Hoofdstuk 4: Farmacotherapie en andere niet-psychotherapeutische
behandelvormen
De mens is een biopsychosociale eenheid, waarbij het biologisch substraat (lichaam, inclusief brein)
niet los te koppelen is van de geest en de sociale omgeving.
Behandeling van een van deze eenheden heeft gevolgen voor elk van de andere eenheden.
4.1 Psychofarmacologische interventies
Psychofarmacologische interventies zijn een integraal onderdeel van een brede behandeling en
worden bijna altijd gecombineerd met psycho-educatie, psychotherapie, sociale strategieën en re-
integratie.
Psychotrope stoffen = hebben tot doel het denken, voelen, willen en handelen te beïnvloeden.
Psychofarmaca vormen hiervan de belangrijkste categorie in de psychiatrische praktijk.
Vroege 20e eeuw: introductie van neurobiologische therapieën zoals ECT, insuline-comatherapie en
psychochirurgie.
Hoewel weinig wetenschappelijk onderbouwd, waren dit alternatieven voor opsluiting en
dwangmiddelen.
Belangrijke mijlpalen:
1832: chloralhydraat; eerste kalmeringsmiddel.
1850+: broomkali; goedkope vervanger voor chloralhydraat, gebruikt bij slaaptherapie.
Rond 1900: ontwikkeling van barbituraten (slaapmiddelen).
1949: ontdekking van de werking van lithium bij manie door John Cade.
1950: chloorpromazine werd ontdekt; bedoeld tegen allergieën, maar bleek een
‘kunstmatige winterslaap’ te veroorzaken die hielp tegen psychoses.
1957: imipramine; niet effectief in de behandeling van agitatie, maar verminderde
depressieve symptomen eerste antidepressivum.
1958: haloperidol (antipsychoticum).
1958: monoamineoxidaseremmers (MAO-remmers); antidepressiva.
1960: chloordiazepoxide; eerste angstreducerende stof.
4.2 Algemene werkingsprincipes van psychofarmaca
Psychofarmaca kunnen op verschillende manieren worden toegediend, en op verschillende manieren
in het lichaam werken. Onderscheiden:
1. Farmacokinetiek;
2. Farmacodynamiek;
3. Klinische werkingsprincipes.
1
,4.2.1 Farmacokinetiek
Farmacokinetiek = wat het lichaam met het middel doet.
Belangrijkste farmacokinetische processen:
Absorptie
o Hoe komt het middel in het bloed? Bijvoorbeeld via de mond en het
maagdarmstelsel.
o De bloed-hersenbarrière zorgt ervoor dat stoffen uit het bloed niet zomaar de
hersenen kunnen bereiken; bescherming tegen schadelijke stoffen.
Verdeling
o Wanneer het middel geabsorbeerd is, verspreidt het zich over het lichaam.
o Geneesmiddelen kunnen vrij opgelost zijn of zijn gebonden aan bloedeiwitten.
Geneesmiddelen gebonden aan bloedeiwitten verlaten moeilijker de
bloedbaan en bereiken moeilijker de hersenen.
Metabolisme
o Het geneesmiddel wordt door het lichaam afgebroken.
o De lever is de belangrijkste plaats voor metabolisme.
P450-systeem is het meest belangrijk.
De mate van aanwezigheid van P450-enzymen is erfelijk bepaald en verschilt
dus per persoon.
Uitscheiding
o Vindt voornamelijk plaats via gal, de darmen (ontlasting) en via urine.
o Kan ook via zweet, speeksel en moedermelk.
Halfwaardetijd = de tijd die het lichaam nodig heeft om een bepaalde concentratie van het
geneesmiddel in het bloed te halveren.
Bepaalt de duur van de werking en bijwerkingen.
Lange halfwaardetijd? minder doseringen per dag.
4.2.2 Farmacodynamiek
Farmacodynamiek = de effecten van een bepaald geneesmiddel op het lichaam.
Medicijnen werken vaak door zich te binden aan receptoren op cellen, waardoor ze de werking van
neurotransmitters nabootsen of juist blokkeren.
Dosis-responscurve = een grafische weergave van de relatie tussen de hoeveelheid medicijn en het
effect dat het teweegbrengt.
Therapeutische index = de marge tussen een effectieve dosis en een giftige dosis.
Smalle therapeutische index: sommige middelen hebben een heel klein werkgebied. De
effectieve dosis ligt dan gevaarlijk dicht bij de giftige (toxische) dosis.
o Voorzichtig doseren en bloedspiegel regelmatig controleren, anders kans op schade
en bijwerkingen.
o Lithium is hier een voorbeeld van; de bloedspiegel moet tussen de 0,8 en 1,2 mmol/l
liggen. Daaronder werkt het niet, daarboven treden ernstige bijwerkingen op.
o De sterkte van een middel verschilt.
2
,4.2.3 Klinische werkingsprincipes
Voordat een behandelaar medicatie voorschrijft, moet hij rekening houden met:
Kennis van de stof: werking, bijwerkingen en interacties met andere middelen.
Voorlichting: de patiënt realistisch informeren (tegen fabels en vooroordelen).
Onderhoudsbehandeling: weten wanneer medicatie langdurig nodig is om terugval te
voorkomen.
Bijeffecten: beoordelen of een middel invloed heeft op cognitief functioneren, rijvaardigheid
en/of bedienen van machines.
Interactie: kennis van interactie tussen psychische stoornissen en klinische geneesmiddelen.
Complementair: behandelaar moet farmacotherapie en psychotherapie als complementaire
behandelmethoden zien.
Huidige lichamelijke gezondheidstoestand: kennis van de gezondheid van de patiënt.
4.3 Soorten psychofarmaca
Psychofarmaca worden meestal ingedeeld op basis van hun indicatie (waarvoor ze bedoeld zijn):
Antipsychotica;
Antidepressiva;
Stemmingsstabilisatoren;
Anxiolytica;
Hypnotica;
Stimulantia.
Deze indeling is historisch; tegenwoordig worden middelen uit de ene categorie ook vaak gebruikt
voor andere klachten.
4.3.1 Antipsychotica
3
, Indeling
Antipsychotica (neuroleptica) hebben een ‘normaliserend’ effect: ze kalmeren onrustige patiënten,
maar kunnen geremde patiënten juist actiever maken.
Patiënten ervaren soms distantie, depersonalisatie of emotionele vervlakking.
Typen antipsychotica:
Klassieke, typische antipsychotica: werken vooral door dopamine (D2)-receptoren te
blokkeren. Bekend om sterke bewegingsbijwerkingen.
Moderne, atypische antipsychotica: selectiever effect op dopamine en beïnvloeden ook
andere neurotransmitters minder bewegingsstoornissen, ander bijwerkingenprofiel.
Werkingsmechanisme
Antipsychotica kunnen worden ingedeeld in middelen met een lage en een hoge potentie.
Lage potentie: gering effect op de dopaminereceptoren; werken vaak meer kalmerend.
Hoge potentie: blokkeren sterk de D2-receptoren.
Indicaties
Belangrijke indicaties antipsychotica:
Psychosen (wanen en hallucinaties).
Ernstige onrust (bijv. dementie).
Bipolaire stoornis (manie + onderhoud).
Additiebehandeling (als toevoeging bij andere medicatie) bij OCS.
Zeldzaam: syndroom van Gilles de la Tourette en de ziekte van Huntington.
Bijwerkingen
De bijwerkingen komen vaak door de invloed op het extrapiramidale systeem (deel van de hersenen
dat motoriek aanstuurt).
Parkinsonachtige verschijnselen, verschijnselen verdwijnen weer bij stoppen medicatie.
Bijwerking Kenmerken
Acute dystonieën Spierkrampen in nek, kaak of ogen.
Parkinsonisme Trillen, stijfheid, kleine pasjes.
Akathisie Extreme bewegingsdrang; niet stil kunnen zitten.
Tardieve dyskinesieën Onwillekeurige bewegingen van kleine spiertjes in hoofd-halsgebied (treedt laat op, irreversibel)
Extrapiramidale bijwerkingen zijn veel voorkomend bij klassieke antipsychotica. Bij atypische
antipsychotica komen ze minder vaak voor.
Bijwerking atypische antipsychotica:
Metabool-syndroom = gewichtstoename en verhoogd risico op diabetes en hart- en vaatziekten.
Een zeldzame bijwerking is het maligne neurolepticumsyndroom.
= stijfheid, koorts, leverfunctiestoornissen en ontregelingen hartfunctie, temperatuur en bloeddruk.
Besluit
Antipsychotica zijn relatief veilig wat betreft overdosis (niet snel dodelijk), wel kunnen de
bijwerkingen als hinderlijk worden ervaren.
Toediening: meestal oraal, via de mond (tabletvorm). Bij weigering kan worden gekozen voor een
debot-toediening, waarbij een oplossing van het middel in een spierbundel wordt gespoten.
4.3.2 Antidepressiva
4