techniek voor PABO toelatingstoets
150 oefenvragen met hele uitgebreide uitleg bij de antwoorden
,Inhoudsopgave
Voorbeeldpagina’s ...................................................................................................................3
Oefenvragen............................................................................................................................5
Antwoorden met uitgebreide uitleg ......................................................................................... 33
,Voorbeeldpagina’s
Vraag 1: Menselijk oorsmeer is erfelijk bepaald. Het gen voor 'nat' oorsmeer is dominant, en
het gen voor 'droog' oorsmeer is recessief. Een man heeft van zijn vader het gen voor nat
oorsmeer gekregen, en van zijn moeder het gen voor droog oorsmeer. Wat is het fenotype
(zichtbare resultaat) van deze man, en welke genen kan hij doorgeven aan zijn kinderen?
A) Hij heeft droog oorsmeer en geeft alleen het gen voor droog oorsmeer door.
B) Hij heeft nat oorsmeer en kan alleen het gen voor nat oorsmeer doorgeven.
C) Hij heeft een mix van nat en droog oorsmeer.
D) Hij heeft nat oorsmeer, maar draagt beide genen bij zich en kan dus zówel het gen voor nat als
voor droog oorsmeer doorgeven.
Vraag 2: Wat toont een 'voedselpiramide' (waarbij hoeveelheden of massa in een
voedselketen worden geteld) duidelijk aan over de invloed van gifstoffen (zoals
bestrijdingsmiddelen) in de natuur?
A) Gifstoffen breken razendsnel af in de lichamen van producenten.
B) Gifstoffen hopen zich steeds verder op naarmate je hoger in de piramide (richting de
toppredator) komt, een proces dat accumulatie heet.
C) Gifstoffen zijn uitsluitend dodelijk voor de planten onderaan de piramide.
D) Consumenten kunnen gifstoffen veilig omzetten in energierijke suikers.
Vraag 3: Een kruiwagen is een bekend hulpmiddel in de techniek om zware lasten te
verplaatsen. Bij een kruiwagen zit het wiel (het steunpunt) helemaal vooraan, de zware
lading (de weerstand) ligt in de bak in het midden, en jij tilt aan de handvatten aan de
achterkant. Welk type hefboom is een kruiwagen?
A) Een primaire hefboom
B) Een secundaire hefboom
C) Een tertiaire hefboom
D) Een meervoudige katrol
Vraag 4: In elke moderne meterkast bevindt zich een aardlekschakelaar om ons te
beschermen tegen gevaarlijke elektrocutie of brand. Wat is de precieze functie van dit
apparaat?
A) Hij smelt door als de elektriciteitsdraden te warm worden door te veel aangesloten apparaten.
B) Hij zorgt ervoor dat overtollige spanning bij blikseminslag direct de aarde in wordt afgevoerd.
C) Hij meet de totale weerstand (R) in huis en verhoogt automatisch de spanning (U) als dit nodig
is.
D) Hij vergelijkt constant de invoer en uitvoer van stroom binnenshuis; ontstaat er een miniem
verschil (bijv. omdat stroom via een mens weglekt), dan onderbreekt hij razendsnel de
stroomtoevoer.
Vraag 5: Wat is tijdens het bijzondere fenomeen van een totale maansverduistering (waarbij
de maan langzaam in het donker verdwijnt en rood kan kleuren) de exacte volgorde en
positie van de hemellichamen in de ruimte?
A) De maan schuift precies tússen de aarde en de zon in, en blokkeert zo het licht naar de aarde.
B) De aarde staat precies tússen de zon en de maan in op één rechte lijn, waardoor de maan
volledig in de kernschaduw van de aarde terechtkomt.
,C) De zon draait tussen de aarde en de maan door, waardoor de maan overdag onzichtbaar
wordt.
D) De maan draait 180 graden om haar eigen as, waardoor wij vanaf de aarde tegen de donkere
achterkant aankijken.
Vraag 1: Antwoord D
Motivering: Het genotype van de man is heterozygoot: hij heeft zowel de code voor 'nat' als de
code voor 'droog'. Omdat het gen voor 'nat' dominant is, 'wint' deze het in de cellen. Zijn fenotype
(wat we daadwerkelijk waarnemen in de oren) is dus 100% nat oorsmeer. Echter, in zijn DNA
bezit hij nog steeds beide genen. Bij de vorming van zijn zaadcellen (meiose) krijgt 50% het nat-
gen mee, en 50% het zwakke droog-gen. Hij kan dus beide doorgeven!
Vraag 2: Antwoord B
Motivering: In een voedselpiramide geldt: er zijn heel veel planten nodig om één rups te voeden,
veel rupsen voor één koolmees, en veel koolmezen voor één buizerd. Een klein beetje gif dat op
de planten wordt gespoten, hoopt zich daardoor drastisch op (accumulatie) in de dieren die
bovenaan de piramide staan. Dit komt doordat de toppredator (de buizerd) in verhouding
ontzettend veel besmette prooien eet, waardoor de dosis gif in zijn lichaam dodelijk kan
oplopen.
Vraag 3: Antwoord B
Motivering: Hefbomen worden ingedeeld op basis van waar het steunpunt en het krachtpunt
zich bevinden. Bij een primaire hefboom (zoals een wip of schaar) zit het steunpunt exact in het
midden. Bij een tertiaire hefboom zit je hand juist héél dicht bij het scharnierpunt (zoals bij een
pincet). Bij een kruiwagen zit de te tillen last (de weerstand) in het midden, tússen het wiel (het
steunpunt) en je handen (de machtsarm) in. Dit is de theorie-definitie van een secundaire
hefboom, een constructie die het tillen fysiek veel lichter maakt.
Vraag 4: Antwoord D
Motivering: Een aardlekschakelaar bewaakt de stroomkring op 'weglekkende' stroom (zoals een
defect apparaat of vocht waardoor de stroom via een mens naar de aarde lekt). Hij meet dit door
de hoeveelheid stroom (Ampère) die het huis ín gaat exact te vergelijken met de stroom die het
huis weer netjes verlaat. Merkt deze sensor dat er ergens stroom 'ontbreekt', dan sluit hij uit
veiligheid direct de volledige stroomtoevoer af. (Optie A beschrijft de zekering/stop en optie B
beschrijft de randaarde/bliksemafleider).
Vraag 5: Antwoord B
Motivering: De maan geeft zelf geen licht, maar weerkaatst zonlicht. Bij een totale
maansverduistering is de maan eigenlijk 'Vol', maar kunnen wij dit licht plotseling niet meer zien.
Dit komt doordat de Aarde op één perfecte lijn exact tussen de Zon en de Maan in staat. Omdat
de aarde zo groot is ten opzichte van de maan, werpt deze een enorme slagschaduw
(kernschaduw) de ruimte in. De maan draait door deze schaduw heen, waardoor geen enkel
direct zonnestraaltje het maanoppervlak meer kan bereiken. (Antwoord A beschrijft exact een
zonsverduistering).
, Oefenvragen
Vraag 1: Zowel planten als dieren bestaan uit cellen, maar hun cellen zijn niet identiek.
Welke van de volgende celonderdelen komt wél voor in een plantencel, maar níét in een
dierlijke cel?
A) Celmembraan, celkern en mitochondriën
B) Celwand, grote vacuole en bladgroenkorrels
C) Celplasma, celkern en celwand
D) Mitochondriën, vacuole en DNA
Vraag 2: Binnen een cel hebben alle organellen een eigen, onmisbare functie. Wat is de
primaire functie van de mitochondriën?
A) Het fungeren als de bibliotheek van de cel waar erfelijke informatie ligt opgeslagen.
B) Het regelen van het transport van nuttige en schadelijke stoffen in en uit de cel.
C) Het omzetten van de brandstof uit ons voedsel in kleine energiepakketjes.
D) Het zorgen voor de stevigheid en de spanning van de celwand.
Vraag 3: Bij mensen en dieren werken organen samen in organenstelsels. Welk organel of
orgaanstelsel is verantwoordelijk voor het filteren en afvoeren van vloeibare afvalstoffen
uit ons bloed?
A) Het uitscheidingsstelsel (met o.a. de nieren)
B) Het lymfevatenstelsel (met o.a. de lymfeknopen)
C) De lever in het spijsverteringsstelsel
D) Het hormoonstelsel
Vraag 4: Hoe planten mossen (behorend tot het plantenrijk) zich voort en waarom blijven zij
zo klein van stuk (maximaal 10 centimeter)?
A) Ze planten zich voort via zaden, maar blijven klein omdat ze geen bladgroenkorrels hebben.
B) Ze planten zich voort via sporen en blijven klein omdat ze geen vaten (holle buisjes) hebben
om water omhoog te pompen.
C) Ze planten zich voort via bloemen en vruchten, en blijven klein omdat ze in het donker leven.
D) Ze planten zich voort via naaldenkegels, maar hebben onvoldoende wortels.
Vraag 5: Binnen de gewervelden vallen kikkers en salamanders onder de amfibieën. Welke
uitspraak over de levenscyclus en ademhaling van de kikker is juist?
A) Ze ademen hun hele leven met kieuwen en zijn warmbloedig.
B) Ze worden geboren in eieren met een harde kalkschaal en groeien op het land op.
C) Ze komen uit het ei met kieuwen, ondergaan later een metamorfose waarbij ze longen krijgen,
en ademen tevens via hun dunne huid.
D) Ze worden levend gebaard (levendbarend) en ademen uitsluitend met longen.
Vraag 6: In een bos leven pimpelmezen. Welke van de volgende voorbeelden is een
abiotische factor die invloed heeft op de populatie pimpelmezen?
A) De rupsen die de pimpelmezen opeten.
B) De bomen waarin de pimpelmezen hun nesten bouwen.
C) Een roofvogel die op pimpelmezen jaagt.
D) Strenge vorst en de hoeveelheid neerslag in het bos.