetmoment) en algemene relatietevredenheid.
,4A Hieronder staat de beschrijving van een onderzoek.
Voor een onderzoek naar de ontwikkeling van antisociaal gedrag bij jongeren zijn bij
lagereschoolkinderen (N = 405) vier metingen gedaan, door jaarlijks hun leraar een
observatievragenlijst in te laten vullen. Ten tijde van de eerste meting zijn via face-to-face-
interviews éénmalig andere gegevens verkregen over het kind en moeder, waaronder leeftijd
en sekse van het kind, leeftijd van de moeder, cognitieve stimulatie en emotionele steun. Eén
van de hoofdvragen in deze studie richt zich op de manier waarop antisociaal gedrag zich
ontwikkelt over de tijd, en welke andere variabelen daarbij van belang zijn.
Welke hypothese gaat over een longitudinale tweeweg-interactie?
A Voor jongens is de stijging over de tijd in antisociaal gedrag sterker dan voor meisjes.
B Naarmate een kind thuis minder cognitief gestimuleerd wordt, is het (negatieve) verband
tussen emotionele steun en antisociaal gedrag sterker.
4B Hieronder staat de beschrijving van een onderzoek.
Voor een onderzoek naar de ontwikkeling van antisociaal gedrag bij jongeren zijn bij
lagereschoolkinderen (N = 405) vier metingen gedaan, door jaarlijks hun leraar een
observatievragenlijst in te laten vullen. Ten tijde van de eerste meting zijn via face-to-face-
interviews éénmalig andere gegevens verkregen over het kind en moeder, waaronder leeftijd
en sekse van het kind, leeftijd van de moeder, cognitieve stimulatie en emotionele steun. Eén
van de hoofdvragen in deze studie richt zich op de manier waarop antisociaal gedrag zich
ontwikkelt over de tijd, en welke andere variabelen daarbij van belang zijn.
Welke hypothese gaat over een longitudinale tweeweg-interactie?
A Voor jongens is de stijging over de tijd in antisociaal gedrag sterker dan voor meisjes.
B Naarmate een kind thuis minder cognitief gestimuleerd wordt, is het (negatieve) verband
tussen emotionele steun en antisociaal gedrag sterker.
5 A Hieronder staan beschrijvingen van de dataverzameling bij vier verschillende
onderzoeksonderwerpen.
, A. Een psycholoog doet onderzoek naar de ontwikkeling van prosociaal gedrag van
opgroeiende jongens en meisjes door op meerdere vaste tijdstippen in de puberteitsperiode
vragenlijsten af te nemen.
B. Een psycholoog doet onderzoek naar de langetermijneffecten van twee verschillende
vormen van psychotherapie (cognitieve gedragstherapie en schematherapie) op depressieve
klachten door bij cliënten maandelijks een depressievragenlijst af te nemen. Cliënten worden
hierbij willekeurig toegewezen aan een therapievorm.
C. Een psycholoog doet onderzoek naar de relatie tussen werkstress en alcoholgebruik,
waarbij dagelijkse metingen worden gedaan (tien werkdagen achter elkaar). Werkstress
wordt geregistreerd op het einde van een werkdag en alcoholgebruik voor het slapen gaan.
D. Een psycholoog doet onderzoek naar de relatie tussen leeftijd en zelfvertrouwen bij
jongeren door op 40 scholen op het einde van het schooljaar in 2023 gegevens te verzamelen
over zelfvertrouwen bij een grote groep scholieren van 12 tot 19 jaar.
Hieronder staan twee stellingen over deze vier casussen. Welke stelling is juist?
A D is een observationeel cross-sectionele studie.
B B is een experimenteel longitudinale studie met een intensieve dataverzameling.
5B Hieronder staan beschrijvingen van de dataverzameling bij vier verschillende
onderzoeksonderwerpen.
A. Een psycholoog doet onderzoek naar de ontwikkeling van prosociaal gedrag van
opgroeiende jongens en meisjes door op meerdere vaste tijdstippen in de puberteitsperiode
vragenlijsten af te nemen.
B. Een psycholoog doet onderzoek naar de langetermijneffecten van twee verschillende
vormen van psychotherapie (cognitieve gedragstherapie en schematherapie) op depressieve
klachten door bij cliënten maandelijks een depressievragenlijst af te nemen. Cliënten worden
hierbij willekeurig toegewezen aan een therapievorm.
C. Een psycholoog doet onderzoek naar de relatie tussen werkstress en alcoholgebruik,
waarbij dagelijkse metingen worden gedaan (tien werkdagen achter elkaar). Werkstress
wordt geregistreerd op het einde van een werkdag en alcoholgebruik voor het slapen gaan.
D. Een psycholoog doet onderzoek naar de relatie tussen leeftijd en zelfvertrouwen bij
jongeren door op 40 scholen op het einde van het schooljaar in 2023 gegevens te verzamelen
over zelfvertrouwen bij een grote groep scholieren van 12 tot 19 jaar.
Hieronder staan twee stellingen over deze vier casussen. Welke stelling is juist?