ARBEID
H1
Op de arbeidsmarkt gaat het alleen over betaald werk.
Vraag naar en aanbod van arbeid bepalen de prijs van arbeid = loon
Aanbod van arbeid: (= beroepsbevolking) Personen tussen de 15 jaar en de pensioengerechtigde
leeftijd die willen en kunnen werken: zij bieden hun arbeid(skracht) aan op de arbeidsmarkt. Bestaat
uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de geregistreerde werklozen.
Vraag naar arbeid: De totale vraag naar arbeidskrachten. De vraag naar arbeid bestaat uit de vraag
naar werknemers, de vraag naar arbeidskracht van zelfstandigen en de vacatures.
Krappe arbeidsmarkt: De vraag naar arbeid is groter dan het aanbod van arbeid. Er zijn veel vacatures
en weinig werklozen.
Ruime arbeidsmarkt: Het aanbod van arbeid is groter dan de vraag naar arbeid. Er zijn veel werklozen
en weinig vacatures.
Aanzuigeffect: Bij dalende werkloosheid neemt het aanbod van arbeid toe omdat mensen die zich
eerst kansloos achtten op de arbeidsmarkt en zich daarom niet aanboden, zich nu wel aanbieden.
Ontmoedigingseffect: Bij stijgende werkloosheid zullen minder mensen zich aanbieden op de
arbeidsmarkt, omdat zij zich vrijwel kansloos achten bij het zoeken naar een baan.
H2
De beroepsbevolking kan worden uitgedrukt in personen of in arbeidsjaren
Niet-beroepsbevolking: Alle personen van 15 jaar tot 75 jaar die niet willen of kunnen werken
(bijvoorbeeld huismensen, arbeidsongeschikten en studenten).
Arbeidsjaar: Het aantal uren dat iemand met een volledige baan en een normaal arbeidscontract in
een jaar werkt.
Deeltijdfactor: Het aantal uren dat wordt gewerkt per persoon als deel van het aantal uren van een
volledige baan. Een deeltijdfactor van 0,8 betekent dat iemand een baan heeft ter grootte van 80%
van een volledige baan.
p/a-ratio: De verhouding personen/arbeidsjaren
(beroepsbevolking – werklozen) / arbeidsjaren (arbeidsvolume)
Potentiële beroepsbevolking: (= beroepsgeschikte bevolking) De totale bevolking in de leeftijd van 15
jaar tot 75 jaar.
Bruto wel werklozen meegeteld, netto niet
H3
Arbeidsproductiviteit: De productie per persoon per tijdseenheid (bijvoorbeeld per uur of per
arbeidsjaar).
H1
Op de arbeidsmarkt gaat het alleen over betaald werk.
Vraag naar en aanbod van arbeid bepalen de prijs van arbeid = loon
Aanbod van arbeid: (= beroepsbevolking) Personen tussen de 15 jaar en de pensioengerechtigde
leeftijd die willen en kunnen werken: zij bieden hun arbeid(skracht) aan op de arbeidsmarkt. Bestaat
uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de geregistreerde werklozen.
Vraag naar arbeid: De totale vraag naar arbeidskrachten. De vraag naar arbeid bestaat uit de vraag
naar werknemers, de vraag naar arbeidskracht van zelfstandigen en de vacatures.
Krappe arbeidsmarkt: De vraag naar arbeid is groter dan het aanbod van arbeid. Er zijn veel vacatures
en weinig werklozen.
Ruime arbeidsmarkt: Het aanbod van arbeid is groter dan de vraag naar arbeid. Er zijn veel werklozen
en weinig vacatures.
Aanzuigeffect: Bij dalende werkloosheid neemt het aanbod van arbeid toe omdat mensen die zich
eerst kansloos achtten op de arbeidsmarkt en zich daarom niet aanboden, zich nu wel aanbieden.
Ontmoedigingseffect: Bij stijgende werkloosheid zullen minder mensen zich aanbieden op de
arbeidsmarkt, omdat zij zich vrijwel kansloos achten bij het zoeken naar een baan.
H2
De beroepsbevolking kan worden uitgedrukt in personen of in arbeidsjaren
Niet-beroepsbevolking: Alle personen van 15 jaar tot 75 jaar die niet willen of kunnen werken
(bijvoorbeeld huismensen, arbeidsongeschikten en studenten).
Arbeidsjaar: Het aantal uren dat iemand met een volledige baan en een normaal arbeidscontract in
een jaar werkt.
Deeltijdfactor: Het aantal uren dat wordt gewerkt per persoon als deel van het aantal uren van een
volledige baan. Een deeltijdfactor van 0,8 betekent dat iemand een baan heeft ter grootte van 80%
van een volledige baan.
p/a-ratio: De verhouding personen/arbeidsjaren
(beroepsbevolking – werklozen) / arbeidsjaren (arbeidsvolume)
Potentiële beroepsbevolking: (= beroepsgeschikte bevolking) De totale bevolking in de leeftijd van 15
jaar tot 75 jaar.
Bruto wel werklozen meegeteld, netto niet
H3
Arbeidsproductiviteit: De productie per persoon per tijdseenheid (bijvoorbeeld per uur of per
arbeidsjaar).