Leerproblemen
HC1: Inleiding
Literatuur
Leren papers:
- Abstract
- Inleiding: eerste alinea en present study
- Resultaten: snappen plaatjes
- Discussie: eerste alinea en conclusion
Weten wat ze onderzocht hebben, waarom, bij wie en wat eruit kwam.
Dit gaat over de empirische papers. Hier kwamen vorig jaar de meeste vragen
over.
Tijdens casus letten op: problemen, interventie vooraf, diagnostiek en
behandeling, emotie en psycho-educatie.
Transactioneel ontwikkelingsmodel:
Etiologie: samenwerking tussen genen en omgeving. hersenen
cognitief/affectief proces gedrag/vaardigheid (dit is waarneembaar)
Stand van zaken lezen in Nederland
Meten basisschool: PIRLS (progress in international reading literacy study)
We zitten in de middenmoot van Europese/westerse landen.
Voor het eerst scoren we niet hoger, maar hetzelfde als andere westerse landen.
We zijn dus gezakt. Deze daling is het meest te zien in het middenniveau en het
hoge niveau. Het lage en geavanceerde niveau zijn relatief gelijk gebleven, maar
we zijn gezakt in midden en hoog.
De daling is extra duidelijk in de gemiddelde groep leerlingen. Van de gezinnen
met gemiddelde opleiding in SES (dus niet armoedig of heel rijk/hoogopgeleid).
, 2
Meten middelbare school: PISA
Er zijn veel meer zwakke lezers en minder sterke lezers. Het gat tussen sterke en
zwakke lezers wordt steeds groter.
Stand van zaken rekenen in Nederland
Meten: TIMSS (trends in international maths and science studies) (groep 6)
Ruim boven gemiddelde van de landen die mee doen, maar geen toppositie. De
verdeling is in Nederland redelijk smal. Dat betekent dat we in NL redelijk goed
zijn om iedereen naar een bepaald basisniveau te krijgen. De kinderen die er
moeite mee hebben, krijgen extra aandacht. De kinderen die het makkelijker
vinden krijgen echter niet alle ontwikkelingsmogelijkheden.
De scores zijn stabieler dan die van het lezen. De verschillen tussen jongens en
meisje zijn structureel. Jongens scoren structureel hoger. Dit is niet in alle landen
te zien, maar in NL wel.
PISA (15-jarigen): Sterke afname van vaardigheden over de laatste jaren. Meet
een bredere range van vaardigheden. De drop komt ook voor bij OESO landen
(economische samenwerking en ontwikkeling: westerse landen en
samenwerkingslanden), dus niet alleen in Nederland. (kan ook met corona te
maken hebben).
Peil lezen, taalverzorging en rekenen
Fundamentele niveau 1F: eind groep 6 niveau (maar de verwachting is dat
iedereen dit voor eind groep 8 haalt, anders ondersteuningsplan).
Zeker in het SBO wordt niet altijd het niveau behaald dat er behaald zou moeten
worden.
Respons to Instruction / Intervention (RTI).
, 3
Voor 80% van de leerlingen moet goed onderwijs voldoende zijn om goed genoeg
lees- en rekenvaardigheden te behalen.
Voor de kinderen waar dat niet genoeg is, worden er extra interventies ingezet.
15% komt hiermee vooruit.
5% van de kinderen heeft nog gespecialiseerde hulp nodig.
Lezen: opbouw ondersteuningsniveaus (ON’s) in vogelvlucht:
- ON1: onderwijs in de groep gericht op lezen en spellen in de klas
- ON2: extra aandacht in de vorm van verlengde instructie en begeleide
inoefening (in de klas)
- ON3: specifieke interventie op school (op school, maar buiten de klas:
individueel of in kleine groep)
- ON4: gespecialiseerde behandeling (soms op school, maar vaak buiten
school op een behandelcentrum).
Rekenen: opbouw ondersteuningsniveaus:
Op basis van ondersteuningsbehoeften
- Fase groen en geel: leerkracht
- Fase oranje: interne rekenexpert
- Fase rood: extern onderzoek (en behandeling) door bijv. orthopedagoog
HC2: Beginnend rekenen
Gecijferdheid
Gecijferdheid/wiskundige geletterdheid: de combinatie van kennis en
vaardigheden die een individu nodig heeft om adequaat en autonoom om te gaan
met de kwantitatieve kant van de wereld om ons heen. In verschillende
contexten
Ook wel: in het dagelijks leven om kunnen gaan met getallen
Een van de belangrijkste doelen van rekenen op de basisschool
, 4
Er zijn meer mensen laaggecijferd dan laaggeletterd in Nederland.
Competenties/processen:
- Reproductions: sommetjes kunnen doen
- Connections: verschillen tussen soorten sommen (verschil tussen optellen
en aftrekken bijvoorbeeld) relaties snappen en kennen.
- Reflections: Kan het antwoord kloppen in de context. Bijvoorbeeld hoeveel
bussen nodig? Als je op een komma getal uitkomt, moet je naar boven
afronden, want het past niet in een bus minder en je hebt geen halve bus.
Content areas: deelgebieden van wiskunde
- Ruimte en vormen: meten en meetkunde
- Change and relationships: relaties, verhoudingstabellen, verhoudingen
- Quantity: omgaan met getallen. Basisrekenen. Optellen, aftrekken,
vermenigvuldigen, delen
- Uncertainty: kansrekenen
Situations and contexts: situaties waarin je mogelijk zal moeten rekenen en waar
rekenvaardigheden van belang zijn.
Abstractie: symbolisch cijfer dat hoeveelheid representeert. Er zit altijd logica
achter rekenen.
Rekenen of wiskunde: tegenwoordig wordt er op de basisschool vaak al
rekenen/wiskunde genoemd. Termen worden nog door elkaar gebruikt, maar
rekenen is officieel alleen de standaard sommetjes en wiskunde de andere
bewerkingen.