HC 2-2 inleiding angststoornissen
Prevalentie inflatie hypothese: Huidige generatie is beter geworden in het verwoorden van
mentale gevoelens en problemen
- “niet zozeer meer problemen, maar jongeren beter in staat geworden om onder
woorden te brengen”
Angst en depressie feiten
● Meest voorkomende stoornissen bij kinderen en adolescenten
○ gem. 1 kind per klas op basisschool angststoornis
● Sterke voorspeller latere psychopathologie
● Hoge comorbiditeit
● Vaak niet herkend (en behandeld) → minder dan 20%met angststoornis in
behandeling in tegenstelling tot 45-60% bij externaliserende problemen
● WHO: 2030 depressie nummer 1 oorzaak van ziektelast wereldwijd
Prevalentie
→ dus angst vooral tussen 5 en 15, waarbij meest op 10
→ dus mood disorder (*is denk ik o.a. depressie) vanaf 7,5 maar vooral na 15 piek
,***
Angst
Vrees= Kortdurend/heden
Angst= langdurig/ toekomst
Angst is normaal en nuttig → adaptief
- Cognitieve bias voor angst → kinderen en volwassenen zijn sneller in het
herkennen van slangen dan het herkennen van bloemen, kikkers en rupsen
Normale angsten
71% van de peuters is angstig
Normaal → afwijkend
Adaptief > problematisch > pathologisch
● Intensiteit (irreel tov werkelijke dreiging)
● Onaangepastheid (ontwikkelingsfase)
● Volhardendheid (copingsstrategieën)
● Controleverlies (regulatie)
Symptomen van angst
Angststoornissen in DSM
1) Seperatie-angststoornis
● Een van de meest voorkomende angststoornissen bij jonge kinderen
(4%-10%)
● Jonge onset (7-8 j), vaak na traumatische gebeurtenis
, ● Hoge comorbiditeit (66%) met angststoornissen en depressie. Hoog
herstelratio
Uiting
- overmatig piekeren over mogelijk gevaar
- somatische klachten
- opeisen aandacht verzorgers
- belangrijk: effect op dagelijks functioneren
Dsm-V
Criterium A, 3 of meer (zie ook pg. 364, tabel 11.3):
1. Recidiverend excessief van streek zijn door het verwachten of ervaren van
een scheiding van thuis of van belangrijke hechtingspersonen.
2. Persisterende en excessieve bezorgdheid over het verliezen van belangrijke
hechtingspersonen of bezorgdheid dat hun iets kan overkomen, zoals ziekte,
verwonding, rampen of overlijden.
3. Persisterende en excessieve bezorgdheid over het meemaken van een
ongelukkige gebeurtenis (zoals verdwalen, ontvoerd worden, een ongeluk
krijgen, ziek worden) die zou leiden tot scheiding van een belangrijke
hechtingspersoon.
4. Persisterende tegenzin of weigering om, vanwege scheidingsangst, naar
buiten, weg van huis, naar school, naar het werk of ergens anders naartoe te
gaan.
5. Persisterende en excessieve vrees of tegenzin om thuis of in andere situaties
alleen of zonder belangrijke hechtingspersonen te zijn.
6. Persisterende en excessieve tegenzin of weigering om ergens anders dan
thuis te slapen of te gaan slapen zonder dat een belangrijke
hechtingspersoon in de buurt is.
7. Herhaalde nachtmerries over het thema separatie.
8. Herhaalde lichamelijke klachten (zoals hoofdpijn, buikpijn, misselijkheid,
braken) op het moment dat een scheiding van belangrijke hechtingspersonen
plaatsvindt of wordt verwacht.
2) Specifieke fobie
● Angst verbonden aan zowel de situatie van de specifieke prikkel als de
anticipatie (=vooruitlopen/ verwachting). Kinderen vaak angst voor dieren
● hoge lifetime prevalentie (20%) maar weinig behandeling, meer meisjes
● hoge prevalentie in kindertijd, piek 10-13 j.
Soort
- dier
- natuurlijke omgeving (zoals hoogtes, stormen)
- bloed, injecties, verwondingen (zoals naalden)
- situationeel (zoals vliegtuigen en liften)
- overige (zoals situaties die leiden tot verslikken, harde geluiden,
gekostumeerde personen)
DSM-V
Zie ook p. 367, tabel 11.4
A. Duidelijke angst of vrees voor een specifiek object of een specifieke situatie
(zoals vliegen, hoogtes, dieren etc.). NB Bij kinderen kan de angst of vrees
zich uiten door huilen, driftbuien, verstijven of vastklampen.
, B. Het object van de fobie of de fobische situatie roept bijna altijd onmiddellijk
angst of vrees op.
C. Het object van de fobie of de fobische situatie wordt bewust vermeden, of
alleen verdragen met intense angst of vrees.
D. De angst of vrees is buiten proportie ten opzichte van het werkelijke gevaar
dat het specifieke object of de specifieke situatie met zich meebrengt, de
sociaal-culturele context in acht genomen.
E. De angst, vrees of vermijding is persisterend, en duurt meestal zes maanden
of langer.
F. … veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk…
G. …. niet beter verklaard door…
3) Sociale angststoornis
● Relevant bij diagnose bij kinderen:
○ Angst zowel bij leeftijdsgenoten als volwassenen. Moeten wel sociale
vaardigheden ontwikkeld hebben.
○ Hoeven de angst niet als buitensporig te ervaren.
● Invloed op sociaal-emotionele ontwikkeling (hyperfocus op zelf).
● Angst voor kritiek van anderen is een belangrijke component: het draait dus
niet alleen om de angst voor sociale situaties, bv omdat er veel mensen in
een ruimte zijn, of omdat ze de ruimte niet kunnen verlaten.
● Onset vooral tijdens (vroege) adolescentie, bijna nooit < 10 jaar, lifetime
prevalentie 6%-12%.
● Meisjes:jongens = 2:1
● Hoge comorbiditeit (66%), vooral met gegeneraliseerde angst. Vaak
secundaire diagnose.
DSM-V
p. 369 tabel 11.5
A. Duidelijke angst of vrees voor een of meer sociale situaties waarin de
betrokkene wordt blootgesteld aan mogelijke kritische beoordeling door
anderen. Voorbeelden zijn sociale interacties (bijvoorbeeld een gesprek
voeren, onbekende mensen ontmoeten), geobserveerd worden (bijvoorbeeld
eten of drinken) en een prestatie leveren in het bijzijn van anderen
(bijvoorbeeld een toespraak houden). NB Bij kinderen moet de angst
voorkomen in situaties met leeftijdsgenoten, niet alleen tijdens interacties met
volwassenen.
B. De betrokkene vreest dat hij of zij zich zodanig zal gedragen of in zo’n mate
angstverschijnselen zal vertonen dat anderen hierover negatief zullen
oordelen (omdat het vernederend of gênant is; of tot afwijzing zal leiden door
of aanstoot zal geven bij anderen).
C. De sociale situaties roepen bijna altijd angst of vrees op. NB Bij kinderen kan
de angst of vrees zich uiten door huilen, driftbuien, verstijven, vastklampen,
wegduiken of niet spreken in sociale situaties.
4) Gegeneraliseerde angststoornis (GAD)
● Vaak fysieke component (rusteloosheid)
● Lage prevalentie (2,2%), maar meeste verwijzingen (37%)
● Onset vaak (vroege) adolescentie (10-13 j.), vaak persistent