psychopathologie (H11-25)
(4e druk)
(studietaak 1-15 Klinische Psychologie 1B) a.d.h.v. de
leerdoelen
beknopte samenvatting PB3102-252622B klinische psychologie 1b
Open Universiteit 2025/2026
Bo van der Zee
,Dit document bevat:
• Beknopte samenvatting deel 3 van het tekstboek Klinische psychologie:
psychopathologie (inclusief de boxen) à H11-25 à studietaak 1-15 OU
• Belangrijk: ik heb de samenvattingen gemaakt o.b.v. de leerdoelen van mijn
opleiding aan de Open Universiteit, het kan zijn dat je andere leerdoelen hebt
of andere tentamen stof moet volgen.
, Studietaak 1 neurobiologische
ontwikkelingsstoornissen
Leerdoelen:
Na het bestuderen van deze studietaak ben je in staat om
• het klinisch beeld van ASS en ADHD te schetsen
• onderzoeksbevindingen over de epidemiologie van ASS en ADHD weer te geven
• risicofactoren voor ASS en ADHD en verklaringsmodellen voor ADHD te beschrijven
• cultuur- en genderverschillen in het vóórkomen van ASS aan te geven
• comorboditeit en differentiële diagnostiek van ASS en ADHD weer te geven
• de gebruikte diagnostische methoden voor ASS en ADHD toe te lichten
• diverse interventies en behandelingen voor ASS en ADHD en de resultaten die ermee
worden behaald weer te geven
• in een casus de verschillende neurobiologische ontwikkelingsstoornissen te herkennen en te
benoemen.
• Psychopathologie = de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen, beschrijven en
verklaren van psychische stoornissen en afwijkingen in het gedrag, denken, voelen en beleven
van mensen.
• Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen ontstaan bij volwassenen vaak vroeg in de
ontwikkeling, meestal vóór het 6e levensjaar.
o Worden gekenmerkt door afwijkingen in de neurobiologische ontwikkeling, wat leidt
tot beperkingen in persoonlijk, sociaal, academisch of werk gerelateerd functioneren.
Autismespectrumstoornis (ASS)
Leerdoel 1: Klinisch beeld schetsen ASS
A. Deficiënties in sociale communicatie en interactie (alle 3 aanwezig)
1. Sociale wederkerigheid: Moeite spontaan contact leggen of gedachten/gevoelens
delen; stroeve, eentonige of mechanische gesprekken; moeite met beurtgedrag; weinig
gedeelde emoties, lijkt afstandelijk.
2. Non-verbale communicatie: Onvoldoende of verkeerd gebruik van oogcontact, mimiek
en gebaren; oogcontact te intens of vermijdend; lichaamstaal en stemtoon passen niet bij
situatie.
3. Relaties: Moeite vriendschappen vormen/onderhouden; gedrag niet aanpassen aan
context (formeel/informeel); weinig begrip sociale normen; geen fantasiespel kindertijd.
B. Beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten (≥ 2 aanwezig)
1. Niet-functionele stereotiepe bewegingen, gedragingen of spraak: Herhalen
woorden/zinnen; ritmische bewegingen zoals wiegen, tikken of fladderen.
2. Moeite met veranderingen, routines en rituelen: Hevige onrust bij veranderingen;
sterke behoefte aan voorspelbaarheid en flexibiliteit.
3. Beperkte, gefixeerde interesses: Intense focus op specifieke onderwerpen (bijv. treinen,
koken); diepgaand maar smal, vaak tijd/geldverslindend.
4. Hyper- of hyporeactiviteit op zintuiglijke prikkels: Hyper- of hyporeactiviteit op geluid,
licht, aanraking; moeite lichaamssignalen herkennen.
• Symptomen vanaf vroeg in ontwikkeling (kan later zichtbaar door sociale eisen of compensatie).
• Klinisch significante beperkingen
,• Niet beter verklaard door andere stoornis.
Leerdoel 2: Epidemiologie weergeven ASS
• Prevalentie: Recente schatting 1-2%; gestegen door betere onderkenning, betere herkenning
vrouwen, inclusie mildere vormen en DSM-veranderingen.
• Beloop varieert; hoger intelligentie maskeert vaak, leidt tot latere diagnose en meer lijdensdruk
bij transitiemomenten
Leerdoel 3: Risicofactoren beschrijven ASS
• Erfelijkheid ~83%; 10-15% gekoppeld aan genetische syndromen (bijv. fragiele X);
polygenetisch met omgevings-triggers.
• Omgevingsfactoren ~17%:
o Zwangerschapscomplicaties (geboortetrauma's)
o beschermend: foliumzuur (600–1200 µg)
o geen rol opvoeding postnataal
Leerdoel 4: Cultuur- en genderverschillen ASS
• Cultuur: Frequentere diagnoses in welvarende landen; migranten moeilijker door culturele
normen (oogcontact); heteroanamnese cruciaal.
• Gender:
o 3 mannen : 1 vrouw
o Vrouwen latere diagnose door: maskeren, andere interesses (dieren vs. treinen), hogere
camouflage resultaten in identiteitsproblemen.
o ASS vaker bij transgender dan cisgender personen.
Leerdoel 5: Comorbiditeit en differentiaaldiagnostiek ASS
• Comorbiditeit ASS (55-94%): OCS, sociale-angststoornis, ADHD, depressieve stoornis,
psychosespectrumstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen
• Differentiatie: lastig met persoonlijkheidsstoornissen (overlap kenmerken); gebruik richtlijnen
om over-/onderbehandeling te voorkomen.
Leerdoel 6: Diagnostische methoden toelichten ASS
• Diagnostische criteria DSM-5-TR: Alle 3 sociale deficiënties + minstens 2 repetitieve
symptomen aanwezig vanaf vroeg in ontwikkeling (kan later zichtbaar); klinisch significante
beperkingen sociaal/beroepsmatig; niet beter door andere stoornis.
• Geen biologische tests; gebaseerd op anamnese, heteroanamnese, observatie via
semigestructureerd interview.
• Neuropsychologisch onderzoek voor sterke/zwakke kanten, niet doorslaggevend; AQ
onbetrouwbaar door beperkt inzicht.
• Vroege kindertijd-info soms retrospectief; gedragskenmerken centraal.
Leerdoel 7: Interventies en resultaten ASS
• Geen curatieve behandeling
• Bij volwassenen (normale-hoge intelligentie) à psycho-educatie: diagnose accepteren &
inzicht krijgen in beperkingen en kwaliteiten.
• praktische levensloopbegeleiding (vooral tijdens transitiemomenten)
, o voor mensen met ASS is generalisatie lastig; begeleiding wordt vaak levenslang op- en
afgeschaald.
• Effectief: Acceptance and Commitment Therapy (ACT), Dierondersteunde therapie en
Muziektherapie
• voor comorbiditeit: CGT & mindfulness-based stress reduction
• medicatie beperkt (soms lage antipsychoticum prikkelgevoeligheid).
Extra: theoretische visie ASS
• Neurocognitief:
o Vroeger: Tekorten in theory of mind (inlevingsvermogen), centrale coherentie
(detailgericht), executieve functies (o.a. flexibiliteit).
o Nu: Neurodiversiteit – anders verwerken/communiceren; dubbele empathie-theorie (=
moeite met cognitieve empathie, geen beperking in emotionele empathie).
Aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD)
Leerdoel 1: Klinisch beeld schetsen ADHD
• Symptomen onoplettendheid (≥5 (volwassenen) of ≥6 (kinderen) ≥6 maanden):
o Achteloze fouten door onvoldoende aandacht voor details.
o Moeite aandacht vasthouden bij activiteiten.
o Lijkt niet te luisteren als aangesproken.
o Taken niet afmaken, volgt instructies niet op.
o Moeite organiseren; vermijdt langdurige aandachtstaken.
o Raakt spullen kwijt; makkelijk afgeleid; vergeetachtig.
• Symptomen hyperactiviteit/impulsiviteit (≥5 (volwassenen) of ≥6 (kinderen) ≥6 maanden):
o Fysiek onrustig, moeilijk stilzitten.
o Rent/klimt in ongepaste situaties; moeilijk rustig spelen.
o Overmatig praten; antwoordt voor vraag af.
o Moeite wachten; opdringerig, stoort anderen.
• Klassiek beeld bij volwassenen:
o ↑ afleidbaarheid
o moeite met organiseren
o onoplettendheid
o Beperkte efficiëntie in werk en academische prestaties
o Rusteloosheid
o Vermijden van activiteiten waarbij ze moeten stilzitten
o Geen problemen bij interessante activiteiten, wel bij minder boeiende taken
o Moeite met sociale contacten en relaties onderhouden
• 3 subtypen:
1. overwegend onoplettende type (vaakst bij volwassenen): ≥6 mnd voldoen aan criteria
onoplettendheid, niet aan criteria hyperactiviteit/impulsiviteit
2. overwegend hyperactieve-impulsieve type: ≥6 mnd voldoen aan criteria
hyperactiviteit/impulsiviteit, niet aan criteria onoplettendheid
3. gecombineerde type (minst vaak bij volwassenen): ≥6 mnd voldoen aan criteria
hyperactiviteit/impulsiviteit & criteria onoplettendheid
• Symptomen aanwezig voor 12e levensjaar
• op ≥2 domeinen aanwezig
,• Belemmert functioneren of de ontwikkeling
Leerdoel 2: Epidemiologie weergeven ADHD
• Prevalentie volwassenen: 2,8% wereldwijd (WHO)
o ~50% kinderen behoudt diagnose; daalt met leeftijd.
• Beloop: Ernst kindertijd voorspelt persistentie; overwegende onoplettende subtype en
gecombineerd subtype meest voortdurend.
Leerdoel 3: Risicofactoren en verklaringsmodellen ADHD
• Erfelijkheid ~72% à geen specifiek ‘’ADHD-gen’’, maar polygenetische (meerdere genen)
invloeden.
• Omgevingsfactoren:
o Roken tijdens zwangerschap
o Voedingstekorten tijdens zwangerschap
o Zwangerschapscomplicaties
o Negatieve ervaringen: trauma, stress, lage SES, infecties.
• Neurobiologische kernmerken: Kleinere subcorticale gebieden (zoals amygdala en
hippocampus)
• Neuropsychologische kenmerken: Zwak werkgeheugen, ↓ inhibitiecontrole, ↓
planningsvermogen, ↓ vigilantie.
• Verklaringsmodellen ADHD
1. Executief model: ADHD komt voort uit verstoorde executieve functies: werkgeheugen,
planning, inhibitiecontrole. → Chaotisch, niet afmaken taken, impulsief.
2. Toestandsregulatiemodel: Mensen met ADHD hebben moeite om de interne
energetische toestand af te stemmen op omgevingseisen. → in mindere mate in staat om
toestanden van onder- of overactiviteit te compenseren.
3. Delay-aversion model: te kort in de waardering van toekomstige beloningen, moeite met
het uitstellen van de beloning.
4. Dual-pathway model (vervolg delay-aversion model)
a. Cognitieve route: te kort in inhibitiecontrole
b. Motivationele route: moeite met uitstel en beloningsregulatie
5. Dynamisch ontwikkelingsmodel: Afwijkende bekrachtiging van nieuw gedrag (snelle
beloning nodig) en uitdoving van inadequaat gedrag (gedrag blijft hardnekkig).
Leerdoel 4: Cultuur/gender ADHD
• Cultuur:
o verschil in meningen tussen ADHD en cultuur: sommigen ADHD als universele stoornis,
anderen vinden dat cultuur en land invloed hebben op het vóórkomen van ADHD.
o ADHD-diagnoses komen vaker voor in Europa en Noord-Amerika dan in Afrika en het
Midden-Oosten. à Mogelijke verklaring: meer epidemiologische studies in Europa en
Noord-Amerika.
• Gender:
o In de kindertijd: ADHD komt 2x zo vaak voor bij jongens als bij meisjes.
o In de volwassenheid: verhouding verandert naar 1,6 : 1 (man : vrouw)
o Vrouwen:
§ Meer nadruk op onoplettendheid.
, § Meer internaliserende problematiek (agressie naar binnen gericht → zelfdestructief
gedrag, automutilatie).
o Mannen:
§ Meer hyperactiviteit en impulsiviteit.
§ Meer externaliserende problematiek (agressie, vijandigheid naar buiten).
Leerdoel 5: Comorbiditeit en differentiaaldiagnostiek ADHD
• Comorbiditeit ADHD: ASS, depressie, angststoornissen, bipolaire stoornis, OOS,
middelenmisbruik, eetstoornissen
• Medische comorbiditeit: obesitas/diabetes
• hoger suïciderisico
• Differentiatie:
o ADHD-symptomen kunnen ook voorkomen bij: andere psychische stoornissen, stressvolle
levensstijl, slaapgebrek
o Onoplettendheid is een weinig specifiek symptoom
Leerdoel 6: Diagnostische methoden toelichten van ADHD
• Diagnostische criteria DSM-5-TR: Onoplettendheid EN/OF hyperactiviteit-impulsiviteit;
symptomen voor 12e jaar, ≥2 domeinen, functioneel belemmerend.
• Geen objectieve tests à diagnose d.m.v. clinicus:
1. Differentiaal diagnose (andere stoornissen uitsluiten)
2. Keuze van diagnostische instrumenten (zelfrapportage + (semi-)gestructureerde
interviews (DIVA-5))
3. Heteroanamnese (informatie van naasten verzamelen, schoolrapporten (voor 12e
levensjaar))
Leerdoel 7: Interventies en resultaten ADHD
• Start: psycho-educatie en praktische adviezen
• Wanneer onvoldoende effect:
o Medicamenteuze behandeling à stimulantia (verhogen de concentratie
van catecholaminen (vooral dopamine) in de synaptische spleet)
§ Methylfenidaat, amfetaminen, pemoline
o Niet-medicamenteuze behandeling: cognitieve gedragstherapie CGT (middelgrote
effecten), vaardigheidstrainingen (beperkt bewijs); meditatietherapie (onvoldoende
bewijs).
, Studietaak 2 schizofreniespectrum en andere
psychotische stoornissen
Leerdoelen:
Na het bestuderen van deze studietaak ben je in staat om
• de symptomen van een psychose te beschrijven
• het klinische beeld van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen te
beschrijven
• onderzoeksbevindingen over de prevalentie en stadiëring van deze stoornissen weer te
geven
• het neuropsychisch model van psychose, de risicofactoren voor schizofrenie en psychose en
alternatieve modellen voor psychotische stoornissen te beschrijven
• cultuur- en genderverschillen in ontstaan, voorkomen en beloop van psychotische
stoornissen aan te geven
• comorboditeit en differentiële diagnostiek van psychotische stoornissen weer te geven
• de gebruikte diagnostische methoden voor schizofreniespectrum- en andere psychotische
stoornissen toe te lichten
• diverse interventies en behandelingen van schizofreniespectrum- en andere psychotische
stoornissen en de resultaten die ermee worden behaald weer te geven
• in een casus de verschillende psychotische stoornissen te herkennen en benoemen.
Leerdoel 1: Symptomen van psychose beschrijven
• Milde psychoseachtige ervaringen: intrusieve beelden (trein-duwen), perceptuele aberraties
(gedachten hardop horen), paranoïde ideeën (treiterende collega).
• Wanneer worden milde psychoseachtige ervaringen psychotische symptomen?
o Bij: disfunctionele betekenis, frequentie/intensiteit, lijdensdruk, hulpbehoefte.
• Positieve symptomen: verschijnen van symptomen (iets komt erbij)
a. Wanen: vaststaande overtuigingen die niet veranderen, ondanks tegenbewijs.
§ Factoren die bepalen of iets richting een waan gaat:
1. mate van overtuiging
2. preoccupatie
3. lijdendsdruk
4. impact gedrag/emotie
5. alleen staan in de opvatting
6. onlogische of onbegrijpelijke redenering
7. gesloten voor feiten
§ Gevolgen: emotionele problemen, impact op gedrag en sociaal-maatschappelijke
achteruitgang.
§ Onderhoud door veiligheids- en vermijdingsgedrag zoals helm dragen,
bezweringsformules, zonnebril/hoodie)
§ Niet-bizarre wanen: betreffen gebeurtenissen die mogelijk zijn (bijv. achtervolging).
§ Bizarre wanen: betreffen onmogelijkheden (bijv. 1000 jaar oud zijn).
§ Typen:
1. achtervolgingswaan (complot-mikpunt)
2. betrekkingswaan (gecodeerde betekenis)
3. grootheidswaan (uitzonderlijk talent/missie)
, 4. parasietenwaan (infestatiewaan/syndroom van Ekbom) (ongedierte in
lichaam)
5. somatische waan (bizarre ziekte)
6. schuld/zondewaan (gestraft moeten worden voor fouten)
7. identiteitswaan (Capgras: dubbelganger bekende; Fregoli: vermomde 1
persoon)
8. religieuze waan (profeet/God-relatie)
9. ontrouw-/jaloersheidswaan (syndroom van Othello)
10. nihilistische waan (syndroom vanCotard) (lijk/niet-bestaan)
11. erotomane waan (geheime liefde idool)
12. controle-/beïnvloedingswaan (gedachten aangestuurd)
13. querulantenwaan (onrecht-strijd)
b. Hallucinaties: zintuiglijke waarneming zonder externe bron
§ auditief/stemmen meest, 50% meervoudig met visueel/warmte/schim, ook visueel,
gustatorisch/proeven, olfactorisch/gas, somatisch/tast in huid, extracampien/entiteit
nabij
§ alle zintuigen/processen mogelijk: evenwicht/seks/tijd/houding
§ afgrenzing: vs mentale imagery (= cognitieve representaties van zintuigelijke
ervaringen) en pseudo-hallucinaties (= persoon weet dat het hallucinaties zijn,
Charles Bonnet-syndroom)
c. Desorganisatie: verlies van logica/samenhang in denken
§ neologismen, echolalie/papegaaien, onafgemaakte zinnen, wartaal/mutisme,
chaotisch gedrag, afleidbaar
§ katatonie: ≥3 motorische symptomen zoals stilvallen, hypostupor, hyperopwinding,
bizarre herhalingen/steunhouding/koppen-muren
• Negatieve symptomen: verdwijnen of afwezig zijn van normaal gedrag (iets valt weg)
o avolitie (geen motivatie), asociaal, gevoelsarmoede, vlakke expressie, alogia, anhedonie
o 60% schizofrenie-spectrum
o gevolgen: leegte/inertie/zombiegevoel, verval werk/studie/relaties/zelfzorg,
demoralisatie met hopeloosheid/terugtrek
• Andere problemen: affectief (manie/depressie/angst), cognitief
(geheugen/denken/aandacht/planning).
• Transdiagnostisch: psychose in andere DSM-stoornissen (borderline: stemmen; dwang:
gedachten uitzenden; depressie: doodwaan).
Leerdoel 2: Klinisch beeld schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen
beschrijven
• DSM-5-TR classificatie: "schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen" (spectrum:
geen eenduidige ziekte, variatie ernst/aantal/duur symptomen); 13 types.
• criteria per type: symptomen/duur/ernst/beloop/oorzaak.
o Schizofrenie: ≥2 symptomen ≥1 maand (groot deel tijd) waarvan ≥1 van de eerste 3:
1. Wanen
2. Hallucinaties
3. gedesorganiseerd spreken
4. ernst gedesorganiseerd/katatoon gedrag
5. negatieve symptomen
§ functie in ≥1 levensgebied duidelijk ↓ vergeleken met premorbide niveau
, § psychotische symptomen ononderbroken ≥6 maanden (≥1 maand criteria eerste
punt; incl. prodromaal/restsymptomen).
o Schizofreniforme stoornis: zelfde criteria als schizofrenie maar episode <6 maanden.
o Schizoaffectieve stoornis: schizofreniesymptomen + volledige depressieve/manische
episode tegelijk
§ ≥2 weken wanen/hallucinaties zonder gelijktijdige stemmingsepisode
§ stemmingssymptomen dominant in actieve/restfase.
o Waanstoornis: ≥1 waan ≥1 maand
§ Niet voldoen aan schizofreniecriteria
§ functie/gedrag niet duidelijk beperkt/bizar
§ eventuele stemmings-episodes korter dan waan.
o Kortdurende psychotische stoornis: ≥1 symptoom: wanen, hallucinaties of
gedesorganiseerd spreken + eventueel ernstig gedesorganiseerd/katatoon gedrag
§ Duur: 1 dag-1 maand met volledig herstel premorbide niveau.
• Historische achtergrond:
o Kraepelin à dementia praecox: vroegtijdige aftakeling vs manisch-depressieve
psychosen
o Bleuler à schizofrenie: gespleten geest, later misleidend
o DSM sinds 1952 uitgebreid à onderscheid schizofrene psychosen vs affectieve
psychosen misleidend à onderzoek toont meer overeenkomsten dan verschillen
• Kritiek DSM: classificaties niet valide (geen aparte ziekten); symptomen veranderen tijd
(verschuivende diagnoses); term schizofrenie problematisch →
psychosegevoeligheid/spectrum; grote variatie binnen personen/tussen personen.
Leerdoel 3: Prevalentie en stadiëring weergeven
• Prevalentie:
o Schizofrenie: ~1% bevolking.
o Psychosesymptomen: 12,5% bevolking rapporteert minstens 1 symptoom
o WHO-data (in volgorde meest -> minst):
1. achtervolging/betrekking 8,4%
2. waanstemming 7,1%
3. hallucinaties 5,8%
4. controle/beïnvloedingswanen 4,8%
• Transdiagnostisch:
o Dissociatieve identiteitsstoornis: 78% hoort stemmen
o Chronische posttraumatische-stressstoornis (PTSS): 50%
o Bipolaire stoornis: 37%
o Angst- en stemmingsstoornissen: 27%
o Borderline persoonlijkheidsstoornis: 21%
• Stadiëringsmodel psychose (McGorry) à stadia met kenmerken/prognose/behandeling
(herstelkans ↓ per stadium):
o 0: familiale belasting (eerstegraads psychose), geen symptomen.
o 1a: psychoseachtige ervaringen ± milde cognitieve verstoringen (8% populatie; 2%→1b;
geen functie↓/lijden).