strafvordering
Doelen van het strafprocesrecht
● Hoofddoel van het strafprocesrecht = het verzekeren van een juiste toepassing van
het materiële strafrecht;
1) Schuldigen worden gestraft
2) Voorkomen dat onschuldigen worden gestraft
● Bijkomende doelen
1) Eerbiediging van rechten en vrijheden van de verdachte; het voorkomen van een
disproportionele inbreuk op die rechten
2) Eerbiediging van rechten en vrijheden van andere betrokkenen
3) Procedurele rechtvaardigheid; de procedure die tot de uitkomst leidt, moet eerlijk
zijn.
4) Demonstratiefunctie; een eerlijk strafproces laat zien dat de overheid het goede
voorbeeld geeft.
Dubio pro reo - beginsel → de verdachte krijgt het voordeel van de twijfel.
Waarheidsvinding is afgeleid van het hoofddoel ; de procedure moet leiden tot een
verantwoorde eindbeslissing.
Rule of law = de staat is onderworpen aan de wet. Macht mag alleen worden uitgeoefend als er
door het recht een bevoegdheid is toegekend.
- Rechtsbescherming is niet kenmerkend voor het strafprocesrecht
- Bevoegdheden worden toegekend om het belang van de burger te dienen
De verschillende doelen kunnen botsen en moeten daarom afgewogen worden:
- Afweging maken tussen doel en middel → bijv. financiële middelen
- De ernst van het strafbare feit telt zwaar; hoe ernstiger het strafbare feit, hoe
ingrijpender de onderzoeksvaardigheden
- De beslissing moet vanuit alle doelen aanvaardbaar zijn
Bronnen van het strafprocesrecht
● Wetboek van Strafrecht
○ op grond van art. 107 lid 1 Gw
● Bijzondere wetten;
○ Onderwerpen die gedeeltelijk op het gebied van strafvordering liggen
○ Wetten die voor bepaalde delicten een afwijkende of aanvullende strafvorderlijke
regeling geven
○ Onderwerpen net aan de rand of net over de rand van strafvordering
● Grondwet
, ● AMVB’s; ministeriële beschikking
○ De wetgever kan de uitwerking van een strafvorderlijke regeling delegeren aan
de Kroon of aan de minister
● Beleidsregels
○ Art. 79 RO: beleidsregels moeten op een
○ Een burger kan zich beroepen op een beleidsregel als de regel afkomstig is van
een orgaan met de bevoegdheid om functionarissen bindende voorschriften te
geven.
● Internationaal recht
○ Verdragen met eenieder verbindende bepalingen hebben rechtstreekse werking
(art. 94 Gw)
○ EU recht
● Jurisprudentie
● Beginselen van goede procesorde
Het legaliteitsbeginsel heeft een waarborgfunctie → burgers worden beschermd tegen
willekeurige vervolging en bestraffing; buiten de wet om mag de overheid niet aan strafvordering
doen.
Verschillende procesmodellen;
- Inquisitoir: gerechtelijke autoriteiten beslissen over de (on)schuld van de verdachte
dmv een onderzoek naar de materiële waarheid met een actieve rol voor de rechters.
- Accusatoir: het strafproces is een conflict tussen de aanklager en de verdachte, waarbij
de rechter een lijdelijke rol heeft.
Rollen in het strafproces
● Rechter
○ Onafhankelijk en onpartijdig
○ Actief betrokken bij het onderzoek
● Officier van Justitie
○ Is belast met vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen
en maatregelen
● De verdachte
○ Recht op fair hearing;
■ Onschuldpresumptie
■ Nemo tenetur beginsel
○ Is een volwaardige partij, maar niet volledig vrij
● Raadsman
○ Rechtsbijstand voor de verdachte; de raadsman dient het belang van zijn cliënt
○ Art. 37 Rv: de raadsman in het proces moet ingeschreven staan
● Slachtoffer
○ Geen volwaardige procespartij, maar wel betrokken in het proces
,Fasen in het strafproces
1. Opsporing
a. Begin: vanaf het moment dat er een vermoeden van een strafbaar feit is.
b. Art. 122 Sv: opsporingsambtenaar zijn alle personen met opsporing belast;
i. Art. 141 Sv ‘gewone opsporingsambtenaar’
1. Openbare orde → onder gezag van de burgemeester
2. Strafrechtelijke handhaving → onder gezag van de OvJ
ii. Art. 142 Sv ‘boa’s’
iii. Toegekende bevoegdheden aan opsporingsambtenaren
1. Arrestatie van verdachten (art. 53/54 Sv)
2. Inbeslagneming van spullen en betreding van een woning (art. 95
Sv)
iv. Belangrijke regel: hoe ingrijpender de methode, hoe hoger de beslisser
1. Art. 54 Sv: voor gevallen buiten heterdaad is een
aanhoudingsbevel van de OvJ nodig.
2. In sommige gevallen is een machtiging van de RC nodig
2. Vervolging
a. Art. 162 Sv: vervolging vindt zo snel mogelijk plaats door het OM als daar reden
toe is op grond van het opsporingsonderzoek.
b. De vervolgde verdachte wordt beschermd;
i. Art. 255 lid 1 Sv: geen nieuwe vervolging voor hetzelfde feit
ii. Niet verdere vervolging = een informeel sepot. Als een vervolging niet
wordt voortgezet, kan de verdachte verzoeking om een verklaring van de
rechtbank dat er niet verder wordt vervolgd (art. 29f Sv).
iii. Art. 266 Sv: als het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, kan de
OvJ de dagvaarding niet meer intrekken. De vervolging kan dan alleen
nog worden beëindigd door een onherroepelijke uitspraak.
c. Art. 1 Sv: geen strafrechtelijk optreden zonder wettelijke bevoegdheid
d. Het OM is bevoegd om te vervolgen;
i. Om te bepalen of er vervolgd mag worden, moet er worden gekeken naar
de haalbaarheid en opportuniteit van de vervolging.
ii. Buitengerechtelijke afdoening (= zonder tussenkomst van de rechter);
1. Strafbeschikking (art. 257a Sv)
2. Transactie
3. Voorwaardelijk sepot
3. Berechting in eerste aanleg
a. 258 Sv: het rechtsgeding begint nadat deze aanhangig is gemaakt door middel
van een dagvaarding.
b. Het rechtsgeding bestaat uit verschillende fasen;
i. 1e fase: de zaak is aanhangig, maar het onderzoek ter terechtzitting is
nog niet begonnen
1. Art. 261 Sv: de dagvaarding bevat de tenlastelegging
, 2. Art. 265 Sv: Er moet ten minste 10 dagen zitten tussen de dag van
de betekening van de dagvaarding en de dag van de
terechtzitting.
ii. 2e fase: behandeling van de zaak door de rechtbank
1. Het onderzoek ter terechtzitting vindt plaats om de zaak tot
klaarheid te brengen.
a. De verdachte, getuigen en deskundigen worden
ondervraagd. De OvJ houdt zijn requisitoir en de raadsman
zijn pleidooi.
b. Er is geen verschijnplicht. Verschijnt de verdachte niet →
dan onderzoekt de rechtbank of de dagvaarding op de
juiste wijze is betekend (art. 278 lid 1 Sv);
i. Wel op de juiste betekend: er wordt verstek
verleend (art. 280 Sv)
ii. De raadsman is wel aanwezig: de procedure wordt
voortgezet als een procedure op tegenspraak (art.
280 Sv)
2. Beraadslaging: de rechter vormt een oordeel over de zaak adhv
formele en materiële vragen.
a. Niet openbaar
b. Het vonnis moet voldoen aan motiveringsvoorschriften ex
art. 358 en 359 Sv
3. Uitspraak
a. Wel openbaar (art. 362 lid 1 Sv en art. 5 lid 1 RO)
b. Rechtsgeding wordt afgesloten
4. Hoger beroep en cassatie
a. Wie stelt hoger beroep in?
i. De verdachte
1. Uitzondering ex art. 404 lid 1 Sv → als de verdachte is
vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.
ii. Het OM
b. Termijn hoger beroep
i. Art. 408 Sv → binnen 14 dagen na het vonnis
ii. Te laat → het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard ( = het vonnis van
de rechtbank blijft in stand).
c. Cassatie bij de Hoge Raad
i. Termijn
1. Art. 432 Sv → binnen 14 dagen na de uitspraak
ii. Taak van de Hoge Raad
1. Art. 79 RO: de Hoge Raad controleert of het hof zich heeft
gehouden aan het recht adhv 1) verzuim van vormen, of 2)
schending van het recht.