HC Recht van de EU
HC1: Inleiding tot de interne markt
Drie karakteristieken van het EU-recht
1. Gelaagde structuur: onderscheid tussen primair recht (EU-verdragen) en secundair recht
(EU-wetgeving en overige handelingen van de EU-instellingen op grond van de EU-verdragen) +
nationale uitvoering door lidstaten
- Belangrijkste bronnen voor dit vak:
● Verdrag betreffende Europese Unie (VEU), Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie (VWEU), Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en
Geselecteerde EU-wetgeving (secundair EU-recht).
2. Veel open normen en sterke focus op rechtspraak: voornamelijk “rechtersrecht”
3. Verdragsherzieningen en bijbehorende hernummering van de Verdragen, zie concordatietabellen.
De interne markt: wat en waarom?
- Wat is de interne markt?
● Art. 26 lid 2 VWEU: “De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het
vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de
bepalingen van de Verdragen.” -> Dat betekent dat er binnen de EU in principe geen nationale
grenzen meer zijn.
- Waarden en beginselen van de interne markt
● Art. 3 lid 3 VEU
- Waarom hebben we een interne markt?
● Art. 1 en 3 lid 1 VEU
Waaruit bestaat de interne markt?
1. Vrij verkeer van goederen: art. 30, 34-36 en 110 VWEU
2. Vrij verkeer van personen
A. Werknemers: art. 45 VWEU
B. Zelfstandigen en bedrijven: art. 49 VWEU
3. Vrij verkeer van diensten: art. 56-62 VWEU
4. Vrij verkeer van kapitaal: art. 63-65 VWEU
5. Unieburgerschap: art. 20 en 21 VWEU
6. Een systeem van onvervalste mededinging: art. 101-109 VWEU en protocol 27
Positieve en negatieve integratie
- Negatieve integratie: de verboden in het Verdrag (zie hierboven)
A. De verdragen vertellen lidstaten (en soms particulieren) door middel van de verboden wat ze
niet mogen doen.
B. Focus op nationale regelgeving die het functioneren van de interne markt belemmert.
- Positieve integratie (harmonisatie: creëren van EU-wetgeving): secundair EU-recht (positief omdat
het een positief handelen omvat van instellingen op EU-niveau).
A. Nationale regelgeving wordt vervangen door uniforme EU-standaarden.
B. Focus op EU-regels die het functioneren van de interne markt bevorderen.
1. Geen harmonisatie?: de verboden in de Verdragen vormen het beoordelingskader van nationale regels
2. Harmonisatie?: de Europese secundaire wetgeving vormt het beoordelingskader van nationale regels
● Voorbeelden: Roaming-verordening en Burgerschapsrichtlijn. Dit is allemaal bindende
wetgeving!
“Constitutionalisering” van het EU-recht
- Wat is nodig om Europese integratie daadwerkelijk te doen slagen?
- Context: het falen van het internationaal recht in de voorafgaande decennia om oorlog te voorkomen
, - De methode van het Hof van Justitie: “integratie door recht” oftewel de “constitutionalisering” van de
Verdragen (betekent: het recht in plaats van internationale politiek centraal komt de staan binnen die
Europese integratie):
● Autonomie
● Rechtstreekse werking
● Voorrang
➔ Essentieel in deze 3 punten is de zogenaamde "prejudiciëlevraagprocedure":
nationale rechters kunnen vragen stellen over Europees recht aan het Hof van Justitie
in Luxemburg.
Autonomie: van Gend en Loos
- “Het (EEG)-verdrag is meer dan een overeenkomst welke slechts wederzijdse verplichtingen tussen
de verdragsluitende mogendheden schept”
- “Dat (...) de Gemeenschap in het volkenrecht een nieuwe rechtsorde vormt ten bate waarvan de
Staten, zij het op een beperkt terrein, hun soevereiniteit hebben begrensd en waarbinnen niet slechts
deze Lid-Staten, maar ook hun onderdanen gerechtigd zijn.”
- “Dat het gemeenschapsrecht derhalve, evenzeer als het, onafhankelijk van de wetgeving der
lidstaten, ten laste van particulieren verplichtingen in het leven roept, ook geëigend is rechten te
scheppen welke zij uit eigen hoofde kunnen geldig maken.”
Autonomie en rechtstreekse werking
- “Dat het gemeenschapsrecht derhalve, evenzeer als het, onafhankelijk van de wetgeving der
lidstaten, ten laste van particulieren verplichtingen in het leven roept, ook geëigend is rechten te
scheppen welke zij uit eigen hoofde kunnen geldig maken.
➔ Monisme en dualisme zijn niet relevant voor de inroepbaarheid van het Unierecht in de
lidstaten!
● Waarom is dit zo?
Van Gend en Loos: “Dat de waakzaamheid der belanghebbenden (individuen) op de
verzekering van hun rechten een doelmatige controle verschaft, die zich paart aan het
toezicht dat de artikelen (258 en 259 VWEU) aan de Commissie en de lidstaten
opdragen.”
● Wat betekent rechtstreekse werking in praktijk?
Een bepaling van Unierecht kan door een individu worden ingeroepen voor de
nationale rechter.
- Welke bepalingen kunnen individuen inroepen?
● Van Gend en Loos: algemene criteria voor rechtstreekse werking
➔ Voldoende duidelijkheid;
➔ Onvoorwaardelijkheid.
- Tegen wie kan de bepaling worden ingeroepen?
● “Verticaal”: tegen de staat
● “Horizontaal”: tegen een ander individu
Autonomie en voorrang: Costa/ENEL
- Van “autonomie” naar “voorrang”:
● “... (dat) het verdragsrecht, dat uit een autonome bron voortvloeit, op grond van zijn
bijzonder karakter niet door enig voorschrift van nationaal recht opzij kan worden gezet,
zonder zijn gemeenschappelijk karakter te verliezen en zonder dat de rechtsgrond van de
gemeenschap zelf daardoor wordt aangetast”. De nationale rechter moet dan het nationale
voorschrift opzij zetten.
● “Dat (...) latere eenzijdig afgekondigde (nationale) wettelijke voorschriften, die tegen het
stelsel van de Gemeenschap ingaan, iedere werking ontberen”
- Met andere woorden:
, ● De voorrang van Unierecht is absoluut
● Bovendien: lidstaten hebben een plicht tot loyaliteit (art. 4(3) VEU), die geldt voor alle
entiteiten van de lidstaten (nationale rechters, bestuursorganen, etc.)
Prejudiciëlevraagprocedure
- Nu art. 267 VWEU (voorheen art. 177 EEG-verdrag; art. 234 EG-verdrag):
“Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een
uitspraak te doen
a. over de uitlegging van de Verdragen,
b. over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de
instanties van de Unie.
Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der
lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van
haar vonnis, het Hof verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.”
Bevoegdheidsverdeling: attributie
- Art. 4(1) VEU: de EU heeft alleen de bevoegdheden die de lidstaten aan haar hebben toegedeeld.
- Art. 5(1) en (2) VEU: de EU handelt slechts binnen de grenzen van haar bevoegdheden om de daarin
bepaalde doelstellingen te verwezenlijken
- Dat vertaalt zich in drie “soorten” bevoegdheden:
● Exclusieve bevoegdheden (art. 3 VWEU) -> bevoegdheden die de lidstaten volledig hebben
weggegeven aan de EU, zoals externe handel (bijv. met de VS: dit wordt altijd door de
Europese Commissie gedaan).
● Gedeelde bevoegdheden (art. 4 VWEU) -> bijvoorbeeld de interne markt: de interne markt
wordt gereguleerd door de EU, maar voor een groot deel ook door de lidstaten.
● Ondersteunende bevoegdheden (art. 6 VWEU) -> op politiek gevoelige terreinen - zoals
onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, enz. - zijn een aantal ondersteunende bevoegdheden,
waarbij de EU wel iets kan doen maar beperkt. De lidstaten houden dit vooral bij zichzelf.
Bevoegdheidsverdeling: rechtsgrondslag
- De verboden in de Verdragen (negatieve integratie) kunnen meteen door nationale rechters worden
toegepast op maatregelen van lidstaten, omdat die verboden rechtstreekse werking hebben.
- Maar voor positieve integratie is nadere (secundaire) wetgeving van de EU nodig binnen de grenzen
van de bevoegdheidsverdeling
● Secundaire wetgeving vereist een specifieke rechtsgrondslag in de Verdragen
● Een rechtsgrondslag is een bepaling die voorschrijft
1. Welk soort maatregel mag worden aangenomen (inhoud en doel);
2. Welke EU-instelling(en) deze maatregel kunnen aannemen;
3. Welke procedure hiervoor gebruikt moet worden.
, Casus: Tabaksreclamerichtlijn
Richtlijn 98/43 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de
lidstaten op het gebied van reclame en sponsoring voor tabaksproducten
Artikel 2
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
2. "reclame": elke vorm van commerciële mededeling die het aanprijzen van een tabaksproduct tot doel dan wel
rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, met inbegrip van de reclame die, zonder het tabaksproduct
rechtstreeks te noemen, het reclameverbod tracht te omzeilen door gebruik te maken van een naam, merk,
symbool of enig ander onderscheidend teken van een tabaksproduct;
3. "sponsoring": iedere openbare of particuliere bijdrage aan evenementen of activiteiten, die het promoten van
een tabaksproduct tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft;
[…]
Artikel 3
1. Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 89/552/EEG is iedere vorm van reclame of sponsoring in de
Gemeenschap verboden.
Tabaksreclamerichtlijn
- Rechtsgrondslag: art. 95 EG (= 114 VWEU) -> harmonisatie van de interne markt
● Maar gaat deze richtlijn wel over het verbeteren van de interne markt voor producten waarin
of waarop tabaksreclame is afgebeeld?
- Beroep tot nietigverklaring van de Bondsrepubliek Duitsland: deze richtlijn heeft niets met
marktintegratie te maken, maar gaat over de volksgezondheid en we hebben met zijn allen afgesproken
dat de EU op dit gebied niet mag harmoniseren.
● Totaal reclameverbod maakt de vrijheden van de interne markt ten aanzien van tabaksreclame
nagenoeg geheel ongedaan;
● Geen bewijs voor verstoringen van de interne markt voor tabaksproducten
➢ Onbeperkte bevoegdheden voor de EU? -> Als de EU dit mag doen, dan mag de EU
eigenlijk alles doen. Dan is er sprake van een onbeperkte bevoegdheid voor de
Europese wetgever en dat is wat we niet willen.
● Eigenlijke doel is bescherming van de volksgezondheid
➢ Maar zie het harmonisatieverbod in art. 168 lid 5 VWEU
- R.o. 95: “Derhalve moet worden onderzocht, of de richtlijn werkelijk ertoe bijdraagt dat de
belemmeringen van het vrije verkeer van goederen en van de vrijheid van dienstverrichting worden
weggenomen en de mededingingsverstoringen worden opgeheven”
● Maatregelen moeten nationale regelgeving harmoniseren, d.w.z. verschillen tussen nationale
regels wegnemen
● Het enkele feit dat nationale regels verschillen is niet voldoende om art. 114 VWEU als
rechtsgrondslag te rechtvaardigen (r.o. 84)
● Toekomstige belemmeringen moeten waarschijnlijk zijn (r.o. 86)
- Draagt deze richtlijn bij aan het vergemakkelijken van het handelsverkeer? (r.o. 96-105)
● Van tijdschriften en kranten met tabaksreclame? (r.o. 97-98)
● Maar ook van affiches, parasols, asbakken, reclamespots? (r.o. 99)
- Conclusie: de richtlijn mocht niet worden vastgesteld op grond van art. 114 VWEU
Samenvatting
- Marktintegratie
● Positieve integratie: uniforme wetgeving in de gehele EU
● Negatieve integratie: verboden in de Verdragen gericht tot (met name) lidstaten
➢ Grote invloed op allerlei nationale wetgeving, o.a. ondernemingsrecht, bestuursrecht,
belastingrecht, en consumentenrecht
HC1: Inleiding tot de interne markt
Drie karakteristieken van het EU-recht
1. Gelaagde structuur: onderscheid tussen primair recht (EU-verdragen) en secundair recht
(EU-wetgeving en overige handelingen van de EU-instellingen op grond van de EU-verdragen) +
nationale uitvoering door lidstaten
- Belangrijkste bronnen voor dit vak:
● Verdrag betreffende Europese Unie (VEU), Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie (VWEU), Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en
Geselecteerde EU-wetgeving (secundair EU-recht).
2. Veel open normen en sterke focus op rechtspraak: voornamelijk “rechtersrecht”
3. Verdragsherzieningen en bijbehorende hernummering van de Verdragen, zie concordatietabellen.
De interne markt: wat en waarom?
- Wat is de interne markt?
● Art. 26 lid 2 VWEU: “De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het
vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de
bepalingen van de Verdragen.” -> Dat betekent dat er binnen de EU in principe geen nationale
grenzen meer zijn.
- Waarden en beginselen van de interne markt
● Art. 3 lid 3 VEU
- Waarom hebben we een interne markt?
● Art. 1 en 3 lid 1 VEU
Waaruit bestaat de interne markt?
1. Vrij verkeer van goederen: art. 30, 34-36 en 110 VWEU
2. Vrij verkeer van personen
A. Werknemers: art. 45 VWEU
B. Zelfstandigen en bedrijven: art. 49 VWEU
3. Vrij verkeer van diensten: art. 56-62 VWEU
4. Vrij verkeer van kapitaal: art. 63-65 VWEU
5. Unieburgerschap: art. 20 en 21 VWEU
6. Een systeem van onvervalste mededinging: art. 101-109 VWEU en protocol 27
Positieve en negatieve integratie
- Negatieve integratie: de verboden in het Verdrag (zie hierboven)
A. De verdragen vertellen lidstaten (en soms particulieren) door middel van de verboden wat ze
niet mogen doen.
B. Focus op nationale regelgeving die het functioneren van de interne markt belemmert.
- Positieve integratie (harmonisatie: creëren van EU-wetgeving): secundair EU-recht (positief omdat
het een positief handelen omvat van instellingen op EU-niveau).
A. Nationale regelgeving wordt vervangen door uniforme EU-standaarden.
B. Focus op EU-regels die het functioneren van de interne markt bevorderen.
1. Geen harmonisatie?: de verboden in de Verdragen vormen het beoordelingskader van nationale regels
2. Harmonisatie?: de Europese secundaire wetgeving vormt het beoordelingskader van nationale regels
● Voorbeelden: Roaming-verordening en Burgerschapsrichtlijn. Dit is allemaal bindende
wetgeving!
“Constitutionalisering” van het EU-recht
- Wat is nodig om Europese integratie daadwerkelijk te doen slagen?
- Context: het falen van het internationaal recht in de voorafgaande decennia om oorlog te voorkomen
, - De methode van het Hof van Justitie: “integratie door recht” oftewel de “constitutionalisering” van de
Verdragen (betekent: het recht in plaats van internationale politiek centraal komt de staan binnen die
Europese integratie):
● Autonomie
● Rechtstreekse werking
● Voorrang
➔ Essentieel in deze 3 punten is de zogenaamde "prejudiciëlevraagprocedure":
nationale rechters kunnen vragen stellen over Europees recht aan het Hof van Justitie
in Luxemburg.
Autonomie: van Gend en Loos
- “Het (EEG)-verdrag is meer dan een overeenkomst welke slechts wederzijdse verplichtingen tussen
de verdragsluitende mogendheden schept”
- “Dat (...) de Gemeenschap in het volkenrecht een nieuwe rechtsorde vormt ten bate waarvan de
Staten, zij het op een beperkt terrein, hun soevereiniteit hebben begrensd en waarbinnen niet slechts
deze Lid-Staten, maar ook hun onderdanen gerechtigd zijn.”
- “Dat het gemeenschapsrecht derhalve, evenzeer als het, onafhankelijk van de wetgeving der
lidstaten, ten laste van particulieren verplichtingen in het leven roept, ook geëigend is rechten te
scheppen welke zij uit eigen hoofde kunnen geldig maken.”
Autonomie en rechtstreekse werking
- “Dat het gemeenschapsrecht derhalve, evenzeer als het, onafhankelijk van de wetgeving der
lidstaten, ten laste van particulieren verplichtingen in het leven roept, ook geëigend is rechten te
scheppen welke zij uit eigen hoofde kunnen geldig maken.
➔ Monisme en dualisme zijn niet relevant voor de inroepbaarheid van het Unierecht in de
lidstaten!
● Waarom is dit zo?
Van Gend en Loos: “Dat de waakzaamheid der belanghebbenden (individuen) op de
verzekering van hun rechten een doelmatige controle verschaft, die zich paart aan het
toezicht dat de artikelen (258 en 259 VWEU) aan de Commissie en de lidstaten
opdragen.”
● Wat betekent rechtstreekse werking in praktijk?
Een bepaling van Unierecht kan door een individu worden ingeroepen voor de
nationale rechter.
- Welke bepalingen kunnen individuen inroepen?
● Van Gend en Loos: algemene criteria voor rechtstreekse werking
➔ Voldoende duidelijkheid;
➔ Onvoorwaardelijkheid.
- Tegen wie kan de bepaling worden ingeroepen?
● “Verticaal”: tegen de staat
● “Horizontaal”: tegen een ander individu
Autonomie en voorrang: Costa/ENEL
- Van “autonomie” naar “voorrang”:
● “... (dat) het verdragsrecht, dat uit een autonome bron voortvloeit, op grond van zijn
bijzonder karakter niet door enig voorschrift van nationaal recht opzij kan worden gezet,
zonder zijn gemeenschappelijk karakter te verliezen en zonder dat de rechtsgrond van de
gemeenschap zelf daardoor wordt aangetast”. De nationale rechter moet dan het nationale
voorschrift opzij zetten.
● “Dat (...) latere eenzijdig afgekondigde (nationale) wettelijke voorschriften, die tegen het
stelsel van de Gemeenschap ingaan, iedere werking ontberen”
- Met andere woorden:
, ● De voorrang van Unierecht is absoluut
● Bovendien: lidstaten hebben een plicht tot loyaliteit (art. 4(3) VEU), die geldt voor alle
entiteiten van de lidstaten (nationale rechters, bestuursorganen, etc.)
Prejudiciëlevraagprocedure
- Nu art. 267 VWEU (voorheen art. 177 EEG-verdrag; art. 234 EG-verdrag):
“Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een
uitspraak te doen
a. over de uitlegging van de Verdragen,
b. over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de
instanties van de Unie.
Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der
lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van
haar vonnis, het Hof verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.”
Bevoegdheidsverdeling: attributie
- Art. 4(1) VEU: de EU heeft alleen de bevoegdheden die de lidstaten aan haar hebben toegedeeld.
- Art. 5(1) en (2) VEU: de EU handelt slechts binnen de grenzen van haar bevoegdheden om de daarin
bepaalde doelstellingen te verwezenlijken
- Dat vertaalt zich in drie “soorten” bevoegdheden:
● Exclusieve bevoegdheden (art. 3 VWEU) -> bevoegdheden die de lidstaten volledig hebben
weggegeven aan de EU, zoals externe handel (bijv. met de VS: dit wordt altijd door de
Europese Commissie gedaan).
● Gedeelde bevoegdheden (art. 4 VWEU) -> bijvoorbeeld de interne markt: de interne markt
wordt gereguleerd door de EU, maar voor een groot deel ook door de lidstaten.
● Ondersteunende bevoegdheden (art. 6 VWEU) -> op politiek gevoelige terreinen - zoals
onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, enz. - zijn een aantal ondersteunende bevoegdheden,
waarbij de EU wel iets kan doen maar beperkt. De lidstaten houden dit vooral bij zichzelf.
Bevoegdheidsverdeling: rechtsgrondslag
- De verboden in de Verdragen (negatieve integratie) kunnen meteen door nationale rechters worden
toegepast op maatregelen van lidstaten, omdat die verboden rechtstreekse werking hebben.
- Maar voor positieve integratie is nadere (secundaire) wetgeving van de EU nodig binnen de grenzen
van de bevoegdheidsverdeling
● Secundaire wetgeving vereist een specifieke rechtsgrondslag in de Verdragen
● Een rechtsgrondslag is een bepaling die voorschrijft
1. Welk soort maatregel mag worden aangenomen (inhoud en doel);
2. Welke EU-instelling(en) deze maatregel kunnen aannemen;
3. Welke procedure hiervoor gebruikt moet worden.
, Casus: Tabaksreclamerichtlijn
Richtlijn 98/43 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de
lidstaten op het gebied van reclame en sponsoring voor tabaksproducten
Artikel 2
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
2. "reclame": elke vorm van commerciële mededeling die het aanprijzen van een tabaksproduct tot doel dan wel
rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, met inbegrip van de reclame die, zonder het tabaksproduct
rechtstreeks te noemen, het reclameverbod tracht te omzeilen door gebruik te maken van een naam, merk,
symbool of enig ander onderscheidend teken van een tabaksproduct;
3. "sponsoring": iedere openbare of particuliere bijdrage aan evenementen of activiteiten, die het promoten van
een tabaksproduct tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft;
[…]
Artikel 3
1. Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 89/552/EEG is iedere vorm van reclame of sponsoring in de
Gemeenschap verboden.
Tabaksreclamerichtlijn
- Rechtsgrondslag: art. 95 EG (= 114 VWEU) -> harmonisatie van de interne markt
● Maar gaat deze richtlijn wel over het verbeteren van de interne markt voor producten waarin
of waarop tabaksreclame is afgebeeld?
- Beroep tot nietigverklaring van de Bondsrepubliek Duitsland: deze richtlijn heeft niets met
marktintegratie te maken, maar gaat over de volksgezondheid en we hebben met zijn allen afgesproken
dat de EU op dit gebied niet mag harmoniseren.
● Totaal reclameverbod maakt de vrijheden van de interne markt ten aanzien van tabaksreclame
nagenoeg geheel ongedaan;
● Geen bewijs voor verstoringen van de interne markt voor tabaksproducten
➢ Onbeperkte bevoegdheden voor de EU? -> Als de EU dit mag doen, dan mag de EU
eigenlijk alles doen. Dan is er sprake van een onbeperkte bevoegdheid voor de
Europese wetgever en dat is wat we niet willen.
● Eigenlijke doel is bescherming van de volksgezondheid
➢ Maar zie het harmonisatieverbod in art. 168 lid 5 VWEU
- R.o. 95: “Derhalve moet worden onderzocht, of de richtlijn werkelijk ertoe bijdraagt dat de
belemmeringen van het vrije verkeer van goederen en van de vrijheid van dienstverrichting worden
weggenomen en de mededingingsverstoringen worden opgeheven”
● Maatregelen moeten nationale regelgeving harmoniseren, d.w.z. verschillen tussen nationale
regels wegnemen
● Het enkele feit dat nationale regels verschillen is niet voldoende om art. 114 VWEU als
rechtsgrondslag te rechtvaardigen (r.o. 84)
● Toekomstige belemmeringen moeten waarschijnlijk zijn (r.o. 86)
- Draagt deze richtlijn bij aan het vergemakkelijken van het handelsverkeer? (r.o. 96-105)
● Van tijdschriften en kranten met tabaksreclame? (r.o. 97-98)
● Maar ook van affiches, parasols, asbakken, reclamespots? (r.o. 99)
- Conclusie: de richtlijn mocht niet worden vastgesteld op grond van art. 114 VWEU
Samenvatting
- Marktintegratie
● Positieve integratie: uniforme wetgeving in de gehele EU
● Negatieve integratie: verboden in de Verdragen gericht tot (met name) lidstaten
➢ Grote invloed op allerlei nationale wetgeving, o.a. ondernemingsrecht, bestuursrecht,
belastingrecht, en consumentenrecht