Behandelmethoden
Introvideo's samenvatting
Schema's..................................................................................................6
Les 1.........................................................................................................8
(0:02 – 3:05) Inleiding tot psychotherapie en het belang van evidentie
..............................................................................................................8
(3:05 – 4:07) Kenmerken van bonafide psychotherapie en stromingen 9
(4:09 – 5:14) Evidence-based behandelen en onderzoeksopzetten....10
(5:15 – 7:59) Interne vs. externe validiteit en onderzoeksdesigns......10
(7:59 – 10:59) Case study design: kenmerken en voordelen...............11
(11:00 – 14:10) Nadelen van case study design en introductie van
herhaalde metingen............................................................................11
(14:10 – 16:00) Single-case designs: interne validiteit en kenmerken 12
(16:00 – 17:10) One-group pre-post design: opzet en voordelen........13
(17:10 – 18:30) Nadelen van one-group pre-post design....................13
(18:30 – 21:00) Pretest-posttest non-equivalent groups design..........13
(21:00 – 25:26) Randomized Controlled Trial (RCT): kenmerken en
voordelen.............................................................................................14
(25:26 – 26:30) RCT: verdere reflectie op validiteit en beperkingen...15
(26:30 – 27:30) Typen vraagstellingen binnen RCT’s..........................15
(27:30 – 29:00) Efficacy trials: focus op interne validiteit....................16
(29:00 – 29:58) Effectiveness trials: focus op externe validiteit..........16
(29:58 – einde) Praktische verschillen tussen efficacy en effectiveness
studies.................................................................................................16
Les 2.......................................................................................................17
(0:02 – 6:18) Introductie tot common factors en het debat met
specifieke factoren..............................................................................17
(6:19 – 16:47) Therapeutische alliantie als centrale common factor...18
(16:47 – 18:14) Verdere illustratie van de therapeutische alliantie en
belang van herstel van samenwerking................................................19
(18:14 – 19:48) Onderzoeksevidentie en klinische aanbevelingen voor
de alliantie...........................................................................................20
(18:15 – 19:48) De echte relatie: authenticiteit en realisme...............21
, (19:49 – 21:48) Bijdrage van therapeut en cliënt aan de echte relatie
............................................................................................................21
(21:48 – 23:30) Verdieping van de echte relatie via therapeutische
zelfonthulling.......................................................................................22
(23:30 – 24:30) Evidentie en aanbevelingen voor de echte relatie.....23
(24:30 – 26:30) Positieve benadering: definitie en klinische
voorbeelden.........................................................................................23
(26:30 – 29:59) Evidentie en aanbevelingen voor een positieve
benadering..........................................................................................24
Les 3.......................................................................................................25
(0:03 – 0:40) Introductie van gedragstherapie als behandelparadigma
............................................................................................................25
(0:40 – 1:14) Gedrag als kern en uitgangspunt van klachten..............25
(1:00 – 2:21) Vier basiskenmerken van gedragstherapie....................25
(2:21 – 2:44) Twee leerparadigma’s: operante en klassieke
conditionering......................................................................................25
(2:46 – 3:31) Wetenschappelijke verankering van gedragstherapie. . .26
(3:33 – 4:04) Het behandelproces als empirische cyclus.....................26
(4:05 – 4:52) Praktische kenmerken van gedragstherapie..................26
(4:53 – 5:38) Tijdsbeperking en vergelijking met andere stromingen. 26
(5:39 – 6:56) Drie golven binnen gedragstherapie..............................27
(6:57 – 7:52) Visie op psychopathologie vanuit leertheorie.................27
(7:53 – 9:00) Analyse van maladaptief gedrag: twee kernvragen.......27
(9:00 – 10:46) Klassieke conditionering en betekenisgeving...............27
(10:46 – 12:06) Klassieke conditionering: hoe neutrale stimuli
betekenis krijgen.................................................................................28
(12:07 – 13:31) Onvoorwaardelijke en voorwaardelijke reacties.........28
(13:32 – 14:34) Twee vormen van leren: verwachtingsleren en
referentieel leren.................................................................................29
(14:35 – 15:13) Acquisitie: het leren van verbanden...........................29
(15:14 – 16:25) Generalisatie en differentiatie....................................29
(16:26 – 17:13) Klassieke conditionering en angststoornissen............29
(17:13 – 17:52) Hoe leerprocessen ontstaan.......................................30
(17:54 – 18:29) Hoe stimuli emotionele betekenis krijgen..................30
, (18:29 – 19:27) Implicaties voor behandeling: twee interventieroutes
............................................................................................................30
(19:28 – 20:02) Exposure als kerninterventie......................................30
(20:03 – 21:00) Contextafhankelijkheid en inhibitorisch leren............31
(21:18 – 21:56) Contraconditionering als tweede interventieprincipe.31
(21:57 – 23:15) Revaluatie van de onvoorwaardelijke prikkel.............31
(23:15 – 24:36) Overgang naar operante conditionering....................32
(24:37 – 25:41) Gedrag als functionele reactie in een context............32
(25:41 – 26:06) Bekrachtiging, straf en uitdoving...............................33
(26:07 – 27:12) Discriminatieve stimulus, antecedentencontrole en
consequentencontrole.........................................................................33
(27:13 – 28:35) Discriminatieve stimuli in het dagelijks leven en
probleemgedrag..................................................................................34
(29:04 – 29:48) Positieve en negatieve bekrachtiging, positieve straf 34
(29:51 – 29:58) Passieve vermijding....................................................34
Les 4.......................................................................................................35
(0:03 – 0:32) Systeemtherapie als koepel- of paraplubegrip...............35
(0:32 – 1:42) Psychopathologie als uitdrukking van relationele
problemen...........................................................................................35
(1:44 – 2:12) De mens als deel van meerdere systemen....................35
(2:13 – 3:02) De geïdentificeerde patiënt............................................36
(3:03 – 4:26) Systemen binnen systemen en de invloed van bredere
contexten.............................................................................................36
(4:27 – 5:57) Verschillende stromingen binnen de systeemtherapie...37
(5:58 – 6:47) Een logischer ordening van kernconcepten...................37
(6:48 – 7:17) Context geeft betekenis.................................................37
(7:17 – 8:31) Gedrag is wederzijds ingebed in interacties...................38
(8:31 – 9:16) Contextualiseren als kernhouding..................................38
(9:16 – 10:21) De systeemtherapeutische blik in de behandelkamer. 39
(10:21 – 10:37) Ook zoeken naar contexten die oplossingen bevatten
............................................................................................................39
(10:38 – 10:46) Context en vorige generaties.....................................39
(10:47 – 11:31) Familiescripts en replicatieve scripts.........................39
(11:32 – 12:12) Correctieve scripts.....................................................40
, (12:13 – 12:33) Geïmproviseerde scripts.............................................40
(12:33 – 13:23) Erfenissen uit het gezin van oorsprong......................40
(13:23 – 14:11) Loyaliteit en intergenerationele invloed.....................41
(14:11 – 15:09) Gezinnen als levende, open of gesloten systemen....41
(15:10 – 16:29) Kluwengezinnen en therapeutisch invoegen..............41
(16:29 – 17:04) Loszandgezinnen........................................................42
(17:06 – 18:12) Circulariteit als kernconcept.......................................42
(18:12 – 19:29) Interactiepatronen en wederzijdse beïnvloeding........42
(19:29 – 20:26) Recursiviteit en feedback...........................................43
(20:27 – 21:02) Vicieuze cirkels...........................................................43
(21:03 – 22:00) Vicieuze cirkels en vastlopende interactiepatronen...43
(22:00 – 22:32) Interactiesequenties en patronen...............................44
(22:33 – 23:26) Complementaire interacties.......................................44
(23:27 – 23:55) Symmetrische interacties...........................................45
(23:56 – 24:47) Hulpverleners als deel van het systeem en
parallelprocessen.................................................................................45
(24:50 – 25:09) Circulair kijken versus lineair causaal denken............45
(25:10 – 26:05) Interpunctie en de strijd om het beginpunt................46
(26:07 – 27:04) Je kunt niet niet communiceren: inhoud en
betrekkingsniveau...............................................................................46
(27:05 – 27:50) Ambiguïteit, tegenstrijdigheid en paradox.................46
(27:50 – 28:56) Double bind als voorbeeld van paradoxale
communicatie......................................................................................47
(28:57 – 29:28) Wanneer betrekking belangrijker wordt dan inhoud. .47
(29:32 – 29:59) Monoloog versus dialoog............................................47
Les 5.......................................................................................................48
(0:03 – 0:48) Introductie van de psychodynamische psychotherapie..48
(1:22 – 2:26) Het onbewuste als kern van de visie op psychopathologie
............................................................................................................48
(2:27 – 3:25) Continuïteit tussen gezondheid en psychopathologie....49
(3:25 – 4:31) Zelfkennis van de therapeut en leeranalyse..................49
(4:32 – 5:12) Het kristalprincipe van Freud.........................................50
(5:13 – 5:48) Dimensionaliteit van psychopathologie..........................50
Introvideo's samenvatting
Schema's..................................................................................................6
Les 1.........................................................................................................8
(0:02 – 3:05) Inleiding tot psychotherapie en het belang van evidentie
..............................................................................................................8
(3:05 – 4:07) Kenmerken van bonafide psychotherapie en stromingen 9
(4:09 – 5:14) Evidence-based behandelen en onderzoeksopzetten....10
(5:15 – 7:59) Interne vs. externe validiteit en onderzoeksdesigns......10
(7:59 – 10:59) Case study design: kenmerken en voordelen...............11
(11:00 – 14:10) Nadelen van case study design en introductie van
herhaalde metingen............................................................................11
(14:10 – 16:00) Single-case designs: interne validiteit en kenmerken 12
(16:00 – 17:10) One-group pre-post design: opzet en voordelen........13
(17:10 – 18:30) Nadelen van one-group pre-post design....................13
(18:30 – 21:00) Pretest-posttest non-equivalent groups design..........13
(21:00 – 25:26) Randomized Controlled Trial (RCT): kenmerken en
voordelen.............................................................................................14
(25:26 – 26:30) RCT: verdere reflectie op validiteit en beperkingen...15
(26:30 – 27:30) Typen vraagstellingen binnen RCT’s..........................15
(27:30 – 29:00) Efficacy trials: focus op interne validiteit....................16
(29:00 – 29:58) Effectiveness trials: focus op externe validiteit..........16
(29:58 – einde) Praktische verschillen tussen efficacy en effectiveness
studies.................................................................................................16
Les 2.......................................................................................................17
(0:02 – 6:18) Introductie tot common factors en het debat met
specifieke factoren..............................................................................17
(6:19 – 16:47) Therapeutische alliantie als centrale common factor...18
(16:47 – 18:14) Verdere illustratie van de therapeutische alliantie en
belang van herstel van samenwerking................................................19
(18:14 – 19:48) Onderzoeksevidentie en klinische aanbevelingen voor
de alliantie...........................................................................................20
(18:15 – 19:48) De echte relatie: authenticiteit en realisme...............21
, (19:49 – 21:48) Bijdrage van therapeut en cliënt aan de echte relatie
............................................................................................................21
(21:48 – 23:30) Verdieping van de echte relatie via therapeutische
zelfonthulling.......................................................................................22
(23:30 – 24:30) Evidentie en aanbevelingen voor de echte relatie.....23
(24:30 – 26:30) Positieve benadering: definitie en klinische
voorbeelden.........................................................................................23
(26:30 – 29:59) Evidentie en aanbevelingen voor een positieve
benadering..........................................................................................24
Les 3.......................................................................................................25
(0:03 – 0:40) Introductie van gedragstherapie als behandelparadigma
............................................................................................................25
(0:40 – 1:14) Gedrag als kern en uitgangspunt van klachten..............25
(1:00 – 2:21) Vier basiskenmerken van gedragstherapie....................25
(2:21 – 2:44) Twee leerparadigma’s: operante en klassieke
conditionering......................................................................................25
(2:46 – 3:31) Wetenschappelijke verankering van gedragstherapie. . .26
(3:33 – 4:04) Het behandelproces als empirische cyclus.....................26
(4:05 – 4:52) Praktische kenmerken van gedragstherapie..................26
(4:53 – 5:38) Tijdsbeperking en vergelijking met andere stromingen. 26
(5:39 – 6:56) Drie golven binnen gedragstherapie..............................27
(6:57 – 7:52) Visie op psychopathologie vanuit leertheorie.................27
(7:53 – 9:00) Analyse van maladaptief gedrag: twee kernvragen.......27
(9:00 – 10:46) Klassieke conditionering en betekenisgeving...............27
(10:46 – 12:06) Klassieke conditionering: hoe neutrale stimuli
betekenis krijgen.................................................................................28
(12:07 – 13:31) Onvoorwaardelijke en voorwaardelijke reacties.........28
(13:32 – 14:34) Twee vormen van leren: verwachtingsleren en
referentieel leren.................................................................................29
(14:35 – 15:13) Acquisitie: het leren van verbanden...........................29
(15:14 – 16:25) Generalisatie en differentiatie....................................29
(16:26 – 17:13) Klassieke conditionering en angststoornissen............29
(17:13 – 17:52) Hoe leerprocessen ontstaan.......................................30
(17:54 – 18:29) Hoe stimuli emotionele betekenis krijgen..................30
, (18:29 – 19:27) Implicaties voor behandeling: twee interventieroutes
............................................................................................................30
(19:28 – 20:02) Exposure als kerninterventie......................................30
(20:03 – 21:00) Contextafhankelijkheid en inhibitorisch leren............31
(21:18 – 21:56) Contraconditionering als tweede interventieprincipe.31
(21:57 – 23:15) Revaluatie van de onvoorwaardelijke prikkel.............31
(23:15 – 24:36) Overgang naar operante conditionering....................32
(24:37 – 25:41) Gedrag als functionele reactie in een context............32
(25:41 – 26:06) Bekrachtiging, straf en uitdoving...............................33
(26:07 – 27:12) Discriminatieve stimulus, antecedentencontrole en
consequentencontrole.........................................................................33
(27:13 – 28:35) Discriminatieve stimuli in het dagelijks leven en
probleemgedrag..................................................................................34
(29:04 – 29:48) Positieve en negatieve bekrachtiging, positieve straf 34
(29:51 – 29:58) Passieve vermijding....................................................34
Les 4.......................................................................................................35
(0:03 – 0:32) Systeemtherapie als koepel- of paraplubegrip...............35
(0:32 – 1:42) Psychopathologie als uitdrukking van relationele
problemen...........................................................................................35
(1:44 – 2:12) De mens als deel van meerdere systemen....................35
(2:13 – 3:02) De geïdentificeerde patiënt............................................36
(3:03 – 4:26) Systemen binnen systemen en de invloed van bredere
contexten.............................................................................................36
(4:27 – 5:57) Verschillende stromingen binnen de systeemtherapie...37
(5:58 – 6:47) Een logischer ordening van kernconcepten...................37
(6:48 – 7:17) Context geeft betekenis.................................................37
(7:17 – 8:31) Gedrag is wederzijds ingebed in interacties...................38
(8:31 – 9:16) Contextualiseren als kernhouding..................................38
(9:16 – 10:21) De systeemtherapeutische blik in de behandelkamer. 39
(10:21 – 10:37) Ook zoeken naar contexten die oplossingen bevatten
............................................................................................................39
(10:38 – 10:46) Context en vorige generaties.....................................39
(10:47 – 11:31) Familiescripts en replicatieve scripts.........................39
(11:32 – 12:12) Correctieve scripts.....................................................40
, (12:13 – 12:33) Geïmproviseerde scripts.............................................40
(12:33 – 13:23) Erfenissen uit het gezin van oorsprong......................40
(13:23 – 14:11) Loyaliteit en intergenerationele invloed.....................41
(14:11 – 15:09) Gezinnen als levende, open of gesloten systemen....41
(15:10 – 16:29) Kluwengezinnen en therapeutisch invoegen..............41
(16:29 – 17:04) Loszandgezinnen........................................................42
(17:06 – 18:12) Circulariteit als kernconcept.......................................42
(18:12 – 19:29) Interactiepatronen en wederzijdse beïnvloeding........42
(19:29 – 20:26) Recursiviteit en feedback...........................................43
(20:27 – 21:02) Vicieuze cirkels...........................................................43
(21:03 – 22:00) Vicieuze cirkels en vastlopende interactiepatronen...43
(22:00 – 22:32) Interactiesequenties en patronen...............................44
(22:33 – 23:26) Complementaire interacties.......................................44
(23:27 – 23:55) Symmetrische interacties...........................................45
(23:56 – 24:47) Hulpverleners als deel van het systeem en
parallelprocessen.................................................................................45
(24:50 – 25:09) Circulair kijken versus lineair causaal denken............45
(25:10 – 26:05) Interpunctie en de strijd om het beginpunt................46
(26:07 – 27:04) Je kunt niet niet communiceren: inhoud en
betrekkingsniveau...............................................................................46
(27:05 – 27:50) Ambiguïteit, tegenstrijdigheid en paradox.................46
(27:50 – 28:56) Double bind als voorbeeld van paradoxale
communicatie......................................................................................47
(28:57 – 29:28) Wanneer betrekking belangrijker wordt dan inhoud. .47
(29:32 – 29:59) Monoloog versus dialoog............................................47
Les 5.......................................................................................................48
(0:03 – 0:48) Introductie van de psychodynamische psychotherapie..48
(1:22 – 2:26) Het onbewuste als kern van de visie op psychopathologie
............................................................................................................48
(2:27 – 3:25) Continuïteit tussen gezondheid en psychopathologie....49
(3:25 – 4:31) Zelfkennis van de therapeut en leeranalyse..................49
(4:32 – 5:12) Het kristalprincipe van Freud.........................................50
(5:13 – 5:48) Dimensionaliteit van psychopathologie..........................50