Hoorcollege 1a
Creolisering= twee culturen vermengen met elkaar. Ontstaat iets
nieuws
Intersectionaliteit= Samenkomst van twee culturen en hoe deze
elkaar beïnvloeden (rechtvaardigheid en ongelijkheid). Bijvoorbeeld:
Kinderen met migratie ouders behalen bijv. minder goede cijfers.
Capability model= kijken naar mogelijkheden> bijv. fiets daardoor
kan je naar je vrienden
Hoorcollege 1b
Transactioneel ontwikkelingsmodel= Hoe ontwikkelen kinderen zich
door een wisselwerking tussen het kind, de ouders en mensen en
omgevingen (school).
Bronfenbrenner theorie= omgevingsfactoren hebben invloed op de
ontwikkeling van mensen. Micro= directe relaties, gezin, school en
omgeving. Meso= interactie tussen school en thuis. Hoe werken
deze systemen met elkaar. Exo= Indirecte invloeden zoals
werkomgeving ouders. Macro= Bredere maatschappelijke
systemen, arbeidswetten op werk ouders. Chrono= invloed van tijd
en de veranderingen.
Oudersschapstheorie= 1 elk ouder heeft een besef van
verantwoordelijk zijn. 2 Ouderschap maakt kwetsbaar. 3 Ouders zijn
eindverantwoordelijke.
Hoorcollege 2a
Bufferprocessen: Een solidaire gemeenschap, Goede taakverdeling,
Meta positie innemen= Eerlijk en actief kunnen reflecteren. Goede
ouderervaringen
Self- efficacy= Vertrouwen hebben in jezelf, door iets te doen of te
bereiken.
Kruispuntdenken= Ieder is uniek, en wordt anders behandeld. Door
de combinatie van eigenschappen die bij hem horen.
Model van Belsky (Determinanten)= Door bepaalde negatieve en
positieve factoren kan het ouderlijk gedrag veranderen.
Hoorcollege 2b
Systeemgericht werken= Kijken naar het groter geheel, mensen en
omgeving hebben samen invloed op de problemen en hoe je samen
naar oplossingen kunt zoeken. Richt zich op hoe verschillende
systemen met elkaar samenhangen en invloed hebben op het
gedrag van iemand.
Psychodynamische perspectief (Freud)= Benadrukt de invloed van
vroege jeugdervaringen en onbewuste processen op ons gedrag,
gericht op het verklaren van psychische problemen. 1. ID=
, Onbewuste driften, je wilt direct eten. 2. EGO= Jezelf die nadenkt
voordat je iets doet. Ego stuurt op basis wat kan en mag. Je kan niet
alles zomaar eten. 3. SUPER EGO= Geweten en normen/waarden,
het probeert je gedrag aan te passen volgens ideale.
Mentaliseren= het vermogen om na te denken over je eigen wereld,
gedachten, gevoelens en verlangens.
Afweermechanismen= Ongewenste gevoelens en herinneringen
buiten het bewustzijn laten, bijv.: een aangrijpende gebeurtenis
willen vergeten.
Psychoseksuele ontwikkelingsstadia= Orale fase= Wereld
ontdekken via mond. Anale fase= Leren beheersen van behoeften.
Fallische fase= lichaam ontdekken. Latentiefase= school en
vriendschappen staan centraal. Genitale fase= Volwassen relaties
ontwikkelen.
Overdacht= Proces waarbij gevoelens en verwachtingen uit een
vroegere relatie worden geprojecteerd op iemand in het heden.
Tegen overdacht= Gevoelens van professional in het contact.
Gevoelens die je als hulpverlener ervaart tijdens het werken met een
cliënt.
Behavioristisch perspectief (Pavlov en Watson) = Dit perspectief
benadrukt de invloed van leerervaringen op ons gedrag.
Klassieke conditionering= Leren door associatie, dingen worden aan
elkaar gekoppeld. Voorbeeld van de hond en de bel.
Operante conditionering= Leren door gevolgen van gedrag, straffen
en belonen
Variabel bekrachtigingsschema (Skinner)= Het is onvoorspelbaar
wanneer je een beloning krijgt. Zorgt voor blijvend gedrag (want je
wilt belonen worden).
Imitatie(bandura)= je leert door iets te zien en na te doen net zoals
die fursh man
Integratie van perspectieven= Verschillende perspectieven kijken
vanuit hun eigen hoek naar hetzelfde onderwerp.> Door ze samen
te gebruiken krijg je een breder en meer compleet inzicht.
Assimilatie en accommodatie= Nieuwe info toevoegen aan het
huidige beeld, zonder huidige info te wijzigen. Oude idee aanpassen,
omdat je breder bent gaan kijken.
Piramide van Maslow= Wat hebben mensen nodig om gelukkig te
zijn: 1. Basisbehoeften, eten, drinken en onderdak. 2. Veiligheid
en zekerheid: Bescherming tegen gevaar. 3. Sociale behoeften:
Liefde en verbondenheid, vriendschap liefde en een partner. 4.
Erkenning en waardering: Respect en vertrouwen opbouwen, als
je veel complimenten krijgt voel je je gewaardeerd. 5.
Zelfontplooiing: Beste uit jezelf halen.
Hoorcollege 3a
Creolisering= twee culturen vermengen met elkaar. Ontstaat iets
nieuws
Intersectionaliteit= Samenkomst van twee culturen en hoe deze
elkaar beïnvloeden (rechtvaardigheid en ongelijkheid). Bijvoorbeeld:
Kinderen met migratie ouders behalen bijv. minder goede cijfers.
Capability model= kijken naar mogelijkheden> bijv. fiets daardoor
kan je naar je vrienden
Hoorcollege 1b
Transactioneel ontwikkelingsmodel= Hoe ontwikkelen kinderen zich
door een wisselwerking tussen het kind, de ouders en mensen en
omgevingen (school).
Bronfenbrenner theorie= omgevingsfactoren hebben invloed op de
ontwikkeling van mensen. Micro= directe relaties, gezin, school en
omgeving. Meso= interactie tussen school en thuis. Hoe werken
deze systemen met elkaar. Exo= Indirecte invloeden zoals
werkomgeving ouders. Macro= Bredere maatschappelijke
systemen, arbeidswetten op werk ouders. Chrono= invloed van tijd
en de veranderingen.
Oudersschapstheorie= 1 elk ouder heeft een besef van
verantwoordelijk zijn. 2 Ouderschap maakt kwetsbaar. 3 Ouders zijn
eindverantwoordelijke.
Hoorcollege 2a
Bufferprocessen: Een solidaire gemeenschap, Goede taakverdeling,
Meta positie innemen= Eerlijk en actief kunnen reflecteren. Goede
ouderervaringen
Self- efficacy= Vertrouwen hebben in jezelf, door iets te doen of te
bereiken.
Kruispuntdenken= Ieder is uniek, en wordt anders behandeld. Door
de combinatie van eigenschappen die bij hem horen.
Model van Belsky (Determinanten)= Door bepaalde negatieve en
positieve factoren kan het ouderlijk gedrag veranderen.
Hoorcollege 2b
Systeemgericht werken= Kijken naar het groter geheel, mensen en
omgeving hebben samen invloed op de problemen en hoe je samen
naar oplossingen kunt zoeken. Richt zich op hoe verschillende
systemen met elkaar samenhangen en invloed hebben op het
gedrag van iemand.
Psychodynamische perspectief (Freud)= Benadrukt de invloed van
vroege jeugdervaringen en onbewuste processen op ons gedrag,
gericht op het verklaren van psychische problemen. 1. ID=
, Onbewuste driften, je wilt direct eten. 2. EGO= Jezelf die nadenkt
voordat je iets doet. Ego stuurt op basis wat kan en mag. Je kan niet
alles zomaar eten. 3. SUPER EGO= Geweten en normen/waarden,
het probeert je gedrag aan te passen volgens ideale.
Mentaliseren= het vermogen om na te denken over je eigen wereld,
gedachten, gevoelens en verlangens.
Afweermechanismen= Ongewenste gevoelens en herinneringen
buiten het bewustzijn laten, bijv.: een aangrijpende gebeurtenis
willen vergeten.
Psychoseksuele ontwikkelingsstadia= Orale fase= Wereld
ontdekken via mond. Anale fase= Leren beheersen van behoeften.
Fallische fase= lichaam ontdekken. Latentiefase= school en
vriendschappen staan centraal. Genitale fase= Volwassen relaties
ontwikkelen.
Overdacht= Proces waarbij gevoelens en verwachtingen uit een
vroegere relatie worden geprojecteerd op iemand in het heden.
Tegen overdacht= Gevoelens van professional in het contact.
Gevoelens die je als hulpverlener ervaart tijdens het werken met een
cliënt.
Behavioristisch perspectief (Pavlov en Watson) = Dit perspectief
benadrukt de invloed van leerervaringen op ons gedrag.
Klassieke conditionering= Leren door associatie, dingen worden aan
elkaar gekoppeld. Voorbeeld van de hond en de bel.
Operante conditionering= Leren door gevolgen van gedrag, straffen
en belonen
Variabel bekrachtigingsschema (Skinner)= Het is onvoorspelbaar
wanneer je een beloning krijgt. Zorgt voor blijvend gedrag (want je
wilt belonen worden).
Imitatie(bandura)= je leert door iets te zien en na te doen net zoals
die fursh man
Integratie van perspectieven= Verschillende perspectieven kijken
vanuit hun eigen hoek naar hetzelfde onderwerp.> Door ze samen
te gebruiken krijg je een breder en meer compleet inzicht.
Assimilatie en accommodatie= Nieuwe info toevoegen aan het
huidige beeld, zonder huidige info te wijzigen. Oude idee aanpassen,
omdat je breder bent gaan kijken.
Piramide van Maslow= Wat hebben mensen nodig om gelukkig te
zijn: 1. Basisbehoeften, eten, drinken en onderdak. 2. Veiligheid
en zekerheid: Bescherming tegen gevaar. 3. Sociale behoeften:
Liefde en verbondenheid, vriendschap liefde en een partner. 4.
Erkenning en waardering: Respect en vertrouwen opbouwen, als
je veel complimenten krijgt voel je je gewaardeerd. 5.
Zelfontplooiing: Beste uit jezelf halen.
Hoorcollege 3a