Stelling: ‘’Het Unierecht biedt onvoldoende waarborgen tegen onnodige inmenging
in de nationale rechtsorde.’’
EU-recht oefent invloed uit via verschillende mechanismen. Allereerst zijn er de
klassieke rechtinstrumenten uit artikel 288 VWEU, zoals verordeningen en richtlijnen.
Met name richtlijnen spelen een belangrijke rol binnen het Uniestrafrecht: zij verplichten
lidstaten tot het bereiken van een bepaald resultaat, maar laten ruimte voor nationale
invulling.
Daarnaast dwingt het beginsel van loyale samenwerking (art. 4 lid 3 VEU) lidstaten om
alle passende maatregelen te nemen om Unierechtelijke verplichtingen na te komen.
Ten slotte oefent het Hof van Justitie invloed uit via jurisprudentie, waarbij het zorgt voor
een uniforme uitleg van het Unierecht, onder andere via de prejudiciële procedure van
artikel 267 VWEU. Het HvJ hanteert een ruime en functionele benadering om te bepalen
of een nationale maatregel binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt.
Volgens het arrest Åkerberg Fransson is het EU-Handvest van toepassing zodra een
nationale regeling Unierecht ‘ten uitvoer brengt’, wat ook geldt bij de handhaving van
Unierechtelijke belangen, zoals btw-fraude.
De voorrang van het Unierecht houdt in dat het Unierecht prevaleert boven strijdig
nationaal recht; nationale rechters moeten strijdige nationale bepalingen buiten
toepassing laten (Costa/ENEL en Simmenthal). Directe werking stelt burgers in staat
zich rechtstreeks op Unierechtelijke bepalingen te beroepen voor de nationale rechter,
mits deze voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn.
Tegenover deze doorwerking staan verschillende waarborgen. Zo geldt het
attributiebeginsel: de EU mag alleen handelen binnen de bevoegdheden die haar zijn
toegekend. Daarnaast beperken het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel de
Europese inmenging. Ook bestaat de noodremprocedure (art. 82 en 83 VWEU),
waarmee lidstaten kunnen ingrijpen wanneer fundamentele aspecten van hun strafrecht
worden geraakt. Verder beperkt de EU zich veelal tot minimumnormen, waardoor ruimte
blijft voor nationale invulling .
Inmenging is noodzakelijk voor de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit
("Eurocrimes") en de bescherming van de interne markt. Voordelen zijn verbeterde
samenwerking via agentschappen zoals Europol, Eurojust en het EOM, en het scheppen
van uniforme standaarden die het wederzijds vertrouwen vergroten. Nadelen zijn de
mogelijke aantasting van de nationale soevereiniteit en het negeren van culturele
eigenheid (bijv. drugsbeleid), aangezien strafrecht diep geworteld is in nationale
tradities.
,De stelling is juist. Het unierecht biedt onvoldoende waarborgen tegen onnodige
inmenging in de nationale rechtsorde.
Ten eerste zijn de bestaande waarborgen in de praktijk onvoldoende e]ectief. Het
subsidiariteitsbeginsel lijkt bescherming te bieden, maar heeft beperkte werking.
Nationale parlementen kunnen via de ‘gele kaart’-procedure bezwaar maken, maar dit
leidt zelden tot aanpassing of intrekking van voorstellen. Hierdoor blijft de invloed van
lidstaten beperkt en kan Europese regelgeving relatief gemakkelijk worden doorgezet.
Ten tweede is het toepassingsbereik van het Unierecht in de rechtspraak sterk
uitgebreid. Uit Åkerberg Fransson blijkt dat al snel sprake is van een voldoende verband
met Unierecht, bijvoorbeeld bij de bescherming van financiële belangen van de Unie.
Hierdoor vallen ook nationale strafzaken onder het Unierecht, wat de nationale
autonomie beperkt. Dit vergroot de invloed van de EU aanzienlijk.
Ten derde laten ook andere waarborgen ruimte voor vergaande inmenging. Het
proportionaliteitsbeginsel vereist dat maatregelen niet verder gaan dan noodzakelijk,
maar geeft de EU-instellingen een ruime beoordelingsmarge. Daardoor worden
ingrijpende maatregelen al snel gerechtvaardigd als ‘noodzakelijk’. Ook de
noodremprocedure wordt in de praktijk nauwelijks gebruikt, mede door politieke druk en
de wens tot samenwerking. Dit maakt deze waarborg eerder theoretisch dan
daadwerkelijk e]ectief.
Daarnaast zorgt het voorrangsbeginsel ervoor dat nationale bepalingen buiten
toepassing moeten worden gelaten wanneer zij strijdig zijn met Unierecht. Hoewel dit
noodzakelijk is voor de e]ectiviteit van het Unierecht, betekent dit in de praktijk dat
nationale wetgeving en zelfs fundamentele keuzes in het strafrecht opzij kunnen worden
gezet. Dit vormt een directe inbreuk op de nationale rechtsorde.
Tot slot brengt Europese harmonisatie risico’s mee voor nationale diversiteit. Strafrecht
is cultureel bepaald, en toenemende uniformiteit sluit niet altijd aan bij nationale
tradities, wat de legitimiteit onder druk kan zetten.
Geconcludeerd kan worden dat het Unierecht weliswaar formeel verschillende
waarborgen kent, maar dat deze in de praktijk onvoldoende bescherming bieden tegen
vergaande Europese inmenging. De ruime interpretatie van het toepassingsgebied, de
beperkte e]ectiviteit van controlemechanismen en de sterke doorwerking van
beginselen zoals voorrang zorgen ervoor dat nationale autonomie onder druk komt te
staan. De stelling is daarom juist.
, Week 2: Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
Stelling: ‘’Bij het voorbereiden van nieuwe wetgeving dient actief te worden gekeken
naar verenigbaarheid met EU Handvest en de rechtspraak van het Hof van Justitie
EU.’’
Het Handvest heeft dezelfde juridische waarde als de EU-Verdragen (art. 6 VEU) en geldt
zodra lidstaten EU-recht uitvoeren (art. 51 lid 1 Handvest). De reikwijdte is in de praktijk
groot: zodra een nationale maatregel binnen het toepassingsbereik van EU-recht valt,
moet de rechter aan het Handvest toetsen – zoals bevestigd in Åkerberg Fransson.
Het Handvest staat naast nationale grondrechten en het EVRM. Hoewel er overlap
bestaat, heeft het Handvest een zelfstandige betekenis. Het HvJ EU is de hoogste
interpretatieautoriteit, terwijl het EVRM door het EHRM wordt uitgelegd. In de praktijk
vullen deze systemen elkaar aan, maar het Handvest kan strengere eisen stellen, met
name binnen de context van EU-recht.
De rechtspraak van het HvJ EU heeft een directe en groeiende invloed op het
Nederlandse strafrecht. Volgens Verrest blijkt uit recente jurisprudentie dat het Hof
nationale strafprocedures steeds vaker toetst aan het Handvest. In Dzivev (C-310/16)
moest onrechtmatig verkregen bewijs worden uitgesloten op grond van het Handvest. In
Landeck (C-548/21) benadrukte het Hof dat beperkingen op privacy en andere
grondrechten proportioneel en voorzien bij wet moeten zijn. Deze rechtspraak heeft
directe implicaties voor nationale opsporingsbevoegdheden en bewijsrecht.
De volgende vraag is hoe de Nederlandse wetgever hiermee rekening moet houden bij
het opstellen van nieuwe strafrechtelijke wetgeving. Dit vereist een actieve en
structurele benadering. De wetgever zal bij het ontwerpen van wetgeving expliciet
moeten toetsen of deze in overeenstemming is met het Handvest en de relevante
jurisprudentie van het Hof van Justitie. In de praktijk betekent dit dat in de memorie van
toelichting aandacht wordt besteed aan grondrechten, dat adviezen van de Raad van
State worden betrokken en dat actuele rechtspraak van het Hof wordt meegenomen in
de beoordeling. Daarnaast is het van belang dat wetgevers ontwikkelingen in het EU-
recht blijven volgen, zodat wetgeving niet achterhaald raakt door nieuwe interpretaties
van het Hof.
Indien de wetgever geen rekening houdt met het Handvest en de rechtspraak van het
Hof, kan dit leiden tot ernstige juridische gevolgen. Nationale rechters zijn verplicht om
strijdig nationaal recht buiten toepassing te laten. Daarnaast bestaat het risico dat
fundamentele rechten worden geschonden, wat kan leiden tot procedures tegen de
staat en tot uitsluiting van bewijs in strafzaken. Dit ondermijnt zowel de e]ectiviteit van
het strafrecht als de rechtszekerheid en legitimiteit van wetgeving.