Sponch schema
Deel 1
Leervraag 1: uit welke onderdelen zijn cellen opgebouwd en wat is
hun functie?
Alle levende wezens op aarde worden in vier rijken ingedeeld: planten,
dieren, schimmels en bacteriën.
Eukaryotische cel: de cel heeft en celkern
Prokaryotische cel: deze cel heeft geencelkern
Rijk Celkern Celwand Grote Chloroplast
vacuole
Planten + + + +
Dieren + - - -
Bacteriën - + - -
Schimmels + + + -
Uit welke delen zijn cellen opgebouwd:
celkern:
bevat DNA/erfelijke eigenschappen, regelt de productie van eiwitten. Ook
in chloroplasten en mitochondria bevindt zich DNA. Al dit DNA samen
noemen we het genoom.
ER (endoplasmatisch reticulum):
netwerk van membranen in het grondplasma waar eiwitten zich doorheen
verplaatsen.
,RER = Ruw endoplasmatisch reticulum met daarop ribosomen.
GER = Glad endoplasmatisch reticulum.
ER zonder ribosomen.
ribosoom:
organel dat eiwitten maakt met behulp van informatie afkomstig van het
DNA.
Golgi-systeem:
platte membraanzakken in het grondplasma die eiwitten sorteren en
inpakken.
transportblaasje:
vervoert eiwitten naar verschillende plaatsen in de cel.
vacuole:
een blaasje waarin allerlei stoffen zoals water en opgeloste stoffen kunnen
worden opgeslagen.
Verder zorgt een vacuole o.a. voor stevigheid van de plantencel.
chloroplast (bladgroenkorrel):
Groen gekleurde plastide, vangt licht op voor de fotosynthese. In
chloroplasten zit (rond) DNA, het zogenaamde chloroplast-DNA.
mitochondrium:
Organel dat is opgebouwd uit membranen. Hierin vindt de aërobe
dissimilatie plaats, wat energie voor de cel oplevert.
In mitochondria zit mitochondriaal DNA. Omdat bij geslachtelijke
voortplanting in de meeste gevallen de vrouwelijke geslachtscel (eicel) het
cytoplasma voor de zygote (= bevruchte eicel) levert, erft mitochondriaal
DNA via de moeder over op het kind.
lysosoom:
blaasje met enzymen die grote deeltjes in de cel verteren en oude
organellen afbreken.
,Werkt alleen bij een lage pH (omdat ze anders de hele cel zouden
afbreken als ze vrijkomen).
celskelet:
een groot aantal eiwitdraden in het grondplasma, die de cel vormgeven en
waarlangs transportblaasjes zich voortbewegen.
Emergente eigenschap: soms ontstaat er een nieuwe eigenschap als
onderdelen samenwerken. Die eigenschappen zijn niet aanwezig bij de
losse onderdelen, maar allen als ze samen een geheel vormen
Leervraag 2: wat zijn kenmerken van virussen
Virussen bestaan niet uit cellen. Een virus bestaat uit kleine pakketjes
omhuld door eiwitten. Deze buitenkant wordt de eiwitmantel (capside)
genoemd.
Virussen hebben geen eigen stofwisseling en kunnen zich niet zelf
voortplanten; hiervoor hebben ze cellen van anderen nodig, de
zogenaamde gastheercellen. Binnenin een virus zit het genetische
materiaal. Dit DNA of RNA wordt door een virus in een gastheercel
geïnjecteerd. Het virus gebruikt de ribosomen van de gastheercel om
viruseiwitten te maken. Zo wordt het virus in de gastheercel gekopieerd.
Leervraag 3: hoe kunne stoffen de membranen van een cel
passeren
– Via het celmembraan kunnen cellen stoffen in en uit de cel
transporteren. Kleine moleculen zoals koolstofdioxide (CO₂) en zuurstof
(O₂) kunnen gewoon dwars door het membraan heen glippen. Dit
heet diffusie. Bij diffusie gaan moleculen van een hoge naar een lage
concentratie. Dit kost geen energie.
– Water (H₂O) kan niet zomaar door het membraan heen gaan, omdat de
binnenkant van een membraan waterafstotend (hydrofoob) is. Daarom
maakt water gebruik van waterpoortjes.
– Glucose (C₆H₁₂O₆) is net te groot om zomaar door het membraan heen te
gaan. Daarom maakt glucose ook gebruik van speciale poortjes (eiwitten)
die in het membraan zitten.
– Moleculen met een lading (ionen) maken ook gebruik van speciale
poorten. Deze poorten staan aan de ene kant open, koppelen het ion en
klappen dan als het ware door naar de andere kant. Dit kost energie (ATP).
We noemen dit actief transport. Al het andere transport (zonder verbruik
van ATP) noemen we passief transport. Ook moleculen die van een lage
naar een hoge concentratie gaan (tegen het concentratieverval in) maken
gebruik van actief transport.
, Wat is osmose: osmose is een vorm van diffusie, waarbij water zich
verplaatst door een halfdoorlatend (semipermeabel) membraan. Het water
stroomt dan van een lage- naar een hoge concentratie
Wat is het effect van osmose: is dat cellen kunnen krimpen of opzwellen,
maar dat is afhankelijk van de omgeving. In een omgeving met weinig
opgeloste stoffen (hypotoon) stroomt er water de cel in en zwelt de cel op.
In een omgeving met veel opgeloste stoffen (hypertoon) stroomt er water
de cel uit en krimpt de cel.
Plasmolyse en turgor: dat zijn gevolgen van osmose en komen alleen
voor bij cellen met een celwand.
Turgor onstaat als er te veel water de cel instroomt. Het celmembraam
duwt dan tegen de celwand aan, dan wordt de cel stevig. Dit is handig bij
planten.
Plasmolyse gebeurt als er te veel water uit de cel stroomt. Het membraam
laat dan los van de celwand en de cel krimpt. De cel verliest zijn
stevigheid en kan beschadigd raken.
Actief transport: actief transport is het verplaatsen van stoffen tegen het
concentratieverschil in, dus van een lage- naar een hoge concentratie. Dit
kost energie, meestal in de vorm ATP.
Endocytose en exocytose: dit zijn vormen van actief transport waarbij
grotere deeltjes in of uit de cel worden verplaatst met behulp van blaasjes.
Endocytose: de cel neemt grote stoffen op door het celmembraam
eromheen te vouwen en een blaasje te vormen dat naar binnen
wordt gebracht
Exocytose: de cel voert grote stoffen af door blaasjes met
afvalstoffen of eiwitten naar het celmembraam te brengen. Ht
blaasje versmelt met het mem braam en de inhoud wordt naar
buiten afgegeven
Deel 2
Leervraag 1: hoe is het erfelijk materiaal opgebouwd?
Het dna is opgebouwd uit 4 verschilende basen: