muziekonderwijs.
1 onthoud vraag en 2 toepas vragen → 7%
“Muziek is in vorm gezette klank die
betekenis heeft voor mensen”
De punten in het midden (klank, vorm en
betekenis) vormen de basis voor muziek. De
buitenring (luisteren, spelen, bewegen, lezen
& noteren en zingen) draait als het ware om
de binnen cirkel heen. De buitenring zegt iets
over de manier waarom mensen met muziek
bezig zijn. Aan de hand van het KVB-model
wordt aan het vak muziek in de basisschool
inhoud gegeven. Dit zie je terug aan de
opbouw van de lessen.
2. De student kent de didactiek die bij luisterlessen hoort.
3 onthoud vragen → 3%
Wat moet je doen als leraar om een muziekles te geven:
1. Muziek uitkiezen
Dit wordt eigenlijk al gedaan door de auteurs, dus dit hoef je eigenlijk niet zelf te doen,
tenzij je afwijkt van de methode.
2. Organiseren
De techniek regelen:
Apparatuur klaarzetten en controleren. Juiste track klaar hebben staan. Zorgen dat de
muziek goed en mooi hoorbaar is voor de kinderen.
De les voorbereiden:
Nadenken over de introductie, de werkvorm, de luister- en activeringsopdrachten en de
manier van evalueren. Ook moet je nadenken over wat de kinderen moeten doen tijdens
het luisteren.
3. Toepassen van werkvormen
Voorbereidende werkvormen:
Kinderen in de juiste sfeer en stemming proberen te brengen en hun aandacht richten op
wat gaat komen. Enkele voorbeelden zijn:
- luisteren naar een opname met een lage drempel;
- spreken over het onderwerp of zelf iets vertellen;
- eerst zelf muziek maken (zingen, spelen of muziekstukje bedenken) en dit
vastleggen met grafische of traditionele notatie.
Begeleidende werkvormen:
Verschillende activiteiten die de kinderen uitvoeren tijdens het luisteren. Je kunt hier kiezen
voor luisteropdrachten of activeringsopdrachten. Luisteropdrachten zijn gericht op het
gehoor op een bepaald facet van de muziek. Hierbij kun je denken aan ritme, instrumenten
, of de melodie.
Activeringsopdrachten zorgen ervoor dat de kinderen hun auditieve waarnemingen
omzetten in een handeling. Hierbij kun je denken aan: wanneer je deze melodie hoort doe
je dit, hoor je een andere melodie dan doe je dit. Luister- en activeringsopdrachten hebben
altijd te maken met klank, vorm en/of betekenis.
Evaluerende werkvormen:
Dat wat de kinderen hebben geleerd, krijgt een plaats in hun denken door het te verbinden
met andere leerervaringen. Door reflectie en evaluatie probeer je te bereiken dat je iets
bijdraagt aan het leerproces van de kinderen. Hierbij kun je denken aan: reflecteren met
anderen over de luisterervaringen, oplossingen van de luisteropdrachten uitwisselen of zelf
muziek maken.
3. De student kent de muziektheorie met betrekking tot klank (toonduur,
toonhoogte en toonsterkte) in de traditionele notatie en vorm
(vormprincipes, vormeenheden en vormtechnieken)
3 onthoud en 2 toepas vragen → 12%
Tonen: het geluid dat wordt gemaakt door een instrument of je stem horen → horen
Noten: het symbool dat op papier staat zien → zien
Noten worden genoteerd op een notenbalk. Aan het begin van de notenbalk staat een
G-sleutel of vioolsleutel. De G-sleutel geeft aan waar de noot G op de notenbalk
staat.
Notennamen
Ezelsbruggetjes:
FACE: alle noten tussen de lijntjes van onder naar boven
Eet Geen Bananen Dom Fruit: alle noten op de lijntjes van onder naar boven
Stok van de noot:
- Alle noten onder de middelste lijn noteer je met de stok naar boven en aan de rechterkant.
- Alle noten boven de middelste lijn noteer je met de stok naar beneden en aan de linkerkant.
, Notenwaarden
4 tellen
2 tellen
1 tel
0,5 tel
0,25 tel
Noot met een punt: de noot wordt groter met de helft van haar waarde.
3 = 2 + 1 1,5 = 1 + 0,5
Verbindingsboogje: een verbindingsboogje verbindt twee noten tot een langere noot. Door
meerdere lange noten te verbinden kun je bijv. een lange noot van 16 tellen spelen.
Maat
Maat: de hoeveelheid tellen waarin we de muziek verdelen
Maatstreep: geeft de nieuwe maat aan.
Maatsoort: bestaat uit twee getallen. Het onderste cijfer geeft aan welke soort noot we als 1 tel
beschouwen. Het bovenste cijfer geeft aan hoeveel er van die noot in de maat zitten.
Voorbeeld: 3/4 maat → een kwartnoot is 1 tel, er passen 3 kwartnoten in de maat.
Slotstreep: een dikke streep aan het einde van een muziekstuk om af te sluiten.
Herhalingsteken: geeft een herhaling aan en staat aan het eind of begin van een
muziekstuk.
Kruizen en mollen
Kruis (#): hiermee verhoog je de noot met een halve toon
Mol (b): hiermee verlaag je de noot met een halve toon
Een kruis of mol voor de noot geldt ook voor alle zelfde noten
die erna komen in dezelfde maat, zolang er niets anders staat.