Paragraaf 1.1 Historische contexten
Engelse koloniën in Amerika
In 1997 vierden de Britten dat zij vijf eeuwen eerder Amerika hadden ontdekt. Aan het eind
van de 16e eeuw verkenden Engelsen de Noord-Amerikaanse oostkust, op zoek naar een
mogelijke uitvalsbasis om de vijandige Spanjaarden te bestrijden. In 1585 stichtten
Engelsen hun 1e kolonie in Amerika op Roanoke. De 1e blijvende Engelse kolonie was
Virginia.
In 1620 ontstond een 2e Engelse kolonie genaamd New England. Hier wilden de 1e
kolonisten een geheel nieuwe samenleving stichten volgens de ideeën van het strenge
protestantse calvinisme. England was in de 16e eeuw meegegaan met de protestantse
Reformatie. Een groep Engelse calvinisten vond deze kerkhervorming niet ver genoeg gaan.
Deze migranten werden later de Pilgrim Fathers genoemd -> ze zouden basis hebben gelegd
voor de democratie in de VS.
Onder leiding van koning Karel II werd bijna de hele Noord-Amerikaanse oostkust
gekoloniseerd. Karel gaf de hertog van New York een gebied ten zuiden van New England.
Uiteindelijk kwamen er 13 Engelse koloniën tussen de Franse kolonie in Canada en de
Spaanse kolonie Florida. In het noorden waren het vestigingskoloniën, waar de mensen
leefden van landbouw, nijverheid en handel. Ook in het zuiden vestigden zich Europeanen.
De economie was er meer gericht op de export van rijst, katoen en vooral tabak. Roken was
eerst een luxe, maar door de goedkope tabak uit Virginia werd dit een gewoonte.
Het lot van de indianen
In Noord-Amerika leefden veel indianen, ze woonden in dorpjes of trokken rond als
nomaden en leefden van landbouw, visserij en jacht. De eerste contacten met de
Europeanen waren vreedzaam. De indianen voorzagen de kolonisten van voedsel in ruil voor
Europese handelswaar zoals geweren, bijlen en messen. In het noorden verkochten
indianen beverbont. Snel braken er bloedige oorlogen uit tussen indianen en kolonisten. De
indianen accepteerden niet dat kolonisten hun grond in bezit namen. Veel indianen stierven
(90% van de kustbevolking) omdat ze geen weerstand hadden tegen de Europese ziektes die
de Europeanen mee brachten. Hierdoor konden bijvoorbeeld de Pilgrim Fathers hun kolonie
stichten.
De trans-Atlantische driehoekshandel
De Engelse stichten hun eerste kolonie in 1627 op het eiland Barbados.
Ze verbouwden daar eerst tabak maar er was te veel concurrentie. De kolonie werd pas een
succes toen er suiker werd verbouwd.
De suikerconsumptie nam in Europa toe, al snel was 80% van Barbados bedekt met
suikerplantages. De Engelsen koloniseerden meer eilanden voor suikerplantages. Het zware
werk werd gedaan door de zwarte slaven uit Afrika. Aan de westkust van Afrika stichtten de
Engelse factorijen, waar ze van Afrikaanse handelaren slaaf gemaakte kochten. Vanaf de
, jaren 1670 werden ook slaven ingezet in de zuidelijke plantagekoloniën aan de Noord-
Amerikaanse oostkust. Omstreeks 1700 waren de meeste plantagearbeiders slaven die in
het zuiden zo’n 20% van de bevolking vormden. In de noordelijke koloniën werkten de slaven
vooral in de huishouding of als landarbeider. De Engelse regering gaf het monopolie op de
slavenhandel in 1672 aan de Royal African Company. Engelsen kochten in Afrika in slaven,
goud en ivoor, in ruil voor onder meer wapens, tabak en alcohol. De slaven werden op volle
schepen getransporteerd naar Amerika, waar een groot aantal van hen op plantages moest
werken. Plantageproducten (zoals suiker en tabak) gingen per schip naar Europa.
De Amerikaanse onafhankelijkheid
De meesten inwoners van de koloniale bevolking waren in Amerika geboren. Zij voelden zich
Amerikanen en geen Engelsen of Britten. Vanaf 1707 vormden Engeland en Schotland
samen het koninkrijk Groot-Brittannië. De Amerikanen namen verlichte ideeën uit Europa
over. Vooral de denkbeelden van John Locke kregen invloed. Alle mensen hebben volgens
hem natuurlijke rechten, zoals het recht op leven, veiligheid en bezit. Regeringen moeten die
rechten beschermen. Als ze dat niet doen mogen burgers ze afzetten want het volk is
soeverein. De radicale Britse schrijvers legde nadruk op de vrijheden van het individu en
gaven de Britse regering hiervan de schuld. De Amerikaanse koloniën hadden allemaal een
eigen parlement en eigen gekozen bestuurders + en Britse gouverneur. In de jaren 1757-1763
vochten de milities en het leger samen tegen Frankrijk. Nadat de Fransen waren verslagen,
begon de regering in Londen belastingen te heffen in Amerika. Dit was nodig omdat de
oorlog tegen Frankrijk erg duur was.
Er waren nieuwe oorlogen met de indianen. Volgens de Britten moesten de Amerikanen
meebetalen. Onder invloed van de verlichte ideeën kwamen de parlementen van de
koloniën in 1765 tegen de nieuwe belastingen in verzet. Ze zeiden dat de Britten geen
belastingen mochten opleggen omdat de Amerikanen niet vertegenwoordigd waren in het
Britse parlement -> ‘no taxation without representation’. In 1770 liep dat in Boston uit de
hand -> Bloedbad van Boston. In 1773 was er in Boston weer een incident, opstandelingen
overvielen Britse schepen en gooide de lading overboord. In 1775 braken gevechten uit
tussen het Britse leger en Amerikaanse opstandelingen. In 1776 riepen vertegenwoordigers
van de 13 koloniën de onafhankelijkheid van de VS van Amerika uit. In 1873 wonnen de
Amerikanen de oorlog van de Britten, erkende Groot-Brittannië de Amerikaanse
onafhankelijkheid.
Afschaffing van slavenhandel en slavernij
Onder invloed van de verlichte/revolutionaire ideeën braken slavenopstanden uit op de
Caribische eilanden. Hierdoor besloot het Britse parlement in 1807 tot een verbod op de
slavenhandel in het Britse rijk. Gevolg: economische neergang van plantagekoloniën. Toen
in 1833 ook de slavernij in het Britse rijk werd afgeschaft, moesten Britse plantagehouders
voortaan loon betalen. Daardoor werd hun suiker te duur om te concurreren met Brazilië en
Cuba. Volgens de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring & grondwet was iedereen vrij
en gelijk geboren. Werkelijkheid: alleen witte mannen met een bepaald bezit deze rechten.
In 1787 schaften noordelijke Amerikaanse staten de slavernij af, -> ze waren onverenigbaar
met de vrijheid en gelijkheid van de mensen. In het zuiden bleef slavernij bestaan. De VS
verbood de federale regering in 1807 de import van slaven, tegelijk met het Britse verbod op