Simple present
Wanneer:
- Als iets altijd, nooit of regelmatig gebeurt
- Als het een feit is (tijd speelt geen rol)
- Bij werkwoorden die een zintuigelijke waarneming aangeven
- Bij werkwoorden die een geestelijke staat (know, understand, believe, realise,
doubt) of een voorkeur aangeven. (like, love, prefer, hate)
- Als er sprake is van vaste tijden
- Na sommige woorden die naar de toekomst verwijzen (before, after, as soon
as, if, until, when)
Hoe:
Een werkwoord. (I live). Bij he/she/it een (e)s erachter zetten (He lives)
Voorbeelden:
- I always get up at 6.
- My town lies on the coast.
- How does your soup taste?
- I hate the programme.
- That film starts at 8.30 p.m.
- I’ll call you as soon as I’m ready.
Present continuous
Wanneer:
- Iets is nu bezig of aan de gang (en van korte duur).
- Als de voorbereidingen al zijn getroffen voor iets dat je in de toekomst gaat
doen.
- Als je irritatie wil aangeven.
Hoe:
To be + werkwoord + -ing. (She is running)
Voorbeelden:
- We’re reading war poems in the class at the moment.
- Why are you watching TV at this time of the day?
- Joyce and I are going to a concert this weekend. (Kaartjes zijn dus al besteld)
- Nina is always gossiping.
Wanneer:
- Als iets altijd, nooit of regelmatig gebeurt
- Als het een feit is (tijd speelt geen rol)
- Bij werkwoorden die een zintuigelijke waarneming aangeven
- Bij werkwoorden die een geestelijke staat (know, understand, believe, realise,
doubt) of een voorkeur aangeven. (like, love, prefer, hate)
- Als er sprake is van vaste tijden
- Na sommige woorden die naar de toekomst verwijzen (before, after, as soon
as, if, until, when)
Hoe:
Een werkwoord. (I live). Bij he/she/it een (e)s erachter zetten (He lives)
Voorbeelden:
- I always get up at 6.
- My town lies on the coast.
- How does your soup taste?
- I hate the programme.
- That film starts at 8.30 p.m.
- I’ll call you as soon as I’m ready.
Present continuous
Wanneer:
- Iets is nu bezig of aan de gang (en van korte duur).
- Als de voorbereidingen al zijn getroffen voor iets dat je in de toekomst gaat
doen.
- Als je irritatie wil aangeven.
Hoe:
To be + werkwoord + -ing. (She is running)
Voorbeelden:
- We’re reading war poems in the class at the moment.
- Why are you watching TV at this time of the day?
- Joyce and I are going to a concert this weekend. (Kaartjes zijn dus al besteld)
- Nina is always gossiping.