Hoofdstuk 1: Wat is klinische neuropsychologie?
Hoofdstuk 2: De wetenschappelijke methoden
Hoofdstuk 3: Neuropsychologie in de praktijk
Hoofdstuk 4: Beeldvorming van de hersenen
Hoofdstuk 5: Plasticiteit, herstel en neuropsychologische
revalidatie
Hoofdstuk 6: Waarneming
Hoofdstuk 7: Geheugen
Hoofdstuk 8: Taal en spraak
Hoofdstuk 9: Aandacht en executief functioneren
Hoofdstuk 10: Emotie en sociale cognitie
Hoofdstuk 11: Motoriek en actie
Hoofdstuk 12: Intelligentie
2
,Hoofdstuk 1: Wat is klinische neuropsychologie?
Neuropsychologie
De studie van de relatie tussen hersenen en gedrag. Verstoring leidt tot
specifieke cognitieve, emotionele of gedragsveranderingen.
Klinische neuropsychologie
Toepassing van kennis over hersen-gedrag relaties bij diagnostiek en
behandeling. Doel is begrijpen en beïnvloeden van cognitieve stoornissen.
Lokalisatie
Het principe dat specifieke hersengebieden specifieke functies hebben.
Schade veroorzaakt selectieve functiestoornissen afhankelijk van locatie.
Functiedifferentiatie
Het idee dat mentale functies gescheiden systemen zijn binnen de
hersenen. Verstoring toont zich in selectieve uitval van functies.
Dualisme (Descartes)
Scheiding tussen lichaam en geest als aparte systemen. Beperkt begrip
van hersen-gedrag relatie bij stoornissen.
Frontaalkwabfunctie
Gebied betrokken bij gedragsinhibitie en executieve controle. Schade leidt
tot ontremd en inadequaat gedrag.
Afasie van Broca
Stoornis in spraakproductie met relatief intact begrip door
frontaalkwabschade. Gevolg is beperkte taaloutput.
Afasie van Wernicke
Stoornis in taalbegrip met vloeiende maar inhoudsloze spraak door
temporale schade. Gevolg is onsamenhangende communicatie.
Visuele agnosie (Lissauer)
Stoornis in objectherkenning ondanks intact zicht. Gevolg is verlies van
betekenisverlening aan visuele input.
Apperceptieve agnosie
Stoornis in het vormen van een visuele representatie. Gevolg is geen
herkenning door verstoorde analyse van kenmerken.
Associatieve agnosie
Stoornis in koppelen van perceptie aan kennis. Gevolg is herkennen zonder
begrijpen.
Hiërarchische verwerking
Stapgewijze verwerking van informatie van simpel naar complex.
Verstoring op elk niveau geeft specifieke uitval.
3
, Functionele systemen (Luria)
Cognitieve functies ontstaan uit samenwerking tussen hersengebieden.
Verstoring in één onderdeel verstoort het hele systeem.
Unit 1 (arousal en aandacht)
Systeem voor activatie en waakzaamheid. Verstoring leidt tot verminderde
alertheid en aandacht.
Unit 2 (informatieverwerking)
Systeem voor verwerking van sensorische input. Verstoring leidt tot
perceptuele en herkenningsproblemen.
Unit 3 (planning en controle)
Systeem voor executieve functies en gedragsturing. Verstoring leidt tot
problemen in plannen en handelen.
Primaire zones
Gebieden die ruwe sensorische input verwerken. Verstoring leidt tot basale
functieverlies.
Secundaire zones
Gebieden die kenmerken analyseren en combineren. Verstoring leidt tot
interpretatieproblemen.
Tertiaire zones
Gebieden die informatie integreren en betekenis geven. Verstoring leidt tot
complexe cognitieve stoornissen.
Lateralisatie
Verdeling van functies over hersenhelften. Verstoring leidt
tot hemisfeerspecifieke uitval zoals taalstoornissen.
Disconnection syndroom (Geschwind)
Stoornissen door onderbroken verbindingen tussen hersengebieden.
Gevolg is functieverlies zonder lokale schade.
Dissociatie
Eén functie is gestoord terwijl een andere intact is. Bewijst dat functies
gescheiden systemen zijn.
Dubbele dissociatie
Twee omgekeerde stoornispatronen bij verschillende laesies. Bewijst
onafhankelijkheid van functies.
Experimentele psychologie (Wundt)
Onderzoek naar mentale processen bij gezonde personen. Beperkt
toepasbaar op hersenletsel.
4