Verpleegkunde AFPF
Casus 1 - Inleiding in cellen, weefsels en regulatie
Casus 2 Huid, (huid)tumoren, urinewegen, uropathologie, bacteriën en antibiotica
Casus 3 Genetica, celdeling, voortplanting, zwangerschap en bevalling
Casus 4 - Ademhaling, pneumonie, farmacologische principes, virus- en schimmelinfecties
Casus 5 afweer, overgevoeligheid artrose en reumatoïde artritis
Oefenvragen blok gezondheid (Kennistoets 1)
Aanvullende vragen (goede antwoord= dikgedrukt)
VTV
CGO
Onderzoekend vermogen
Psychologie en sociologie
Casus 1 - Inleiding in cellen, weefsels en regulatie
Een definitie geven van de begrippen ‘milieu interieur’ en ‘homeostase’.
● Milieu interieur: inwendige milieu van het lichaam; alle lichaamsvloeistoffen
(bloed en weefselvloeistof) waarin lichaamscellen zich bevinden.
● Homeostase: inwendige milieu stabiel houden (temperatuur, pH,
bloedsuikerspiegel)
Negatieve en positieve feedbackmechanismen met elkaar vergelijken.
● Negatieve feedback werkt stabiliserend; de uitkomst van een proces remt de
oorspronkelijke prikkel. Voorbeeld: stijging van bloedsuiker → afgifte van
insuline → bloedsuiker daalt
● Positieve feedback werkt versterkend; de uitkomst van een proces versterkt
de oorspronkelijke prikkel. Voorbeeld: weeën tijdens bevalling → oxytocine
→ sterkere weeën
Het proces van osmose vergelijken met dat van diffusie en met behulp van deze
begrippen uitleggen hoe moleculen zich verplaatsen binnen en tussen
compartimenten van het lichaam.
● Diffusie: passieve verplaatsing van moleculen van hoge naar lage
concentratie.
1
, ● Osmose: speciale vorm van diffusie waarbij water door een semipermeabel
membraan beweegt naar de kant met hogere opgeloste-stoffenconcentratie.
Overeenkomsten en verschillen aangeven van actief, passief en bulktransport van
stoffen door de celmembraan heen.
● Passief transport: kost geen energie (diffusie, osmose, gefaciliteerde
diffusie).
● Actief transport: kost energie (ATP).
● Bulktransport: verplaatsing van grote hoeveelheden via blaasjes
(endocytose, exocytose).
De structuur en functies beschrijven van epitheel, bindweefsel en spierweefsel.
● Epitheelweefsel: dicht opeengepakte cellen; bescherming (huid), absorptie
(darmepitheel), afscheiding (klierweefsel).
● Bindweefsel: cellen + extracellulaire matrix; steun, verbinding, transport (bv.
bot, bloed, vetweefsel).
● Spierweefsel: Lange/samentrekbare cellen; beweging en voortstuwing.
De structuur en functies van de epitheliale membranen, slijm- en sereuze vliezen en
de synoviale membranen uitleggen.
● Epitheliale membranen: bedekken en bekleden oppervlakken.
● Slijmvliezen (mucosa): produceren slijm; bescherming (bv. luchtwegen).
● Sereuze vliezen: gladde vliezen; verminderen wrijving (pleura, peritoneum).
● Synoviale membranen: bekleden gewrichtsholten; maken synoviaal vocht.
De structuur en functies van exocriene klieren vergelijken met die van endocriene
klieren.
● Exocriene klieren: afscheiding via afvoerbuis naar buiten of holte (zweet,
speeksel).
● Endocriene klieren: afscheiding van hormonen direct in bloed.
De richtingsaanduidingen in de anatomie aflezen van een afbeelding en toepassen
op het lichaam van een patiënt (sinister/links, dexter/rechts, mediaal, lateraal,
proximaal, distaal, anterior/ventraal, posterior/dorsaal, superior/craniaal,
inferior/caudaal).
2
,De beenderen aanwijzen en benoemen op een afbeelding: cranium, clavicula,
scapula, sternum, costae, humerus, radius, ulna, pelvis, ossa carpi, ossa
metacarpales, phalanges, femur, patella, tibia, fibula, ossa tarsi, metatarsal bones,
phalanges, vertebrae cervicale, vertebrae thoracales, vertebrae lumbales, sacrum,
coccyx, disci intervertrebrales.
● Schedel: cranium
● Schoudergordel: clavicula, scapula
● Borstkas: sternum, costae
● Arm: humerus, radius, ulna
● Hand: ossa carpi, metacarpales, phalanges
● Bekken: pelvis
● Been: femur, patella, tibia, fibula
● Voet: ossa tarsi, metatarsalia, phalanges
● Wervelkolom: cervicale, thoracales, lumbales, sacrum, coccyx
● Tussenwervelschijven: disci intervertebrales
3
, De vier lichaamsholten benoemen en de inhoud benoemen van de borstholte en de
buikholte.
● Vier holten: schedelholte, borstholte, buikholte, bekkenholte
● Borstholte: hart, longen
● Buikholte: maag, lever, darmen, milt, alvleesklier
Een beschrijving geven van de termen intra- en extracellulaire vloeistof.
● Intracellulaire vloeistof: vloeistof in de cel
● Extracellulaire vloeistof: vloeistof buiten de cel (bloed, weefselvloeistof)
De structuur en functie beschrijven van de plasmamembraan.
● Structuur: fosfolipidendubbellaag met eiwitten
● Functie: begrenzing, selectieve doorlaatbaarheid, communicatie
De functies beschrijven van de organellen.
● Celkern: DNA, celregulatie
● Mitochondriën: ATP-productie
● Ribosomen: eiwitsynthese
● ER: eiwitten (ruw), lipiden (glad)
● Golgi-apparaat: modificatie en transport
● Lysosomen: afbraak
● Cytoskelet: vorm en transport
Tijdens werkcollege
4
Casus 1 - Inleiding in cellen, weefsels en regulatie
Casus 2 Huid, (huid)tumoren, urinewegen, uropathologie, bacteriën en antibiotica
Casus 3 Genetica, celdeling, voortplanting, zwangerschap en bevalling
Casus 4 - Ademhaling, pneumonie, farmacologische principes, virus- en schimmelinfecties
Casus 5 afweer, overgevoeligheid artrose en reumatoïde artritis
Oefenvragen blok gezondheid (Kennistoets 1)
Aanvullende vragen (goede antwoord= dikgedrukt)
VTV
CGO
Onderzoekend vermogen
Psychologie en sociologie
Casus 1 - Inleiding in cellen, weefsels en regulatie
Een definitie geven van de begrippen ‘milieu interieur’ en ‘homeostase’.
● Milieu interieur: inwendige milieu van het lichaam; alle lichaamsvloeistoffen
(bloed en weefselvloeistof) waarin lichaamscellen zich bevinden.
● Homeostase: inwendige milieu stabiel houden (temperatuur, pH,
bloedsuikerspiegel)
Negatieve en positieve feedbackmechanismen met elkaar vergelijken.
● Negatieve feedback werkt stabiliserend; de uitkomst van een proces remt de
oorspronkelijke prikkel. Voorbeeld: stijging van bloedsuiker → afgifte van
insuline → bloedsuiker daalt
● Positieve feedback werkt versterkend; de uitkomst van een proces versterkt
de oorspronkelijke prikkel. Voorbeeld: weeën tijdens bevalling → oxytocine
→ sterkere weeën
Het proces van osmose vergelijken met dat van diffusie en met behulp van deze
begrippen uitleggen hoe moleculen zich verplaatsen binnen en tussen
compartimenten van het lichaam.
● Diffusie: passieve verplaatsing van moleculen van hoge naar lage
concentratie.
1
, ● Osmose: speciale vorm van diffusie waarbij water door een semipermeabel
membraan beweegt naar de kant met hogere opgeloste-stoffenconcentratie.
Overeenkomsten en verschillen aangeven van actief, passief en bulktransport van
stoffen door de celmembraan heen.
● Passief transport: kost geen energie (diffusie, osmose, gefaciliteerde
diffusie).
● Actief transport: kost energie (ATP).
● Bulktransport: verplaatsing van grote hoeveelheden via blaasjes
(endocytose, exocytose).
De structuur en functies beschrijven van epitheel, bindweefsel en spierweefsel.
● Epitheelweefsel: dicht opeengepakte cellen; bescherming (huid), absorptie
(darmepitheel), afscheiding (klierweefsel).
● Bindweefsel: cellen + extracellulaire matrix; steun, verbinding, transport (bv.
bot, bloed, vetweefsel).
● Spierweefsel: Lange/samentrekbare cellen; beweging en voortstuwing.
De structuur en functies van de epitheliale membranen, slijm- en sereuze vliezen en
de synoviale membranen uitleggen.
● Epitheliale membranen: bedekken en bekleden oppervlakken.
● Slijmvliezen (mucosa): produceren slijm; bescherming (bv. luchtwegen).
● Sereuze vliezen: gladde vliezen; verminderen wrijving (pleura, peritoneum).
● Synoviale membranen: bekleden gewrichtsholten; maken synoviaal vocht.
De structuur en functies van exocriene klieren vergelijken met die van endocriene
klieren.
● Exocriene klieren: afscheiding via afvoerbuis naar buiten of holte (zweet,
speeksel).
● Endocriene klieren: afscheiding van hormonen direct in bloed.
De richtingsaanduidingen in de anatomie aflezen van een afbeelding en toepassen
op het lichaam van een patiënt (sinister/links, dexter/rechts, mediaal, lateraal,
proximaal, distaal, anterior/ventraal, posterior/dorsaal, superior/craniaal,
inferior/caudaal).
2
,De beenderen aanwijzen en benoemen op een afbeelding: cranium, clavicula,
scapula, sternum, costae, humerus, radius, ulna, pelvis, ossa carpi, ossa
metacarpales, phalanges, femur, patella, tibia, fibula, ossa tarsi, metatarsal bones,
phalanges, vertebrae cervicale, vertebrae thoracales, vertebrae lumbales, sacrum,
coccyx, disci intervertrebrales.
● Schedel: cranium
● Schoudergordel: clavicula, scapula
● Borstkas: sternum, costae
● Arm: humerus, radius, ulna
● Hand: ossa carpi, metacarpales, phalanges
● Bekken: pelvis
● Been: femur, patella, tibia, fibula
● Voet: ossa tarsi, metatarsalia, phalanges
● Wervelkolom: cervicale, thoracales, lumbales, sacrum, coccyx
● Tussenwervelschijven: disci intervertebrales
3
, De vier lichaamsholten benoemen en de inhoud benoemen van de borstholte en de
buikholte.
● Vier holten: schedelholte, borstholte, buikholte, bekkenholte
● Borstholte: hart, longen
● Buikholte: maag, lever, darmen, milt, alvleesklier
Een beschrijving geven van de termen intra- en extracellulaire vloeistof.
● Intracellulaire vloeistof: vloeistof in de cel
● Extracellulaire vloeistof: vloeistof buiten de cel (bloed, weefselvloeistof)
De structuur en functie beschrijven van de plasmamembraan.
● Structuur: fosfolipidendubbellaag met eiwitten
● Functie: begrenzing, selectieve doorlaatbaarheid, communicatie
De functies beschrijven van de organellen.
● Celkern: DNA, celregulatie
● Mitochondriën: ATP-productie
● Ribosomen: eiwitsynthese
● ER: eiwitten (ruw), lipiden (glad)
● Golgi-apparaat: modificatie en transport
● Lysosomen: afbraak
● Cytoskelet: vorm en transport
Tijdens werkcollege
4