Hoofdstuk 2 – Klimaatverandering
De temperatuurverandering heeft een belangrijk effect op de verdeling van neerslag en dus
op het (drink)water op aarde. Er zijn allerlei bijeffecten; het weer wordt extremer.
2.1 Feit of fabel?
Klimaatverandering in geologisch perspectief:
Alle zuurstof die zich in de lucht bevindt (ong. 21% van alle luchtdeeltjes in het onderste deel
van de dampkring) hebben we te danken aan de fotosynthese door groene planten en algen.
Factoren in de geologische geschiedenis van de aarde die invloed hebben gehad op
klimaatverandering:
Verschillende verhoudingen van gassen in de dampkring
Schommelingen in hoeveelheid zonne-energie die het aardoppervlak bereiken
Enorme vulkaanuitbarstingen
Meteorietinslagen
Het verschuiven van continenten, waardoor de oppervlakte aaneengesloten land
varieerde en de patronen van oceaanstromen wijzigden.
Het enige constante aan het klimaat is dat het verandert.
Als we nauwkeurig kunnen bepalen hoe en hoe snel in het geologische verleden het klimaat
heeft gevarieerd kunnen we dat nabootsen met computermodellen.
Waarom de poolgebieden? :
Klimaten hebben invloed op het vóórkomen van plant- en diersoorten.
Belangrijke klimaat factoren:
Temperatuur (gemiddelde zomer- en wintertemperatuur)
Neerslag (hoeveelheid en verdeling over het jaar)
Overgang tussen fysisch-geografische zones (samenhang tussen ecosystemen en
landschappen)
2.2 Klimaatreconstructie
Het weer -> de toestand van de dampkring, op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd.
Hierbij wordt o.a. gelet op temperatuur, neerslag, luchtvochtigheid, wind, bewolking
en zonneschijn.
Het klimaat -> het ‘gemiddelde’ van al deze weersfactoren, gemeten over een langere
periode (meestal 30 jaar) en een groter gebied.
Voor de periode vóór halverwege de 18e eeuw zijn proxy-data, of wel proxies (indirecte
gegevens), nodig om informatie over het klimaat van toen te verkrijgen.
, Dendrochronologie:
Vooral archeologen gebruiken dendrochronologie om exact te kunnen bepalen hoe oud een
houten voorwerp is.
Het liefst wordt hout afkomstig van een eik gebruikt.
o Eigenschap: elk jaar groeit er een jaarring, onafhankelijk van de
weersgesteldheid
Door het tellen van ringen is het mogelijk om de leeftijd van de boom af te lezen.
o Dikke jaarring: een warm seizoen met voldoende neerslag
o Dunne jaarring: een koud seizoen met teveel of te weinig neerslag
Zo ontstaat een ringenpatroon dat voor een bepaalde streek en periode uniek is en
dat indirect informatie geeft over de weersomstandigheden tijdens de vorming van
de jaarringen.
We kunnen hiermee enkele duizenden jaren terug in de tijd kijken.
Pollen:
Stuifmeelkorrels hebben voor klimaatonderzoekers een aantal handige eigenschappen:
Ze komen voor in grote getale
Ze blijven goed bewaard (zolang er weinig microbiologische activiteit is, geen erosie
en een zuurstofarme omgeving)
Elke soort heeft een karakteristieke vorm
Als we met boring uit een meertje sediment van verschillende oudheden omhooghalen,
kunnen we met een microscoop precies zien welke vegetatie in welke periode overheerste.
Deze vegetatie vormt een indicatie voor de temperatuur.
Omdat pollen zeer goed ‘houdbaar’ zijn, kunnen ze gebruikt worden voor
klimaatreconstructies tot enige tienduizenden jaren geleden.
IJskernen:
IJskappen zijn laagje voor laagje opgebouwd uit sneeuw die werd samengeperst tot ijs.
Tussen de ijskristallen blijft altijd wat lucht zitten waarin het paleo-CO2- en
methaangehalte te bepalen zijn.
o Zo hebben onderzoekers de atmosferische concentraties van deze
broeikasgassen voor een lange periode nauwkeurig vast kunnen stellen.
Dalen en pieken in de concentraties komen respectievelijk overeen
met acht ijstijden (glacialen).
Elke ijstijd werd gevolgd door een warmere periode
(interglaciaal).
We kunnen hiermee tot 740.000 jaar terug in de tijd kijken.
Landschap:
Structuren in de ondiepe ondergrond vertellen ons wat de temperatuur op zijn minst moet
zijn geweest, vooral voor de periglaciale omstandigheden.
Periglaciale omstandigheden: de bodem is geheel of gedeeltelijk bevroren, maar niet
bedekt met ijs.
Voor Nederland zijn dat dus de perioden van de ijstijden in het Pleistoceen.
De temperatuurverandering heeft een belangrijk effect op de verdeling van neerslag en dus
op het (drink)water op aarde. Er zijn allerlei bijeffecten; het weer wordt extremer.
2.1 Feit of fabel?
Klimaatverandering in geologisch perspectief:
Alle zuurstof die zich in de lucht bevindt (ong. 21% van alle luchtdeeltjes in het onderste deel
van de dampkring) hebben we te danken aan de fotosynthese door groene planten en algen.
Factoren in de geologische geschiedenis van de aarde die invloed hebben gehad op
klimaatverandering:
Verschillende verhoudingen van gassen in de dampkring
Schommelingen in hoeveelheid zonne-energie die het aardoppervlak bereiken
Enorme vulkaanuitbarstingen
Meteorietinslagen
Het verschuiven van continenten, waardoor de oppervlakte aaneengesloten land
varieerde en de patronen van oceaanstromen wijzigden.
Het enige constante aan het klimaat is dat het verandert.
Als we nauwkeurig kunnen bepalen hoe en hoe snel in het geologische verleden het klimaat
heeft gevarieerd kunnen we dat nabootsen met computermodellen.
Waarom de poolgebieden? :
Klimaten hebben invloed op het vóórkomen van plant- en diersoorten.
Belangrijke klimaat factoren:
Temperatuur (gemiddelde zomer- en wintertemperatuur)
Neerslag (hoeveelheid en verdeling over het jaar)
Overgang tussen fysisch-geografische zones (samenhang tussen ecosystemen en
landschappen)
2.2 Klimaatreconstructie
Het weer -> de toestand van de dampkring, op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd.
Hierbij wordt o.a. gelet op temperatuur, neerslag, luchtvochtigheid, wind, bewolking
en zonneschijn.
Het klimaat -> het ‘gemiddelde’ van al deze weersfactoren, gemeten over een langere
periode (meestal 30 jaar) en een groter gebied.
Voor de periode vóór halverwege de 18e eeuw zijn proxy-data, of wel proxies (indirecte
gegevens), nodig om informatie over het klimaat van toen te verkrijgen.
, Dendrochronologie:
Vooral archeologen gebruiken dendrochronologie om exact te kunnen bepalen hoe oud een
houten voorwerp is.
Het liefst wordt hout afkomstig van een eik gebruikt.
o Eigenschap: elk jaar groeit er een jaarring, onafhankelijk van de
weersgesteldheid
Door het tellen van ringen is het mogelijk om de leeftijd van de boom af te lezen.
o Dikke jaarring: een warm seizoen met voldoende neerslag
o Dunne jaarring: een koud seizoen met teveel of te weinig neerslag
Zo ontstaat een ringenpatroon dat voor een bepaalde streek en periode uniek is en
dat indirect informatie geeft over de weersomstandigheden tijdens de vorming van
de jaarringen.
We kunnen hiermee enkele duizenden jaren terug in de tijd kijken.
Pollen:
Stuifmeelkorrels hebben voor klimaatonderzoekers een aantal handige eigenschappen:
Ze komen voor in grote getale
Ze blijven goed bewaard (zolang er weinig microbiologische activiteit is, geen erosie
en een zuurstofarme omgeving)
Elke soort heeft een karakteristieke vorm
Als we met boring uit een meertje sediment van verschillende oudheden omhooghalen,
kunnen we met een microscoop precies zien welke vegetatie in welke periode overheerste.
Deze vegetatie vormt een indicatie voor de temperatuur.
Omdat pollen zeer goed ‘houdbaar’ zijn, kunnen ze gebruikt worden voor
klimaatreconstructies tot enige tienduizenden jaren geleden.
IJskernen:
IJskappen zijn laagje voor laagje opgebouwd uit sneeuw die werd samengeperst tot ijs.
Tussen de ijskristallen blijft altijd wat lucht zitten waarin het paleo-CO2- en
methaangehalte te bepalen zijn.
o Zo hebben onderzoekers de atmosferische concentraties van deze
broeikasgassen voor een lange periode nauwkeurig vast kunnen stellen.
Dalen en pieken in de concentraties komen respectievelijk overeen
met acht ijstijden (glacialen).
Elke ijstijd werd gevolgd door een warmere periode
(interglaciaal).
We kunnen hiermee tot 740.000 jaar terug in de tijd kijken.
Landschap:
Structuren in de ondiepe ondergrond vertellen ons wat de temperatuur op zijn minst moet
zijn geweest, vooral voor de periglaciale omstandigheden.
Periglaciale omstandigheden: de bodem is geheel of gedeeltelijk bevroren, maar niet
bedekt met ijs.
Voor Nederland zijn dat dus de perioden van de ijstijden in het Pleistoceen.