Samenvatting Informatiemanagement
Hoofdstuk 1
Informatietechnologie: de methoden, technieken en technische hulpmiddelen voor het verwerken
van informatie
Informatie- en communicatietechnologie (ICT): informatie- en communicatie uitwisselingen via
netwerken
Kenmerken van een organisatie:
Doelstellingen van een organisatie
Organisatiestructuur
Primaire processen
Organisatiecultuur
Rol van informatie
Ontwikkelingsstadium in een organisatie
Kritieke succesfactoren (KSF)
Operationaliseren: doelstellingen meetbaar en beter hanteerbaar maken
Formele cultuur: werknemers gaan via duidelijke omgangsvormen met elkaar om (bijv. uniformen)
Informele cultuur: werknemers hebben een vrijer gedrag, minder regels om aan te houden
Primaire processen: processen in de organisatie waarmee ze haar doelstellingen wil behalen
Secundaire processen: processen die primaire processen ondersteunen
Informatieplan: een document dat een inventarisatie geeft van de stand van zaken op het gebied van
informatievoorziening en automatisering binnen een organisatie
De informatieladder bestaat uit:
1. Feiten= werkelijke gebeurtenissen
2. Gegevens= registraties van feiten
3. Informatie= gegevens die betekenis hebben
4. Kennis
5. Competenties= wat personeel doet met kennis
Kwaliteitseisen van informatie:
Informatie moet tijdig zijn
Informatie moet juist zijn
Informatie moet volledig zijn
Informatie moet juiste detaillering hebben
Informatie moet beschikbaar zijn
*gegevens zijn kale feiten, informatie bestaat uit gegevens die bruikbaar zijn
e-commerce: levering van producten en diensten via internet
, informatiestromen:
Horizontale informatiestroom: deze zijn nodig om het primaire proces als 1 geheeld te laten
functioneren
Verticale informatiestroom: vanuit het management gaat de besturingsinformatie omlaag
voor het aansturen van primaire processen
Data Flow Diagram: een overzicht van de informatiestromen binnen een proces
Hoofdstuk 2
CRAP- test: hiermee bepaal je of een informatiebron betrouwbaar is
C= currency (actualiteit)
R= reliability (relevantie)
A= autority ( auteur)
P= Purpose (doel)
Kunstmatige intelligentie: computers voeren taken uit waar normale gesproken menselijke
intelligentie voor nodig is
Veeglijnmethode: bij deze methode schrijf je het rapport niet aan het eind, maar komt het rapport
gedurende je zoektocht naar informatie tot stand
Turingtest: maakt onderscheid tussen computer en mens
Hoofdstuk 3
Hardware: tastbare apparatuur dat je kan aansluiten aan een computer
Randapparatuur: printers, tape drives, beeldschermen etc.
Microprocessor: de processor is volledig geïntegreerd op een enkel plaatje silicium (element)
Server: computer die een bepaalde dienst in een netwerk verricht ten behoefte van andere
computers
Mainframe: grote betrouwbare computer die vooral voor administratieve doeleinden wordt gebruikt
Supercomputer: computer die is ontworpen om zeer snel te kunnen rekenen en wordt vooral
gebruikt bij wetenschappelijke/ technologische onderzoeken
Processor: centrale verwerkingsgedeelte van de computer
Interne geheugen= werkgeheugen
RAM: Random Access Memory, geheugen dat willekeurig toegankelijk is voor de processor om
gegevens en programma’s in op te slaan
ROM: Read Only Memory, geheugen dat alleen te lezen is
Invoerapparatuur: toetsenbord en muis, aanraakscherm, harde schijf etc
Uitvoerapparatuur: beeldscherm, printers, plotten etc.
*Netwerkkaarten en schijven zijn zowel invoer- als uitvoerapparaturen
Hoofdstuk 1
Informatietechnologie: de methoden, technieken en technische hulpmiddelen voor het verwerken
van informatie
Informatie- en communicatietechnologie (ICT): informatie- en communicatie uitwisselingen via
netwerken
Kenmerken van een organisatie:
Doelstellingen van een organisatie
Organisatiestructuur
Primaire processen
Organisatiecultuur
Rol van informatie
Ontwikkelingsstadium in een organisatie
Kritieke succesfactoren (KSF)
Operationaliseren: doelstellingen meetbaar en beter hanteerbaar maken
Formele cultuur: werknemers gaan via duidelijke omgangsvormen met elkaar om (bijv. uniformen)
Informele cultuur: werknemers hebben een vrijer gedrag, minder regels om aan te houden
Primaire processen: processen in de organisatie waarmee ze haar doelstellingen wil behalen
Secundaire processen: processen die primaire processen ondersteunen
Informatieplan: een document dat een inventarisatie geeft van de stand van zaken op het gebied van
informatievoorziening en automatisering binnen een organisatie
De informatieladder bestaat uit:
1. Feiten= werkelijke gebeurtenissen
2. Gegevens= registraties van feiten
3. Informatie= gegevens die betekenis hebben
4. Kennis
5. Competenties= wat personeel doet met kennis
Kwaliteitseisen van informatie:
Informatie moet tijdig zijn
Informatie moet juist zijn
Informatie moet volledig zijn
Informatie moet juiste detaillering hebben
Informatie moet beschikbaar zijn
*gegevens zijn kale feiten, informatie bestaat uit gegevens die bruikbaar zijn
e-commerce: levering van producten en diensten via internet
, informatiestromen:
Horizontale informatiestroom: deze zijn nodig om het primaire proces als 1 geheeld te laten
functioneren
Verticale informatiestroom: vanuit het management gaat de besturingsinformatie omlaag
voor het aansturen van primaire processen
Data Flow Diagram: een overzicht van de informatiestromen binnen een proces
Hoofdstuk 2
CRAP- test: hiermee bepaal je of een informatiebron betrouwbaar is
C= currency (actualiteit)
R= reliability (relevantie)
A= autority ( auteur)
P= Purpose (doel)
Kunstmatige intelligentie: computers voeren taken uit waar normale gesproken menselijke
intelligentie voor nodig is
Veeglijnmethode: bij deze methode schrijf je het rapport niet aan het eind, maar komt het rapport
gedurende je zoektocht naar informatie tot stand
Turingtest: maakt onderscheid tussen computer en mens
Hoofdstuk 3
Hardware: tastbare apparatuur dat je kan aansluiten aan een computer
Randapparatuur: printers, tape drives, beeldschermen etc.
Microprocessor: de processor is volledig geïntegreerd op een enkel plaatje silicium (element)
Server: computer die een bepaalde dienst in een netwerk verricht ten behoefte van andere
computers
Mainframe: grote betrouwbare computer die vooral voor administratieve doeleinden wordt gebruikt
Supercomputer: computer die is ontworpen om zeer snel te kunnen rekenen en wordt vooral
gebruikt bij wetenschappelijke/ technologische onderzoeken
Processor: centrale verwerkingsgedeelte van de computer
Interne geheugen= werkgeheugen
RAM: Random Access Memory, geheugen dat willekeurig toegankelijk is voor de processor om
gegevens en programma’s in op te slaan
ROM: Read Only Memory, geheugen dat alleen te lezen is
Invoerapparatuur: toetsenbord en muis, aanraakscherm, harde schijf etc
Uitvoerapparatuur: beeldscherm, printers, plotten etc.
*Netwerkkaarten en schijven zijn zowel invoer- als uitvoerapparaturen